Vox-Populisme: Over de nieuwe verbeelding van politiek

6fqcf8

(Een oude tekst, die echter weinig relevantie heeft verloren. Oorspronkelijk gepubliceerd in Samenleving en Politiek, 2000; herdrukt in Ik Stel Vast, 2001)

Jan Blommaert 

“Er is niet veel politiek meer, alleen nog beelden van politiek”

Guy Verhofstadt, Burgermanifest (1991), p.31.

  1. Inleiding

In één van de nummers van Samenleving en Politiek van 1998 publiceerde ik een artikel dat handelde over veranderingen in de wijze waarop politici gezien worden en zichzelf voorstellen.1 Het artikel vertrok van beschouwingen over de welbekende kloof tussen burger en politiek, nam de Clinton-Lewinsky affaire als voorbeeld en stelde dat de transformatie van politici een paradox inhield. Vanuit een drang om dichter bij de burger te staan gingen politici zichzelf her-verbeelden en afbeelden, zodat elementen van hun persoonlijkheid, karakter en privé-leven mee in de verhalen van de ‘burgers’ konden opgenomen worden. Daardoor net, zo besloot ik, gaven zij nieuw voer voor wantrouwen aan die burger: door het aanreiken van narratieve stof ontstààn narratieven over politici, narratieven die deze politici steeds kritischer bekijken omdat er méér is om kritisch over te zijn.

In deze bijdrage wil ik hierop aansluiten en in zekere zin een vervolg bieden. Naast nieuwe verbeeldingen van politici zien we immers nieuwe verbeeldingen ontstaan van politiek zelf, het politieke bedrijf. Het ligt voor de hand dat er een symbiose is tussen de nieuwe modellen van politici en die van politiek. Ik ben van oordeel dat deze transformaties een aantal politieke processen kunnen verklaren. Meer bepaald: ik ben van oordeel dat ze tenminste gedeeltelijk de appeal van populistische partijen zoals het Vlaams Blok uitmaken.2

Net als in mijn vorig artikel zal ik het hier ook hebben over processen van politieke semiotisering of verbeelding, d.w.z. van betekenisvol symboolgedrag in en over politiek gezien vanuit een antropologisch-geïnspireerde benadering. Die semiotiseringen of verbeeldingen verschuiven, en deze verschuivingen hoeven niet noodzakelijk direct oorzakelijk verband te houden met ‘echte’ verschuivingen in de structuur van het politieke bedrijf. Ik ga me hier dan ook niet wagen aan speculaties inzake de relatie tussen semiotische verschuivingen en bijvoorbeeld globalisatie of het uitslijten van de natie-staat. Wel is het zo (en dit is een oud standpunt), dat transformaties in de semiotisering van politiek ook transformaties inhouden in het wezen van politiek zelf. Ze gaan met andere woorden een andere politieke praktijk genereren, één waarin bepaalde dingen mogelijk zijn en andere onmogelijk of zeer moeilijk.

Twee opmerkingen zijn hier aan de orde. Nogmaals terugkoppelend naar het vroegere artikel: de verschuivingen zijn het gevolg van een bepaalde indruk onder politici van een ‘kloof tussen burger en politiek’. Waar we het ontstaan van die indruk in de tijd moeten situeren is het voorwerp van discussie. Ikzelf zie twee mijlpalen in de geschiedenis van de kloof: de electorale opkomst van het Vlaams Blok (niet één maar een reeks markeerpunten), en de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt. Verhofstadt zelf schreef in het zog van de eerste doorbraken van het Vlaams Blok, en zijn bijdrage is fundamenteel: hij ontwikkelde doorheen de Burgermanifesten een nieuw discours over politiek en politiek gedrag, vol nieuwe kernpunten en zaken die snel sleutelwoorden werden (bijvoorbeeld: het begrip ‘de burger’).3 De verschuiving die ik hier beschrijf voltrekt zich in mijn ogen dan ook in de jaren negentig. Maar achter dit alles moeten we een ruimere evolutie zien: die van het electoraal afkalven van de klassieke partijen, deels aangevoeld als een kracht op zichzelf, deels gekristalliseerd in de nieuwe rol en plaats die het Vlaams Blok in het politieke domein innam sedert de jaren negentig.

De tweede opmerking gaat over de relatie tussen semiotische processen en concrete modaliteiten voor communicatie. Het is duidelijk dat de nieuwe verbeeldingen van politiek en van politici zich ontwikkelen doorheen en dankzij een nieuw technologisch systeem van communicatie dat op alle mogelijke niveaus een rol speelt. De jaren negentig zagen de ontwikkeling van multimedia en uiterst geavanceerde communicatietechnologieën, ze zagen diepgaande veranderingen in de massamedia en de joernalistiek (overal voelbaar, maar uitgesproken aanwezig in de krantenwereld) en in de professionalisering van commerciële massacommunicatie. Er is nu een technologie aanwezig waarmee men verbluffend gesofistikeerd en subtiel kan communiceren, op zeer veel manieren, aan verschillende snelheden en op diverse niveaus. Door die technologie kan men imago’s en boodschappen formuleren die voorheen nooit op die manieren ontwikkeld konden worden. Er zijn m.a.w. nieuwe communicatievormen ontwikkeld die nieuwe vormen van verbeelding en beeldvorming toelaten, en — alweer — sommige dingen mogelijk maken en andere onmogelijk of zeer moeilijk maken. Het is tegen die achtergrond dat we de verschuivingen moeten zien.

