De deskundige burger: welkom in een verbeterde democratie

ademloos-keuze-van-mer-voor-oosterweel-is-partijdig-id5334211-1000x800-n

 

Jan Blommaert

1. Deliberatieve democratie

Op Valentijnsdag 2014 kondigde de Vlaamse Regering aan dat ze voor de heraanleg van de Antwerpse ring – de Oosterweelverbinding – alsnog een “verbeterd” BAM-tracé zou volgen. Dat traject volgt de huidige ring en loopt dus dwars door ontzettend dicht bevolkte stadsgebieden, die vaak ook arme en kwetsbare wijken zijn. En dat tracé werd in oktober 2009 door de meerderheid van de Antwerpenaren weggestemd in een geldig referendum. Het protest lag dan ook voor de hand: de Vlaamse Regering had haar zin voor democratische legitimiteit een zoveelste knauw gegeven.

De coalitiepartners uit de Regering hadden de handen vol om hier tegen enig verweer te organiseren. De Antwerpse lijsstrekker van de sp.a voor de verkiezingen van mei 2014, Caroline Gennez, liet haar gedachten gaan in een opiniestuk in De Morgen, getiteld “Wat Oosterweel ons leert over participatie” (19 februari 2014).[1] In dat stuk mijmert Gennez over de best mogelijke vorm van inspraak in dergelijke aangelegenheden, en ze breekt een lans voor wat ze “deliberatieve democratie” noemt.

Terwijl ze dat doet, haalt ze echter uit naar de actiegroepen die voor en na het referendum het verzet tegen het BAM-tracé hadden geleid. En zo doende distantieert ze zich van het referendum en z’n uitslag. Haar tekst is overigens uitdrukkelijk bedoeld om “de effecten van de volksraadpleging te evalueren”. Ik citeer:

“We moeten toegeven dat er binnen Oosterweel van echte participatie nooit sprake is geweest. Niet vanuit de beleidsmakers die enkel maar konden vaststellen dat actiegroepen als paddenstoelen uit de grond schoten en zich tegen hun beslissingen keerden, maar evenmin vanuit actievoerders zelf, die uiteindelijk meer weg hadden van professionele studie- en communicatiebureaus dan van spontane burgerinitiatieven.”

De actiegroepen “leken” niet meer op “spontane burgerinitiatieven”, maar eerder op kennisprofessionals. En dat is niet goed. Wat beter is, is net dat spontane burgerinitiatief, dat dan in een vorm van overleg betrokken kan worden. Daarover zegt Gennez:

“Dat wil zeggen dat in de discussie alle meningen even belangrijk zijn en op basis van redelijke argumenten tot stand komen. Het uitgangspunt is dat er voor elke kwestie en probleem een verscheidenheid aan invalshoeken bestaat.”

En dat overleg moet aan een aantal voorwaarden voldoen, waarvan ik er eentje citeer:

“Een tweede randvoorwaarde bestaat erin dat we de mensen die we rond de tafel brengen onafhankelijk zijn, over voldoende kennis beschikken en in groep representatief zijn voor de gemeenschap waarin we leven. Kennis hoort niet exclusief bij de overheid en zijn specialisten te liggen, evenmin bij een groep harde roepers, maar moet gedeeld worden met alle geëngageerde burgers in al hun diversiteit.”

Zo. Goed georganiseerde en deskundige actiegroepen zijn nu plots “harde roepers”, wier “onafhankelijkheid” en “representativiteit” kennelijk ter discussie staat, en wier standpunt louter “een mening” is die slechts “even belangrijk” is als elke andere. Dat is niet wat Gennez ervaart als “echte” en “spontane” sociale beweging, en dat soort groepen horen dan ook niet thuis in de deliberatieve democratie.

Wat die deliberatieve democratie dan wel precies is, daarover blijft Gennez zeer vaag. Ze raakt niet verder dan deze nogal algemene uitspraak:

“De ideeën rond deliberatieve democratie zelf vinden hun oorsprong bij theoretici als Jurgen Habermas en Amartya Sen en hebben als doel de publieke rede te bevorderen door de nadruk te leggen op de precieze formulering van redelijke argumenten.”

Goed: hoewel het burgerinitiatief vooral “spontaan” moet zijn (of lijken?), moet het niettemin uitmonden in redelijke argumenten, die worden gesprokkeld vanuit het standpunt dat alle meningen evenwaardig zijn. In het geval van Oosterweel was dat niet zo, want blijkbaar waren de “meningen” beïnvloed door actiegroepen die er wat te professioneel uitzagen. Het oordeel van Gennez over het referendum is dan ook negatief.

In wat volgt ga ik me niet moe maken aan het uitkleden van de argumentatie van Gennez, evenmin als aan een diatribe over het wanhopige en stompzinnige karakter van de manier waarop de sp.a het onverdedigbare poogt te verdedigen, en evenmin over het feit dat Gennez, die in 2009 voorzitter was van de sp.a en in die hoedanigheid een groot voorstander van het referendum was, en een verdedigster van de uitslag ervan. Ik richt me op de kern van de zaak: de vraag rond de verhouding tussen de ongebonden burger en de democratie. En ik begin met wat feiten.

2. De harde roepers

De “harde roepers” die eruit zagen als “professionele studie- en communicatiebureaus” en dus niet als “spontane burgerinitiatieven” waren in het geval van Oosterweel de burgerorganisaties “stRaten-generaal” en  “Ademloos”. Hun voormannen, respectievelijk Manu Claeys en Wim Van Hees, werden tevens de gezichten van de campagne tegen het BAM-tracé. Hun organisatie- en communicatietalent was (en is) verbluffend, evenals hun bekwaamheid om rond het thema van Oosterweel een zeer breed vertakt netwerk op te zetten van kleinere en lokale organisaties, politici te benaderen en te mobiliseren, samen te werken met topdeskundigen en zo meer. Ze slaagden er in om – zonder enig budget die naam waardig en zonder professionele staf – een massale en peperdure infocampagne van de tegenstrever volledig in het defensief te dringen met een enkel begrip: “fijn stof”. Ze haalden de tienduizenden handtekeningen op die nodig waren voor de organisatie van het referendum, en ze zorgden ervoor dat ook de opkomst voor dat referendum volstond om de geldigheid ervan te verzekeren.[2]

Dat was niet alles. Hun grootste prestatie lag in het niveau van informatie die ze verspreidden onder de Antwerpenaars. De burgers kregen niet enkel slogans en affiches aangereikt, en minder nog de klassieke partijpolitieke beschuldigingen en complottheorieën. Neen, de burger kreeg uiterst deskundige informatie over zowat ieder aspect van het BAM-plan. En die burger kreeg bovendien een deskundig uitgewerkt alternatief plan, het zogenaamde Meccano-tracé. In de uitwerking van dat alternatief was met alle aspecten rekening gehouden – technische, financiële, juridische en infrastructurele aspecten werden grondig onderzocht, de gezondheids- en milieu effecten werden nauwkeurig in kaart gebracht, plannen werden zorgvuldig getekend en nagegaan, en zo meer.

Qua niveau was het verbluffend. En die informatiecampagne zorgde ervoor dat de burgers niet enkel “ja” of “neen” konden antwoorden op de vraag uit het referendum, maar hun keuze konden baseren aan een afweging van volwaardige alternatieven. De manier waarop Gennez dit referendum dan ook afdoet als een klassiek simplistisch ja-neen spelletje is dan ook volkomen onterecht; en ook de andere wegwerp-observatie die ze aanhaalt, dat referenda “een lage opkomst en een sterke mobilisatie van het neen-kamp” als kenmerk hebben, wordt door de opkomst en de uitslag gelogenstraft: er was immers even goed een uiterst krachtige campagne vanwege het pro-BAM kamp. De ja-neen vraag van het referendum was overigens uiteraard niet door de actievoerders opgesteld, maar wel door de overheid. Ze luidde “Moet de stad Antwerpen een gunstig advies geven voor een stedenbouwkundige vergunning van de Oosterweelverbinding op het huidige voorziene tracé tussen Zwijndrecht/Linkeroever en Merksem/Deurne? Ja of neen”.

Volgens Gennez was dit echter een mislukking. Er was bij het referendum “van echte participatie geen sprake”, zo stelt ze. Uitstekende en deskundige informatie van de burgers, uitgaande van vrijwilligers die een zeer breed netwerk aan groepen en belangen vertegenwoordigden, waarbij het antwoord op de ja-neen vraag vergezeld ging van een voldragen alternatief – en dus louter inhoudelijk werd ingevuld – en van een geheel andere visie op mobiliteit en stedelijkheid, met een grote opkomst waarin twee kampen duidelijk niet zonder meer de overwinning zouden behalen en de strijd inhoudelijk moesten uitvechten. Dat alles was niet goed, het voldeed niet. Meer nog: precies dit model van burgerinitiatief  maakt “positieve besluitvorming” (niet verder uitgelegd) “schier onmogelijk” in dit land. Weg ermee.

Zoals gezegd: wat in de plaats daarvan moet komen is niet helder. Maar we zien wat Gennez van de hand wijst: de zeer geavanceerde deskundigheid van actiegroepen, het enorme netwerk dat ze schiepen, de inhoudelijke richting van hun kritiek, incluis de ontwikkeling van een volwaardig alternatief, de onuitputtelijke informatie en sensibilisering onder delen van de bevolking, groot genoeg om een geldig referendum te kunnen houden. Wat daarvan in de plaats moet komen? Een “representatief” geheel van “onafhankelijke” burgers wier “meningen evenwaardig zijn” (want er zijn nu eenmaal heel uiteenlopende invalshoeken voor elk probleem”) en die op basis van “voldoende kennis” tot “redelijke argumenten” komen. “Redelijk”? Op grond waarvan? Op grond van welk soort informatie? En met welk niveau van deskundigheid? In het geval van de Oosterweel kan men moeilijk beweren dat de actiegroepen niet “onafhankelijk” waren; dat ze niet “representatief” waren (ze kregen een geldig referendum voor mekaar), en dat de argumenten die ze brachten niet “redelijk” waren of niet gestoeld waren op “voldoende kennis”. Wat is dan het probleem?