Om de centrale these van dit stuk nog even kort samen te vatten: in de jaren negentig is er een nieuwe verbeelding van de politiek ontstaan geconcentreerd rond beelden van directe inspraak en directe democratie. In de ontwikkeling van dit beeldencomplex zie ik een belangrijke rol weggelegd voor de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt aangezien daarin de blauwdruk werd ontwikkeld voor een nieuw discours en een nieuw imago van de politiek. Eveneens belangrijk is de invloed van marketing- en management-elementen op beelden van nieuwe en meer efficiënte politiek. De klemtoon op directe democratie en marketing is een dominant element geworden in zowat elke vernieuwingspoging in politieke partijen in de jaren negentig. De grootste vruchten ervan worden echter geplukt door het Vlaams Blok — een partij die vanuit de oppositie een radicaal en vernuftig uitgewerkt imago van ‘direct democratische’ politiek heeft kunnen ontwikkelen.

  1. Vetrekpunt: Guy’s directe democratie

Onlangs bekeek ik met studenten een oude uitzending van Librado, het liberale Programma voor Derden. De bewuste uitzending dateerde van juni 1991 en besprak de migrantenrellen van Vorst die toen groot nieuws waren. Wat me echter opviel was één specifiek ingrediënt van dat programma. Naast het vraaggesprek in de studio bood Librado immers ook de gelegenheid aan de kijkers om rechtstreeks naar de studio te bellen en vragen te stellen aan Verhofstadt en Beysen.We zagen dan ook een (naar hedendaagse normen fossiel) ‘call center’ waarin enkele medewerkers druk aan de telefoon hingen en een dame de belangrijkste vragen doorgaf aan ‘het plateau’. De uitzending dateert uit dezelfde periode als het eerste Burgermanifest van Verhofstadt, een dun boekje dat bulkte van beelden over een directe lijn tussen Burger en Politiek, een directe democratie die geen omwegen zou dulden en die de bestaande vervreemding tussen burger en politiek zou teniet doen. Verhofstadt bepleitte allerhande oplossingen voor die vervreemding (referenda en rechtstreekse verkiezingen) en Librado gaf gestalte aan deze drang tot direct contact: bel me en ik beantwoord Uw vraag.

In 1991 waren we kennelijk al het tijdperk van de Televoting-politiek binnegeduikeld. De Burger was al in staat direct te communiceren met die klasse van BVs die politici zijn — althans met die van de oppositie. In diezelfde Librado-uitzending werd het regeringsbeleid immers voorgesteld als stoffig en wereldvreemd ‘studiewerk’; de échte politiek werd beoefend door Guy Verhofstadt en de zijnen, en die nieuwe politiek had enkele uitgesproken kenmerken:

  1. in de nieuwe politiek nam men concrete maatregelen, men verloor geen tijd aan studiewerk maar men ‘loste de problemen van de mensen op’, kordaat, snel en doortastend.
  2. in de nieuwe politiek nam men de mensen au sérieux, men hield rekening met wat zij dachten en voelden, met wat hun reële bekommernissen waren.
  3. in die nieuwe politiek was geen plaats voor administratieve of corporatistische tussenstations die een eigen leven gaan leiden en andere prioriteiten hebben dan die van de burger. Het beleid moet ingrijpen en derde machten mogen geen wig drijven tussen de Burger en zijn/haar bewindslui.

De directe democratie was geboren. Nuttig om noteren: ze werd geboren in oppositieretoriek en ze werd buitengewoon krachtig gecontrasteerd met de ‘oude’ politiek (de ‘reëel bestaande democratie’ van de regeringen-Martens). Migrantenbeleid was één doelwit waartegen die nieuwe beelden konden worden uitgespeeld, maar het was lang niet het enige: de laatste regeringen-Martens waren onpopulair en hadden een saai imago. Verhofstadt had minstens gedeeltelijk gelijk wanneer hij die regeringen vervreemding verweet: de beleidsmensen van die tijd klonken technocratisch, vaak hautain en weinig swingend. Bovendien was het migrantenthema aan het escaleren door de rellen, hetgeen een sterk gemediatiseerde en dus zeer zichtbare ‘mislukking’ van het beleid was, en werd het beleid gedomineerd door alles overheersende besparingsplannen en weinig ‘sexy’ problemen met de overheidsschuld. De regeringen genereerden weinig optimisme, en dit kon dan door Verhofstadt toegeschreven worden aan de politiek, eerder dan aan de conjunctuur.