En wat is de oplossing? Een “representatief staal” van de bevolking – een focusgroep dus – bijeen halen, die men snel twee verschillende versies van de feiten voorhoudt (alsof er slechts twee zouden zijn), daarna over deze versies laat debatteren en dan ja-nee stemmen? Het marketingmodel van zogenaamde “deliberatieve democratie”? Zo ja, wie is “representatief” wanneer het over politieke, levensbeschouwelijke of persoonlijke standpunten handelt? En wie zal die verschillende versies van de feiten klaarmaken voor gebruik door de focusgroep? En op basis van welke parameters?

3. Redelijke argumenten

Die parameters zijn cruciaal, want zij bepalen de grenzen en de aard van de “voldoende kennis” die de burger zou nodig hebben voor het vormen van “redelijke argumenten”. Dit lijkt alleen maar eenvoudig, maar is het niet.

In het geval van Oosterweel was een zeer belangrijke factor in de mobilisatie – en de overtuigingskracht – van het neen-kamp immers de fundamenteel alternatieve visie op mobiliteit en stedelijkheid, het ruimere plaatje dus, iets wat men een nieuwe “mobiliteits-ideologie” zou kunnen noemen. Vanzelfsprekend stond dat ruimere plaatje “niet ter discussie”, deed dat “niet ter zake” en was dat “de vraag niet”. Maar waarom niet? Het was immers de onderliggende logica voor het alternatieve voorstel, en het was net op dit punt dat mensen outside of the box gingen denken – en buiten het nauwe kader van de Oosterweel gingen reflecteren. De ja-neen vraag was bij duizenden mensen vooraf gegaan door een grondig ont-denken en in vraag stellen van allerhande patronen uit hun alledaags leven. Is het vanzelfsprekend dat ik met mijn wagen de ring op moet om te gaan winkelen? Is het nodig dat een ring-snelweg zoals deze ook lokaal verkeer moet dienen? En hoe integreren we dat autoverkeer met andere verkeersvormen – fietsen, openbaar vervoer?

De actiegroepen wensten ook dit ruimere geheel aan vraagstukken in het referendum te betrekken, maar dat voorstel werd afgewezen, en we kregen de vraag die ik hierboven gaf. Dat is een constante in politieke strijd: men probeert vraagstukken te vernauwen tot de smalst mogelijke formuleringen, zodat men nog altijd wat ruimte tot manoeuvreren over houdt. In het geval van het Valentijnsakkoord van de Vlaamse Regering over Oosterweel zag men die vernauwing pijnlijk en ad absurdum geïllustreerd: de sp.a-leden die het front introkken om het akkoord te verdedigen beweerden dat de vraag ging over “DE bouwaanvraag” – de concrete, in 2009 ter tafel liggende bouwaanvraag waarin onder andere een grote brug over de Schelde voorzien was, die Lange Wapper zou gaan heten – en niet “EEN” of “ELKE” bouwaanvraag voor het BAM-tracé. Ik citeer een van de vele gelijkluidende sp.a interventies die op Facebook de ronde deden, hier van de hand van een dame die als opvolger op de sp.a kieslijsten van mei voorkomt:

“De vraag waarop de Antwerpenaar neen heeft gezegd (en ik ook trouwens) in het referendum was inderdaad deze: “Moet de stad Antwerpen een gunstig advies geven voor de stedenbouwkundige vergunning van de Oosterweelverbinding op het huidige voorziene tracé tussen Zwijndrecht/Linkeroever en Merksem/Deurne? Ja of neen?”. De stedenbouwkundige vergunning die toen in procedure zat (en waarrond openbaar onderzoek was afgerond) was deze van de Lange Wapper. Als de vraag had geluid “Moet de Stad Antwerpen gunstig advies geven over IEDERE stedenbouwkundige vergunning op het voorziene tracé…”, dan kon je nog zeggen dat het tracé was weggestemd. Nu is het duidelijk dat enkel de Wapper werd weggestemd. Ook de NEEN-campagne hanteerde slogans als “stem de brug onder de grond” en “BYE-BYE BRUG”. Wel, de brug gaat nu onder de grond …”

Welnu, de mensen die tegen dat tracé stemden hadden, op basis van de verworven informatie, heel wat meer voor ogen. Dat wegsnijden, en aan die mensen duidelijk maken dat ze eigenlijk voor iets veel beperkter hadden gestemd, behoort tot de doorsnee politieke mores.

Een andere factor was dat de gehele campagne, van bij aanvang, door de overheid en de vertegenwoordigers van het BAM-kamp nu net op een uiterst gespecialiseerd niveau werd gevoerd. Dissidente burgers werden tijdens hoorzittingen weggezet met de melding dat dit “een zeer ingewikkelde materie” was, dat er ingenieurs-technische, planologische, medische, economische en econometrische, mobiliteits-beheersmatige aspecten aan het dossier waren, te complex en technisch om uit te leggen, maar die er voor zorgden dat het BAM-tracé het enig mogelijke was en dat critici eenvoudigweg onvoldoende deskundig waren om evenwichtig te kunnen oordelen. Trust me.

Ook dat is trouwens een constante in politieke strijd: dossiers die gevoelig liggen, of waarvoor het maatschappelijke draagvlak niet meteen groot is, worden graag en vaak verpakt in een uiterste techniciteit alsof de grond van de zaak enkel voor specialisten toegankelijk zou zijn. Denk aan de banken- en Eurocrisis en de EU-maatregelen in dat verband als voorbeeld, of aan de zogenaamde ‘terreurdreiging’ en het daarvoor ontwikkelde veiligheidsbeleid. De gewone man kan gewoon niet weten hoe ingewikkeld die zaken wel zijn, en hoe technisch. Hij onthoudt zich dan ook best van commentaar.

Het effect is duidelijk: de tegenstemmen worden gediskwalificeerd als onvoldoende deskundig en dus niet bij machte om de genomen besluiten aan te vechten. “Wat weet jij hiervan?” is het ultieme kennisargument, en “er zijn nog andere belangen dan de jouwe” het ultieme machtsargument. Vermits jij die andere belangen niet kent, moet je aannemen dat die overwegen op de jouwe. En daarmee is de deliberatiefase van de deliberatieve democratie dan ten einde, en kan er “positieve besluitvorming” gedaan worden. In het geval van Oosterweel hadden de actiegroepen dus geen keuze: ze moesten de deskundigheid van de overheid – gesteund middels miljoenen Euro’s door studiediensten, consultants en andere experts en lobbygroepen – counteren met een even deskundig argumentarium. En daardoor – tja – zagen ze er uit als “professionele studie- en communicatiebureaus”. Het alternatief was echter knikken en slikken, en platgemept worden door de deskundigheid van de tegenpartij – het aanvaarden van een kennismonopolie van de tegenpartij.

Men merkt dus dat “redelijke argumenten”, ten eerste, verschillende vormen hebben. Er zijn redelijke vormen van contextualisering, die een bepaald thema in verband brengen met andere thema’s. En er zijn redelijke argumenten die gebaseerd zijn op deskundigheid en daardoor overwegen op redelijke argumenten die deze deskundigheid missen. En de zaak is dat in die veelheid van types van redelijke argumenten wel degelijk een hiërarchie aanwezig is. Niet alle meningen zijn gelijk of evenwaardig, in weerwil van wat Caroline Gennez daarover denkt.

En maar goed ook. Wie bij de dokter gaat en zegt “ik heb buikpijn” doet een redelijke uitspraak, want ze beschrijft een feit. Wanneer die dokter zegt na het onderzoek “U hebt appendicitis en moet meteen worden geopereerd” dan doet hij/zij eveneens een redelijke uitspraak, maar ze is van een andere orde. Ze is immers preciezer en accurater dan de eerste, en houdt daardoor heel andere gevolgen in dan de eerste. Als de patiënt daarop zou antwoorden “wel dokter, ik denk dat U ongelijk hebt en ga niet naar de kliniek”, dan zullen velen dit niet alleen onredelijk vinden, maar ook dom – de dokter in de eerste plaats. Deskundigheid is een zegen, ze niet nastreven of respecteren komt dichtbij de definitie van onredelijkheid.

Mag de actieve burger eigenlijk deskundig zijn? Gennez lijkt de voorkeur te geven aan een burger die dat niet is. Een spontane burger, een gewoon mens die representatief is voor z’n gemeenschap, en die gewoonweg redelijk is – en zich dus gedwee onderwerpt aan de deskundigheid van de ander. Een even deskundige burger is te redelijk, en dus niet meer spontaan, en zeker niet representatief. Wanneer zo’n burger zich in een conflict met de overheid begeeft dan is dit volgens Gennez een foute vorm van democratie. We hebben ze toch liever iets simpeler, die burgers.

4. Democratie van beneden uit: de G1000.

Die “representatieve” doorsnee van de bevolking, op doorsnee wijze geïnformeerd, blijkt overigens weinig innovatief wanneer het aankomt op “redelijke argumenten”. In 2012 werd in België op initiatief van de schrijver David Van Reybrouck en anderen een “G1000” georganiseerd: een oefening in “deliberatieve democratie” waarbij men poogde aan politiek te doen zonder de klassieke patronen ervan te volgen, en zo de burger “outside of the box” te laten denken.[3] Het initiatief was goed bedoeld. Het ging uit van de wijd verspreide institutionele vermoeidheid bij de bevolking – mensen die enkel nog cynisch kunnen staan tegenover de politieke instellingen en die zich op geen manieren meer kunnen vinden in de grote structuren van het politieke bedrijf en van het georganiseerde middenveld.

Het initiatief werd ook begeleid door wetenschappers, en het ging uit van een wetenschappelijk model: het representatieve staal, de “sample” die in alle statistische surveys gehanteerd wordt. De deelnemers waren als zodanig geselecteerd: ze moesten een representatieve dwarsdoorsnede vormen van de samenleving. Wanneer die mensen dan dialogeerden over thema’s die zelf waren geselecteerd via een online bevraging, en met de hulp van deskundigen die “feiten” zouden aanbrengen, dan zouden we een “pure”, onbezoedelde politieke standpuntenbepaling krijgen. Dan zouden we eindelijk weten wat het volk echt denkt.