De directe democratie werd dus niet in een vacuüm geboren. Meer nog, ze had vele broertjes. De jaren tachtig hadden een triomftocht van neoliberalisme gezien, geleid door Thatcher en Reagan en culminerend in de ‘historische overwinning’ op socialistische staatssystemen in 1989-1990. Dit was gepaard gegaan met een zeer sterke penetratie van management-retroriek en yuppie-isme. De overheid paste zich (ook hier) aan deze nieuwe ontwikkelingen aan: de huisstijl van de overheid en van overheidsbedrijven veranderde. De overheid sprak nu van ‘convenanten’ en ‘contracten’.4 Ze zond niet langer saaie en monologische regeringsmededelingen uit waarin alleen de kop van een minister het scherm vulde maar bood ons nu mooie videoclips die volledig gemaakt waren op grond van commerciële advertentie-modellen. De commodificatie van politiek was een feit geworden: politiek was zichzelf beginnen vermarkten zoals men een commercieel product vermarkt.5 Bovendien was deze gecommodificeerde politieke cultuur nuttig voor het nieuwe politieke landschap dat ontstond doorheen de staatshervormingen, waarin verschillende regeringen en parlementen een soort concurrentieslag met elkaar moesten aangaan voor de publieke aandacht. De Vlaamse Regering van Van den Brande blonk uit in politieke marketing en was niet vies van vergezochte mediastunts (zoals de Culturele Ambassadeurs van Vlaanderen).6

Wat we zien is dat in het begin van de jaren negentig zich een politieke cultuur heeft geïnstalleerd die systematisch aansluiting zoekt bij beelden en imago’s van efficiëntie, bedrijfsvoering, communicatie en andere zaken die de hegemonie van neoliberale managementscultuur uitdrukken. De opvatting van Verhofstadt heeft gewonnen: de politiek is een bedrijfje zoals de andere, waarin de consument of cliënt uiteindelijk de richting en het succes moet bepalen van de bedrijfsstrategie.7 Er is, volgens Verhofstadt, geen enkel bedrijf dat aan zijn klanten kan opleggen wat ze verkiezen — de klant is koning, vanaf heden ook in de politiek. Democratie en efficiëntie worden één, en dit nieuwe geheel wordt gemodelleerd op een ideaal dat wordt aangereikt vanuit de wereld van het vrij ondernemerschap. Volgens Verhofstadt is de vrije markt immers de meest perfecte democratie, waarin de gewone man het volledig voor het zeggen heeft en de ondernemer de signalen van zijn klant rechtstreeks opvangt en volgt.

  1. De stem des volks

In de nieuwe politiek is keuze het ordewoord: de keuze van de burger welteverstaan. Er ontstaat een reeks vraagstukken in verband met legitimiteit en representativiteit binnen een democratisch systeem, en de consensus is duidelijk: het ‘oude’ representatieve systeem gaat niet langer meer op in zijn ‘klassieke’ vorm. De Witte Mars van 1996 was een motorisch moment: een gut reaction naar aanleiding van de zaak-Dutroux werd door de media aangegrepen en door de oppositie politiek vertaald. Rond het massaprotest in Brussel werd een heel jargon geweven van directe inspraak en overleg (de ‘witte comités’), de ontoereikendheid van ‘de politiek’ en de nood om ‘signalen’ op te vangen en politiek gestalte te geven. Vooral voor de oppositie bood de Witte Mars gouden mogelijkheden. Marc Verwilghen — de man die eerder toevallig van een vrij grijs politiek figuur omgebouwd werd tot ‘Witte Ridder’ — verwoordde het tijdens een verkiezingsmeeting in 1999 zo:

“Van bij den beginne heb ik gesteld dat de VLD aan Vlaanderen en Brussel duidelijk moest maken, dat zij het signaal van de Witte Mars wel begrepen had. Meer nog, dat het signaal van de Witte Mars, zo volledig en zo duidelijk mogelijk in de politieke lijn van onze partij naar buiten moest komen.”

Ongeveer alle partijen komen in de tweede helft van de jaren negentig op de proppen met voorstellen die de klassieke representatie-structuren willen aanvullen met andere en meer directe middelen voor inspraak vanwege de burger. In de Burgermanifesten was uiteraard al sprake van referenda; andere partijen volgen snel met voorstellen die gaan van (‘gewone’) hoorzittingen over ‘burgerjury’s’ die zich uitspreken over politieke issues, tot en met discussiefora op het internet. Op het vernieuwingscongres van de SP in 1998 wordt eveneens gepleit voor vormen van ‘directe democratie’ die het bestaande model moeten aanvullen en verbeteren, en als voorstellen in dat verband lezen we ‘het volksinitiatief, het referendum en de hoorzittingen’.8

De reden? ook daarover heerst consensus: de oude recepten hebben afgedaan. Maar welke recepten? Norbert De Batselier verwoordde het in zijn aankondiging van het Vernieuwingscongres als volgt (de klemtoon op een politiek die condities schept die dan door de keuze van de burger worden ingevuld zal niemand ontgaan):9

“Het klassieke concept, beste vrienden, van de maakbaarheid van de samenleving met een strakke centrale planning is achterhaald. Maar de samenleving zal wel maakbaar blijven als we erin slagen gelijke kansen te creëren, voor iedereen deuren te openen, nieuwe opties mogelijk te maken. (…) Dat is dus een heel andere wijze om de samenleving te maken, te sturen.”