Althans dat dacht men. Alleen ging met niet enkel uit van een wetenschappelijk model, maar ook van een academische mythe: die waarin er “opinies” bestaan die volkomen los van elke vorm van context en beïnvloeding gevormd worden.[4] Concreet: men dacht dat deze representatieve staal van de bevolking in haar discussies volledig vrij en onbelemmerd nieuwe en innovatieve standpunten zou vormen. Quod non. Waarom niet? Omdat zowat alle methoden die werden gehanteerd uitgingen van deze mythe.

Zo mochten de deelnemers “zelf” online thema’s voorstellen. Op die wijze kwam men tot een ‘grassroots’ lijst, een lijst die volkomen vrij was geschapen, maar die bij nader toezien zeer conventioneel was: de lijst was eenvoudigweg een weerspiegeling van de thema’s die het mainstream maatschappelijk debat beheersen:[5]

“Tijdens de eerste fase, de online-consultatie, werden een paar duizend ideeën gedeponeerd en hebben andere bezoekers deze geëvalueerd om tot een “top25” te kunnen komen. Over deze “top 25”werd publiekelijk gestemd via het internet wat leidde tot drie thema´s die werden weerhouden: de sociale zekerheid, de verdeling van welvaart in tijden van crisis en immigratie”. (44)

Niet meteen buitengewoon outside of the box, dit lijstje. Maar er waren ook “originele” zaken:

“Enkele originele voorstellen die aan het denken zetten: “geen kindergeld maar kindercheques” (24% van de stemmen omtrent kinderbijslag), “gegarandeerd basisinkomen voor iedereen” (15% van de stemmen omtrent werkloosheid) en “kleinere verpakkingen voor geneesmiddelen” (21% van de stemmen omtrent gezondheidszorg).” (45)

Ook hier heb ik een zeer sterk déja vu gevoel: hier noemt men “origineel” datgene wat in het publieke debat (en dus ook statistisch) een minder dominante plaats inneemt. Van bijzonder belang voor de organisatoren was echter dat de deelnemers blijk gaven van redelijkheid:

“Deze eerste tussentijdse resultaten liegen er niet om: burgers die met elkaar in dialoog treden, zijn in staat om verstandig en genuanceerd te redeneren in functie van het algemeen belang.” (45)

Bij wijze van voorbeeld:

“Bij de prioriteiten over een delicaat onderwerp als immigratie wordt gestemd voor het verlangen naar inburgering (“integratieplicht”, 31%), gekoppeld aan de eis voor “snelle procedures & objectieve criteria” (26%) en een oproep tot “betere integratiemogelijkheden” (21%) en meer “ontwikkelingssamenwerking” (20%). Radicale ideeën zoals “vreemdelingen buiten” of “alle grenzen open” worden niet collectief bijgevallen.” (45)

Merk terloops op hoe de organisatoren (niet de deelnemers, nemen we aan, want dit is een analytische observatie), bepaalde thema’s als “delicaat” bepalen – waarbij de meetruimte eenvoudigweg alweer het mainstream publieke debat is – alsook bepaalde standpunten als “origineel”, “gematigd” dan wel “radicaal” bestempelen. Het vermijden van “radicale” standpunten wordt tevens gezien als “verstandig” en “genuanceerd”. Middenposities in het mainstream debat krijgen hier ook prompt hun mainstream etiketten. De grenzen van the box doemen overal op, de kleuren ervan eveneens.

Zaak is dat in de G1000 een reeks naïeve uitgangspunten werden gehanteerd over de mens, z’n kennis en de maatschappelijke context waarin die verworven wordt en circuleert. Mensen zijn niet onbezoedeld, ze zijn door-en-door gesatureerd met dominante vertogen, beelden en argumenten.[6] En gevraagd naar een “authentiek” en “geheel eigen” standpunt krijgt men derhalve echo’s, desnoods lichtjes vervormd, van die dominante vertogen, beelden en argumenten. En zo vervaardigde deze lovenswaardige oefening in “deliberatieve democratie” een argumentatieve eenheidsworst, waarin kindercheques en kleinere verpakkingen voor geneesmiddelen als opmerkelijk creatieve gedachten opvallen. De G1000 – ik vertaal het nu even in een “radicaal” politiek jargon – was een oefening in politieke status-quo.

5. De crowdsourcing van deskundigheid

Dit soort oefeningen, waarbij men mensen als blanco bladzijden inzake politieke argumenten en standpunten beschouwt, en meent de authentieke en representatieve waarheid te kunnen vernemen via een steekproefmethode die meteen ook alle eigenschappen van de echte communicatie- en informatiewereld van echte mensen wegdenkt – met dit soort oefeningen denk ik niet dat we onze democratie veel verder helpen. Het kan ons een goed gevoel geven dat wij het nu zijn die dezelfde dingen zeggen als onze media en beleidsmensen, en niet deze laatste. Maar deze laatste zullen wellicht niet ontevreden zijn over het feit dat die vrije en onbeïnvloede democratische mens hetzelfde herhaalt van wat media en beleidsmensen hebben voorgezegd. Meer nog: cynische media- en beleidslui zullen dit zelfs zien als een prima middeltje om hun macht en hegemonie verder te verstevigen: laat mensen denken dat ze jouw standpunt zelf hebben bedacht, en jij hebt het voor het zeggen.

Net zomin als de meningen en standpunten zijn de vormen van communicatie immers allemaal gelijk in een echte samenleving. Wat publiek wordt gezegd resoneert meer dan wat niet tot het publieke forum doordringt; en wat zich daarbij nog op uitzonderlijke kennis of deskundigheid kan beroepen resoneert snel nog meer. Er is dus weinig alternatief voor wie de eigen stem wil laten resoneren: toegang tot het publieke forum, en uitzonderlijke kennis en deskundigheid zijn niet te vervangen als eigenschappen die mensen iets meer aandacht doen schenken aan wat je zegt en beweert. Wie de “publieke opinie” wil beïnvloeden – wie ze wil scheppen is een juistere term – moet beide nastreven.

Nu wil het geluk dat net op deze twee punten – toegang tot het publieke forum en kennis en deskundigheid – onze samenleving al een paar decennia een revolutie doormaakt. En Gennez (alsook de organisatoren van de G1000 en vele, vele anderen) lijken die te hebben gemist. Wat is die revolutie? Simpel: de huidige generatie stemgerechtigden is de hoogst opgeleide uit de hele geschiedenis. En ze heeft tevens op ruime schaal toegang tot een historisch volkomen unieke reeks nieuwe kennistechnologieën en –instrumenten die we kunnen samenvatten onder de gebruikelijke term Internet. Deze generatie heeft dus voor het eerst in de geschiedenis de mogelijkheid om soeverein kennis en deskundigheid te verwerven, te produceren en te verspreiden. Op die manier is dit de eerste generatie die dat oude Verlichtingsideaal kan waarmaken: het ideaal van de mens die vrij is, omdat hij/zij volkomen zelfstandig de nodige kennis kan verwerven om een eigen standpunt over de werkelijkheid te bepalen. Eenvoudig samengevat heet deze mogelijkheid: de kans tot emancipatie. Elke Westerse politicus zou dit moeten bejubelen, want het was ooit het streefdoel van zowat alle moderne politieke bewegingen.

Een mens met een gemiddeld opleidingsniveau is nu in staat om zelfstandig de mainstream van de informatie te verlaten en zelf op zoek te gaan naar alle mogelijke informatie, van eenvoudig tot uiterst geavanceerd, en dit over ongeveer ieder denkbaar thema. Het manifest van Anders Breivik – 1600 pagina’s teksten en informatie over het vervaardigen van wapens, militaire technieken en zo meer – is een weliswaar triest en zeer negatief voorbeeld van het potentieel hiervan. De opstoot van nieuwe internetmedia (zogeheten “micromedia”), het succes van sociale media, en de toenemende invloed van “crowdsourcing” in de nieuwsgaring – mensen die incidenten filmen met hun smartphones en die op het internet verspreiden – is er een meer positieve dimensie van. Individuen en kleine ongebonden groepen van mensen hebben nu mogelijkheden die een goede eeuw terug enkel voor figuren als William Randolph Hearst beschikbaar waren: het opzetten van een eigen netwerk voor de productie en verspreiding van kennis en deskundigheid – het betreden van het publieke forum, dus, en het scheppen van een deskundige stem daarbinnen. Het potentieel hiervan is enorm, zowel ten goede als ten kwade – Breivik toont dat laatste. Maar wie er goed mee wil doen kan meer en beter doen dan ooit tevoren.

Niet alleen de toegang tot deze kennis en deskundigheid en tot het vormen van nieuwe gemeenschappen en netwerken is effectief gedemocratiseerd; ook de kennis om dit te doen zelf is niet langer meer het monopolie van zeer hooggeschoolde technici geconcentreerd in militaire of academische instellingen. Meer nog, de grootste en wereldwijde politieke shock to the system van dit decennium had precies daarmee te maken: Wikileaks in zijn diverse vormen, met Julian Assange, Edward Snowden en het wereldwijde activistencollectief Anonymous als onopvallende maar zeer effectieve “hackers”, in staat om sommige van de meest explosieve internationale geheimen in handen te krijgen en wereldwijd zeer beveiligde servers en netwerken lam te leggen.

Deze condities zijn nieuw. We vergeten dat snel, en zo vergeten we ook het enorme potentieel dat ze in zich dragen en de verregaande veranderingen die ze in de samenleving veroorzaken. Het Internet is ongeveer 20 jaar oud in dit land; mobiele telefonie dateert van 1996; en Facebook viert dit jaar zijn tienjarig bestaan. In die zeer korte periode zijn deze instrumenten massaal gegroeid qua gebruik en toegang. Facebook bijvoorbeeld, zag het aantal Belgische gebruikers stijgen van ongeveer 2 miljoen in 2009, tot ca 5,5 miljoen in 2013.[7] Dat betekent dat in de aanloop naar de verkiezingen van mei 2014 dubbel zoveel mensen Facebook gebruiken voor discussie en groepsvorming omtrent hun stemintenties, dan bij de vorige verkiezingen in 2010, en dat dit zonder twijfel effecten zal hebben. Dat is meteen ook de reden waarom politieke partijen zwaar investeren in sociale media als campagne-instrument (N-VA op kop, met een inzet van 300.000 Euro voor de precampagne alleen).[8]