En in de ontwerptekst van het Politiek Contract voor het Vernieuwingscongres van 1998 komt de SP tot de conclusie dat een hele reeks ontwikkelingen in de samenleving ervoor hebben gezorgd dat er “tussen de verkozene en diegene die hij vertegenwoordigt een meer geëmancipeerde relatie aanwezig of mogelijk [is].” (§15, p.4). Bovendien heeft de pers zich in onze samenleving ontwikkeld tot een belangrijke politieke actor, en is er dan ook sprake van een duidelijk te identificeren derde macht, de ‘publieke macht’ die bestaat uit bevolking en pers. De pers voorziet de bevolking van informatie, en deze bevolking bepaalt de legitimiteit van het beleid door middel van nieuwe vormen van legitimering, die alle de vorm aannemen van (meer) directe contacten tussen burger en beleid, vaak georganiseerd op lagere niveaus dan thans het geval is (de deelgemeenteraden, wijkraden enzovoort).10

Veel van dit alles is metaforiek en gaat om beelden van politiek eerder dan om politieke realiteiten. Het is nuttig dit te blijven herhalen. De basismetafoor is die van twee afzonderlijke entiteiten, ‘politiek’ en ‘bevolking/burger’. Tussen beide is een afstand die tot nog toe werd overbrugd door het systeem van representatie; de afstand is evenwel te groot geworden, er is een ‘kloof’ en deze wordt door ‘signalen van de burger’ aangegeven; nu moeten beide lichamen weer dichter bij mekaar gebracht worden. De nieuwe metaforen draaien dan ook rond kleine afstanden, directe lijnen en rechtstreekse contacten. Een vierjaarlijkse verkiezing volstaat niet meer, er moet meer, kleinschaliger en directer inspraak zijn. De stem des volks moet rechtstreeks gehoord en gelezen kunnen worden door de beleidsmakers.

Die stem des volks is immers al lang aan een opmars bezig en geniet al geruime tijd een zeer grote populariteit, en niet slechts sedert de Witte Mars. In de jaren negentig wordt opinie-onderzoek zonder concurrentie het populairste (en meest gepopulariseerde) sociaal-wetenschappelijk onderzoek, en men kent het ook een buitengewoon belang toe als instrument in het nagaan van de legitimiteit van politiek. Gevoelige en complexe themata waarrond geen politieke doxa bestaat worden door middel van opinie-onderzoek in kaart gebracht: het migrantenthema is er het schoolvoorbeeld van. Onbekend of Onbemind? van Jaak Billiet, Ann Carton en Rik Huys (1990) kan model staan voor opinie-onderzoek als basis voor de architectuur van het beleid, en men kan zeggen dat het hele domein van racisme-beleid gestuurd wordt door opinie-onderzoek inzake racisme en extreem-rechts. Post-electorale analyses hebben een belangrijke plaats verworven in het politiek denken en bepalen mee de electorale strategieën van de partijen. Van historisch belang hierbij zijn de onderzoeken van Mark Elchardus en zijn team naar de zogeheten ‘nieuwe breuklijnen’ in de samenleving.11 Uit deze analyse kwam een meer genuanceerd beeld naar voren van de links-rechts tegenstelling en ontstonden een aantal nieuwe politieke ‘key-words’ (bijvoorbeeld ‘post-materialistische waarden’). De invloed van dit onderzoek op de SP was (en is) aanzienlijk, en ook andere partijen namen aandachtig kennis van deze nieuwe analyse van de politieke publieke opinie. En tenslotte wordt ook kleinschaliger en minder gesofistikeerd opinie-onderzoek een populaire politieke bezigheid. De SP organiseerde zelf een enquête-achtige rondvraag onder haar leden in 1993 die leidde tot een strategische conclusie die nogal grof werd geformuleerd als ‘voor elke groene die we winnen verliezen we twee bruinen’. Ook het ‘Grote Referendum’ van de VLD ligt nog vers in het geheugen. Deze volksraadpleging werd door Guy Verhofstadt van een bindende afspraak voorzien, die luidde

“Ik beloof U plechtig dat de VLD bij de volgende regering tot het uiterste zal gaan om uw mening om te zetten in wetten. Doe daarom mee aan deze volksraadpleging (getekend: Guy Verhofstadt).”

De basis van de politiek is ook hier ‘uw mening’. Er wordt nu zeer regelmatig geënquêteerd zowel door politieke partijen als door kranten, en populariteits-polls zijn een vertrouwd item in de berichtgeving geworden. Het Vox-Populisme is een feit.