En laat het nu zo zijn dat precies de actiegroepen rond Oosterweel – stRaten-generaal en Ademloos – prima voorbeelden zijn van een nieuwe vorm van sociaal activisme dat deze middelen uitgebreid aanwendt. Deze aanvankelijk kleine groepjes van vrijwilligers hadden geen noemenswaardig kapitaal, en evenmin een geprivilegieerde toegang tot de gremia van de zeer geavanceerde kennis. Ze hadden toegang tot middelen die een zeer groot deel van onze samenleving thans bezit: een Internetconnectie, een degelijke PC en een smartphone. Zowat alle kennis en deskundigheid die door deze actiegroepen werd verworven verliep (a) via zelfstudie van hoofdzakelijk elektronisch toegankelijke bronnen, en (b) via contacten en netwerken die via deze nieuwe communicatiemiddelen tot stand werden gebracht. Zowel nationaal als internationaal konden deskundigen van allerlei pluimage worden gecontacteerd en verzocht om medewerking; fysieke vergaderingen waren daarvoor niet altijd nodig, want zeer veel kan worden gedaan via skype, email en andere kanalen.

Actie voeren wordt op deze manier goedkoop en effectief. Het gaat hier immers om deskundigheid die via “crowdsourcing” wordt aangebracht: vrijwillig en vanuit allerhande hoeken brengen individuen brokjes kennis en deskundigheid bijeen, die samen een formidabel geheel beginnen te vormen dat opweegt inzake radius en diepgang tegen datgene wat door professionele studiebureaus, overheden en consulenten wordt gedaan. Een collectief van artsen brengt medische expertise aan; academische geografen en urbanisten wijzen na hun werkuren op belangrijke studies uit hun vakgebied, marketingprofessionals geven snel een paar handige communicatietips, enkele ingenieurs bekijken de studies van de overheid, een sympathiserend studiebureau voert kosteloos een simulatie uit, en zo voort. Er ontstaat op die manier een grassroots kennis- en deskundigheidscollectief, dat gratis en op vrijwillige basis samenwerkt om een evenwaardige tegenstem in het publieke debat te verzorgen, en om die tegenstem daarnaast ook nog eens als leeromgeving aan te bieden aan de bredere bevolking – die hierbij vanzelfsprekend ook alles te winnen heeft.

6. Een verbeterde democratie

Het resultaat daarvan kennen we: een beweging die er professioneel uitziet, uiterst deskundige commentaren, standpunten en alternatieven ontwikkelt, en zo weigert zich te laten muilkorven door de superieure deskundigheid die traditioneel in een enkele hoek ligt: die van de macht. Er ontstaat een effectieve en efficiënte tegenmacht – en zowel de BAM-lui als de Vlaamse Regering zal moeten toegeven dat deze nieuwe vormen van activisme bijzonder moeilijk omver te krijgen zijn. Dit zijn plots geen simpele lieden uit de buurt meer, maar tijgers in het publieke debat die de tegenstander dwingen tot de grootste voorzichtigheid en omzichtigheid – en tot de meest verregaande vorm van democratische dialoog, niet slechts over de hoofdlijnen van een plan, maar over de fijnste nuances ervan.

Het ziet er professioneel uit – zeker voor iemand zoals Gennez – maar toch is het grassroots, spontaan en gebaseerd op een vrijwillige samenwerking van ongebonden burgers. Het is dus voluit democratisch in zowat de puurste zin van het woord: het volk dat de beschikbare middelen aanwendt om de plannen van haar overheid nauwgezet te onderzoeken, en ze deskundig te bekritiseren wanneer dat nodig is. Het is een geëmancipeerde democratische beweging, die voor haar kennis en deskundigheid niet meer afhangt van de goodwill van kennismonopolisten – de overheid, het kapitaal, de academische wereld, de media – maar die deze zelf en zonder dwang of invloed van anderen opzoekt, verzamelt, onderzoekt en verspreidt.

Wie outside of the box participatie van de democratische burger wenst zal deze dan ook eerder vinden in dit soort initiatieven dan bij de G1000. Het Meccano-tracé, bijvoorbeeld, was een ferm staaltje outside of the box denken, dat van onder uit de samenleving – de actiegroepen – naar het publieke forum werd gebracht.[9] Het is een kennisprestatie van jewelste die professioneel is qua vorm en inhoud, maar volledig vanuit het maatschappelijke middenveld is opgebouwd. De kennis is gratis, een common good dus, en is voor iedereen toegankelijk. En iedereen heeft de mogelijkheid er op z’n beurt elk aspect van te controleren en te verifiëren.