Ook in de populaire cultuur wordt de opinie van de burger gesacraliseerd. De Flair-enquête kan hier model staan: vragenlijsten die men individueel beantwoordt en waarvan de antwoorden tot een score leiden, die dan weer overeenstemt met een propositie of een suggestie (bijvoorbeeld: ‘als je tussen de 15 en de 20 punten scoort heb je best eens een diepgaand gesprek met je partner’). VTM biedt al geruime tijd aan z’n kijkers de mogelijkheid te beslissen over welke van twee films zal uitgezonden worden; een uit Brazilië geïmporteerd VTM-programma bood kijkers de mogelijkheid zelf over de plot van een soap te beslissen; en het aantal programma’s waarin door middel van televoting een bepaalde beslissing wordt verkregen (Eurosong, Soundmix-show…) is al lang niet meer te tellen. ‘De man in de straat’ heeft in de jaren negentig meer en vaker dan ooit tevoren een micro onder de neus gekregen om z’n ideeën en opinies aan een ruim publiek kenbaar te maken. De opinie van het individu is marktwaar en verkoopt goed: de marktstudie is een vorm van entertainment geworden, maar dan één die men met groot sérieux lijkt te moeten benaderen.

Slotsom: we zien hoe in deze periode een zeer uitgebreid complex aan handelingen ontstaat waarin de publieke opinie wordt opgevangen, gemeten en voorgesteld als politiek (en cultureel) consequentieel. In het zog van wat we aan het eind van de vorige sectie zagen lijken politici het er over eens dat de bedrijfswereld een betere voeling heeft met haar consumenten en daardoor dan ook efficiënter inspeelt op wat de consument wil. Deze observatie wordt politiek vertaald, vertrekkend van de vaststelling dat ‘klassieke’ representativiteit niet langer afdoend is (ze wordt gelijkgesteld met centralisme en dirigisme). De zoektocht naar de publieke opinie moet resulteren in een ‘betere democratie’, één die ‘rekening houdt’ met wat de burger voelt, wil, vraagt, eist, en die deze bron rechtstreeks probeert aan te boren, zonder tussenstappen. Meer dan ooit is men op zoek naar wat een ‘draagvlak’ heet, en bij moeilijke kwesties zoals migranten of asielzoekers wordt geregeld verwezen naar de afwezigheid of de fragiliteit van zo’n draagvlak. Dit draagvlak slaat dan op een zichtbare publieke opinie die steun verleent aan of haar afkeer uitdrukt voor bepaalde beleidswendingen. De keerzijde van dit alles is een beeld van ‘oude politiek’, die slecht is want ze is vervreemd van de noden en verzuchtingen van de mensen. Ze doet haar eigen zin en luistert niet. Politiek is er echter niet meer om mensen te onderrichten of te sturen, zo luidt het verhaal. De mensen zijn nu zelf voldoende matuur en opgeleid om te weten in welke richting ze willen, en een legitieme politiek moet hier volgen. Bij dit alles horen de suggesties dat alle mensen vrij zijn en in staat zijn voor zichzelf op te komen, en dat de samenleving een individualistische grondstroom heeft — allebei klassieke ingrediënten van een populaire ideologie over onze samenleving.

  1. Wij zeggen wat U denkt

In zijn meest praktische vorm is de relatie tussen politiek en publieke opinie een uiterst complexe aangelegenheid waarin men feit en retoriek nauwkeurig moet uiteen houden. De metaforen mogen dan al hun retorische waarde bewezen hebben, in de praktijk ligt alles niet zo eenvoudig. In het beeld van de nieuwe politiek veronderstelt men de aanwezigheid van een publieke opinie, maar hoe die eruit ziet en over wiens publieke opinie het gaat blijft vaak duister. Bourdieu merkte al op dat men er in verwijzingen naar publieke opinie van uit gaat dat iedereen over alles een opinie heeft, quid non. Bovendien, wanneer spreekt men van een ‘draagvlak’? Als een ‘meerderheid’ van de ‘bevolking’ achter een voorstel staat? Of als een belangrijk segment van het eigen electoraat er achter staat? Of als een bepaalde belangengroep er achter staat? En wat betreft nieuwe vormen van rechtstreekse inspraak via kleinere overlegorganen (wijkraden, buurtoverleg) of ‘hearings’, laat staan die vormen die gebruik maken van een zekere technologie (e-mail, internet fora): men merkt in de praktijk dat het scheppen van een forum niet noodzakelijk noch automatisch een reusachtige stroom opinies losmaakt. Drempels van klasse en opleiding (en uiteraard ook van etnische afkomst, geslacht en leeftijd) blijven immers ook daar gelden, en vaak merkt men dat de publieke opinie die men via deze kanalen aanboort die is van een opgeleide middenklasse die de standaardtaal, het jargon en de conventies van het politieke vertoog kent. Uitgeslotenen in de samenleving ziet men zelden op wijkraden en hun ‘stem des volks’ blijft onbekend.12 Het klinkt allemaal wel goed maar in de praktijk is de directe democratie nogal vaak een kwestie van wie volk genoeg meebrengt naar een vergadering.

Er is vanzelfsprekend een partij die hierbij garen spint: het Vlaams Blok, zonder twijfel de partij die het best gebruik maakt van het nieuwe beeldencomplex dat over politiek is ontstaan. Eén van haar centrale slogans is dan ook de uitdrukking van de kern van dit nieuwe beeld: ‘wij zeggen wat U denkt’. In de verbeelding van de nieuwe politiek is het Vlaams Blok de partij die het best de idee van directe democratie gestalte geeft. Het is dan ook via het Vlaams Blok dat we de zwakten van die nieuwe beelden best kunnen opmerken. Het is mijn overtuiging dat precies de roep om directe democratie en de semiotische antwoorden die hierop gevolgd zijn aan het Vlaams Blok de mogelijkheid hebben geboden door te stoten naar het centrum van het politieke forum, een zekere respectabiliteit op te eisen, en een retorisch netwerk op te zetten dat de tegenpartij vaak met de mond vol tanden laat. Ik verklaar me nader.

Het Vlaams Blok speelt voortdurend twee schijnbaar tegengestelde stereotypen van ‘politiek’ uit, één positief en één negatief. Het positieve stereotype is dat van de almacht van de politiek. Politiek kan en moét alles, en als er dingen fout gaan kan de politiek dat oplossen. In een systeem waarin overheden steeds minder effectieve macht hebben bespeelt het Vlaams Blok de grofste politieke illusie: dat alles met (‘doortastend’, ‘kordaat’, ‘krachtig’) beleid te regelen valt en dat eenieders individueelste problemen door middel van politieke maatregelen moeten op te lossen zijn.13 Stem ons aan de macht en alles zal veranderen, is de (al bij al weinig innoverende) boodschap.

Dat brengt ons tot de tweede, negatieve stereotype: als de politiek de problemen niet oplost, dan is dat omdat de politiek niet wil, omdat ze met andere dingen bezig is. Het is op dit punt dat de relatie tot de publieke opinie binnenkomt. De andere partijen worden systematisch beschreven als apparaten die geen voeling hebben met wat de mensen denken en voelen. De politiek lost de problemen van de mensen niet op omdat de politiek niet luistert naar de mensen. Het Vlaams Blok speelt in dit opzicht buitengewoon handig in op de bestaande beeldvorming inzake publieke opinie zoals we die in de vorige sectie hebben beschreven. Steevast zorgen ze voor opvallende groepen mensen die zich laten zien en horen bij allerhande gelegenheden, gaande van Blijde Intreden van het prinsenpaar tot betogingen tegen de inplanting van een moskee of een asielcentrum. En het valt op dat ze zeer handig gebruik weten te maken van kleinschalige, lokale dossiers waarin kan beweerd worden dat de overheid ‘niet luistert’ naar de bevolking: de problematiek van Doel en die van de asielcentra zijn hiervan voorbeelden, maar kleinschalige buurtproblematiek is in het algemeen een geliefkoosd actieterrein voor de partij.  Telkens zijn ze in staat een oppositie te schetsen tussen enerzijds de lokale gemeenschap die haar rechten wordt ontzegd, en ‘Brussel’ en zijn tentakels (bijvoorbeeld ‘Het Stad’, in Antwerpen)  anderzijds, die hun wil opdringen en opleggen aan de lokale gemeenschap. De lokale gemeenschappen kunnen steevast als slachtoffers van de politiek worden afgeschilderd, en de ‘politiek’ als een bedreiging, een vijand van de mensen.

De relatie die het Vlaams Blok schetst tussen zichzelf en de publieke opinie is die van woordvoerderschap. De partij zegt wat anderen denken, ze vertaalt de gevoelens en verzuchtingen van mensen, ze vertolkt ‘de wil van het volk’ (de slogan op de startpagina van de Vlaams Blok website). In een verkiezingsbrochure wordt dit als volgt samengevat:

“Het Vlaams Blok IS dan ook een partij van het volk: wij zijn niet schatplichtig aan mutualiteiten, syndicaten of patroonsorganisaties. Bij ons hebben arbeiders, huisvrouwen, middenstanders, bedienden, landbouwers, senioren, studenten…kortom het volk, het voor het zeggen. Het Vlaams Blok is ook een partij door het volk: wij bestaan slechts bij de gratie van de kiezers. Democratischer kan het niet!”

In een andere tekst lezen we:

“Het Vlaams Blok is een partij anders dan de andere. De traditionele partijen moeten uit de hand eten van allerlei belangengroepen (…). CVP, SP en VLD zijn zelfs verplicht vertegenwoordigers van die groepen (zuilen) in Regering en Parlement te parachuteren. Op die manier kan men natuurlijk moeilijk de belangen van het volk verdedigen. Bij het Vlaams Blok ligt dat anders. Onze kaders en mandatarissen zijn onafhankelijke mensen die alleen aan het programma ven het Vlaams Blok en aan de belangen van de Vlamingen trouw verschuldigd zijn. In het Vlaams Blok zijn mensen uit alle rangen en standen van de bevolking actief.”

In deze passages en in veel andere teksten van het Vlaams Blok wordt gesuggereerd dat de politiek in handen is van wat men ‘georganiseerde stemmen’ zou kunnen noemen: de vele belangenorganisaties die ervoor zorgen dat hun opinie en belangen systematisch in regeringen en lokale overheden vertegenwoordigd zijn. Daar tegenover poneren ze een ‘stemloze’ massa, ‘het volk’, dat bestaat uit “onafhankelijke mensen uit alle rangen en standen van de bevolking” die eigenlijk niet politiek vertegenwoordigd worden. Enkel het Vlaams Blok is de partij van, voor en door deze massa. Andere verkiezingspropaganda vermeldt steevast dat “Het Vlaams Blok luidop zegt wat velen stilletjes denken” en plaatst de programmapunten onder de hoofding “wij zeggen wat U denkt”. Telkens beklemtoont het Vlaams Blok de voicing functie van de partij ten overstaan van deze stille massa en roept zo het beeld van een ‘silent majority’ à la Nixon op (iets waarvoor veel politici ontzag blijken te hebben).