Ik blijf het vreemd vinden dat Gennez en anderen dit soort nieuw democratisch activisme verdacht vinden. Maar ik kan me inbeelden dat ze als politici-met-een-plan liever tegenover “spontane” en “representatieve” burgergroeperingen gaan staan, die op grond van niet verder verifieerbare informatie “redelijke argumenten” zullen ontwikkelen die dan leiden tot “positieve besluitvorming”. Deze “spontane” burgergroeperingen zullen, als het erop aankomt, de duimen moeten leggen voor de autoriteitsargumenten van de overheid, die de deskundigheid over het thema monopoliseert. Erover praten is prima, maar beslissen, dat doet de politicus nog altijd het liefst alleen. Gennez zegt: “mensen moeten het gevoel hebben dat ze kunnen wegen”. En Yasmine Kherbache (eveneens sp.a) vult daarbij aan, in een zin krom van de newspeak:

“Wij delen de vele bekommernissen, maar we willen de mensen niet naar de mond praten. Dat is niet de taak van de politiek. In plaats daarvan willen we goed naar hen luisteren en samen zoeken naar de beste oplossingen.”[10]

Vooral goed luisteren is nodig. Mensen moeten het gevoel krijgen dat de politicus luistert. Maar de politicus hoeft hen niet te volgen, hen niet “naar de mond te praten”, want “dat is niet de taak van de politiek”. Wel “samen zoeken naar de beste oplossingen”.

Het paternalisme in deze uitspraken is pijnlijk en stuitend. Het staat immers haaks op wat een hedendaagse democratie zou kunnen zijn: een systeem waarin volk en leiders als evenwaardige partners in een dialoog treden, en waarin dat volk die oude waarheid uit de Verlichting uitdraagt: dat elke regering gewantrouwd moet worden door iedereen die zich een democraat noemt, zonder dat er tussen volk en leiding een vijandschap bestaat. Het wantrouwen heet de democratische controle, de plicht van elke burger om het beleid van z’n leiders kritisch te volgen, er zich over te informeren, erover te leren, en het pas dan te beoordelen wanneer men het volledig begrijpt. Als eerste generatie in de menselijke geschiedenis hebben wij de echte mogelijkheid om dit volledige begrip van beleid zelfstandig en zonder manipulatie te bereiken. Dat lijkt me een belangrijke stap in de democratisering van onze samenleving.

Deze nieuwe vorm van democratisch activisme kan nog een gunstig effect hebben: het kan de arrogante twee-maten-en-twee-gewichten wegtoveren, die zo graag worden gehanteerd door politici wanneer ze het hebben over de wijsheid van hun volk. Wanneer de burger zich in de verkiezingen heeft uitgesproken voor een bepaald politicus, dan horen we onveranderd dat die burger verstandig is geweest, duidelijk, rationeel, prima geïnformeerd, de juiste redenen had, en een zeer heldere boodschap aan de politieke wereld heeft gegeven. Spreekt diezelfde burger zich echter kritisch uit over de politicus, dan hoort men – zie Gennez en haar sp.a strijdkrachten eerder in dit stuk – dat de burger niet goed op de hoogte is, niet precies weet waarover het gaat, een beperkte blik heeft op de zaken, of het slachtoffer is geworden van “slechte communicatie” vanwege de politicus (die daarvoor nederig de verwijten aanvaardt).

Dat burgers in beide gevallen zowel uitstekend op de hoogte als geheel niet op de hoogte kunnen zijn, dat ze in beide gevallen zowel slim en dom kunnen optreden, dat is dichter bij de feiten. Wanneer burgers niet akkoord gaan met bepaalde maatregelen, dan is dat vaak echter niet omdat die maatregelen “ongelukkig gecommuniceerd” zijn – neen, dan is het omdat die maatregelen fout of ongewenst zijn, en zelfs perfecte communicatie zal dit niet veranderen. Hoe meer die burger surft, Googlet, alternatieve media leest, discussiefora over politieke thema’s bezoekt, en in dit alles een “meerwaardezoeker” wil zijn – hoe minder het argument van “ongelukkige communicatie” ertoe zal doen, en hoe meer de kritiek op inhoudelijke gronden zal moeten aanvaard worden. Dit schept een veel lastiger en meer veeleisende burger, geen kiesvee zoals weleer. En dit maakt de rotjob die politiek in wezen is nog lastiger. Maar het maakt onze democratie stukken beter.


[2] Voor stRaten-generaal” zie http://www.stratengeneraal.be/; Ademloos: http://www.ademloos.be/

[4] Deze mythe werd door uiteenlopende wetenschappers, van Bourdieu over Cicourel tot Bruner, grondig bekritiseerd. Zie voor een synthese Jan Blommaert & Fons van de Vijver (2013), “Combining surveys and ethnographies in the study of rapid social change”, Working papers in Urban Language and Literacies paper 108.

[5] De citaten die volgen komen uit het verslag van de G1000, en de cijfers tussen haakjes geven de pagina’s uit het verslag weer. Het verslag is te vinden op http://www.g1000.org/documents/G1000_NL_Website.pdf

[6] Ik ben heus niet de enige die dit beweert of aantoont, maar mijn visie daarop is terug te vinden in Ik Stel Vast, p.132-137, Berchem: EPO 2001.

[9] Voor zij die dit alternatief ondanks alles nog niet kennen, zie http://www.ademloos.be/meccano

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s