Twee kleine randbemerkingen horen hierbij. Ten eerste, men merkt hoe handig het Vlaams Blok hier de erfenis van de Burgermanifesten uitspeelt. Het verwijt dat de ‘klassieke’ politiek één groot web is van belangengroepen die hun pionnen in politieke posten loodsen waardoor van ware democratie geen sprake is, was één van de centrale punten in het eerste Burgermanifest. Het feit dat het Vlaams Blok dit punt opneemt toont aan hoe succesvol dit beeld van negatieve sjoemelaars in de greep van vakbonden en ziekenkassen wel geworden is in onze politieke cultuur. Ten tweede, het Vlaams Blok weeft doorheen dit soort retoriek ook een andere impliciete boodschap, één waarin ‘waarheid’ en ‘leugen’ tegenover elkaar worden gesteld. ‘Waarheid’ staat voor de echte, oprechte stem van het volk; ‘leugen’ is de stem van de anderen die vervormd is door de filters van belangengroepen en daardoor niet rechtuit spreekt. De eigenschap van de ‘echte’ stem is precies dat men ze niet hoort, dat ze gesmoord wordt door de georganiseerde stem van de belangengroepen en de partijmachines. Precies datgene wat men niet hoort wordt zo waarheid, en het Vlaams Blok neemt de taak op zich deze onhoorbare stem te vertolken. De leugenachtigheid van de andere partijen is vanzelfsprekend een krachtig instrument in de verdediging tegen aantijgingen en beschuldigingen vanwege andere politieke partijen — ze liegen toch.

Het Vlaams Blok legt op die manier de grote problemen van deze nieuwe beelden van politiek bloot. Het uitspelen van misnoegde lokale gemeenschappen — straat, buurt, wijk, gemeente — tegenover een machtscentrum is altijd een winnende kaart wanneer er een primaat wordt gedefinieerd van directe inspraak en respect voor de wil van ‘de burger’. ‘Hogere belangen’ worden zo meteen gediscrediteerd: welk hoger belang kan er immers bestaan buiten dat van de lokale gemeenschap, de ‘burgers’ die direct betrokken zijn in de problematiek? ‘Eigen Volk’ kan immers slaan op een hele regio, maar even goed op een stad, een dorp, een buurt, een straat. Het is zeer makkelijk hierin een populair discours te ontwikkelen dat draait rond het verschil tussen ‘echte’ versus ‘schijn-democratie’: de echte democratie is die van het Vlaams Blok, die uitspraken van concrete mensen in concrete straten en buurten sprokkelt en confronteert met de standpunten van ‘schijndemocraten’ — verkozenen die voor belangengroepen werken en een afkeer hebben van wat de mensen denken. De schijndemocraten bestrijden trouwens het Vlaams Blok en bewijzen zo hun minachting voor de gewone burger. Het Vlaams Blok beroept zich bij dit alles op een groot maar onmeetbaar segment van de publieke opinie, doorgaans gelijkgesteld met hun electoraat, vandaar de uitspraken na de verkiezingen van juni 1999 dat ‘men rekening zou moeten houden met een partij die 600.000 mensen vertegenwoordigt’.

Het punt bij dit alles is dat het Vlaams Blok hier niets uitvindt. De partij bezet een ruimte van beelden en discours die door alle andere partijen in de jaren negentig is ontwikkeld en die draait rond directe democratie, de stem des volks, meer representativiteit, een nauwere band tussen de stem van de burger en het oor van de politicus, en die legitimiteit zeer sterk met deze dingen gaat vereenzelvigen. Vanuit de oppositie kan ze hierin (net als Verhofstadt destijds) een radicale strategie ontwikkelen die geen rekening hoeft te houden met ‘hogere belangen’ en compromissen en die niet tot concreet uitvoerbare beleidsopties moet komen; ze slaagt er dan ook in het meest coherente en meest overtuigende beeld van ‘directe democratie’ op te hangen. Verwijten aan het adres van het Vlaams Blok die de partij als ‘ondemocratisch’ afschilderen ketsen af: op basis van het beeldengeheel dat door die andere partijen zelf is ontwikkeld is het Vlaams Blok een zéér democratische partij, een partij die bovendien ook in de praktijk uitblinkt in het koesteren van de stem des volks en waarvan de mandatarissen vaak meer contact hebben met hun achterban dan de meeste andere politici.

Het Vlaams Blok kan hier dan ook met buitengewoon gezag haar geliefkoosde retorische tactiek uitspelen, ironie: niet enkel zeggen wij wat U denkt, we doen ook letterlijk wat andere partijen zeggen. De partij neemt punten over van andere partijen en voert ze uiterst consequent uit, daarbij geholpen door haar oppositierol die radicaliteit mogelijk maakt. Daarna ‘boemerangt’ ze die punten terug naar de partijen en stelt ze de weinig consequente houding van die partijen aan de kaak. Terzelfdertijd zorgt ze voor ‘proper’ democratisch werk in zichtbare domeinen. De glansrol die Annemans opeiste in de parlementaire onderzoekscommissies inzake Dutroux en de dioxinecrisis (en die breed uitgemeten werd in de media) moet duidelijk maken dat de Blokkers zich aan de regels van het parlementaire spel houden, ook al hebben ze geen illusies wat de uitkomst ervan betreft en kan net de ‘integere’ Annemans met kracht en gezag wijzen op al het gesjoemel en de canapépolitiek die achter de schermen van de commissies is gevoerd.

Het Blok werkt deze ironische lijn uit door middel van communicatie-strategieën die me steeds verbazen door de deskundigheid waarmee ze worden ontwikkeld. Het Vlaams Blok heeft een echte huisstijl maar laat terzelfdertijd een zeer grote variatie toe in genres en modellen van communicatie. De partij heeft een uitmuntende en zeer informatieve website. Ze hanteert in verkiezingscampagnes pamfletten die een soort ‘flair-enquête’ aanbieden waarin mensen op basis van hun eigen score ‘redelijkerwijze’ doet ontdekken dat ze voor het Blok moeten stemmen. Daarnaast verspreiden ze brutale ‘grote bek’ pamfletten en affiches vol zeer goed gekozen symbolen (bokshandschoenen, borstels). De partij beseft blijkbaar ook zeer goed dat het geen realistische ambitie kan zijn iederéén te overtuigen — wie moet overtuigd worden is de eigen en potentiële achterban. Hun toespraken en interpellaties in parlementen en gemeenteraden of andere democratische fora hebben vaak als enig doel de verspreiding van die uitspraken en de reacties van de andere partijen of de beleidsmensen in partijpropaganda (en in een segment van de pers).

De kern van de zaak is: het Vlaams Blok slaagt erin de grootst mogelijke realiteit te geven aan het beeldencomplex dat in de jaren negentig omtrent politiek is ontwikkeld. Deze realiteit is vanzelfsprekend ‘fake’, en het succes van het Vlaams Blok zou alle andere partijen moeten duidelijk maken dat het (in tegenstelling tot wat men er vaak over denkt) met de ‘maakbaarheid van de samenleving’ en het geven van ‘leiding’ aan het volk nog best meevalt. Immers, het gaat hier om uitstekend propagandawerk en van zeer goed uitgevoerde communicatiestrategieën. Het Blok is een partij die er is in geslaagd mensen die dingen te doén denken die de partij zegt,  duizenden mensen in dit land hebben van het Blok een bepaalde retoriek en een bepaald politiek model geleerd (men zou haast zeggen, in goede oude socialistische stijl van ‘volksopvoeding’).

Maar het gaat hier om de wijze waarop dit wordt voorgesteld. Het Vlaams Blok haakt in op beweringen van anderen en op idealen die door anderen geschetst zijn en stelt die anderen zo voor gênante en dilemmatische keuzen: het Vlaams Blok aanvallen kan immers uitgelegd worden als het aanvallen van de eigen beginselen en bedoelingen (en wordt zo voor het Blok een bewijs van de huichelachtigheid of hypocrisie van de andere partijen, wat dan weer een bewijs is voor de autenticiteit van het Vlaams Blok, enzovoort).

De achilleshiel hierbij is de opvatting van ‘democratie’ die doorheen dit alles wordt gehanteerd — een opvatting die draait rond het vertolken van volkse stemmen, het directe contact, het onmiddellijke belang, de gewone man en die kloof die men ermee aanvoelt. In zoverre men ‘democratie’ en ‘democratische legitimiteit’ vereenzelvigt met een verifieerbare directe relatie tussen politieke standpunten en uitspraken van individuele burgers heeft het Vlaams Blok de kloof semiotisch gedicht en meteen een nieuwe kloof geslagen: die tussen echte democratie-des-volks en andere, ‘schijn-‘ democratie, simpel gesteld, die tussen het Vlaams Blok en de mensen enerzijds, en de andere partijen anderzijds. 

  1. Besluit: terug naar politiek

Ik grijp nu terug naar het opschrift van dit artikel: ‘Er is niet veel politiek meer, alleen nog beelden van politiek’. Verhofstadt heeft gelijk gekregen door toedoen van zijn eigen inspanningen om een ‘oude’ en een ‘nieuwe’ politiek te definiëren. De beelden zijn een politieke realiteit geworden en ze zorgen voor dilemmas en imbroglio’s die uiteindelijk de mogelijkheid scheppen voor het Vlaams Blok om zich te verkopen als de democratische partij par excellence, en dit op grond van criteria aangereikt door de ‘democratische’ partijen.

Naast een onrealiseerbaar beeld van ‘politicus’ heeft men ook een onrealiseerbaar beeld van ‘politiek’ ontwikkeld doorheen het afgelopen decennium, aanvankelijk vanuit de oppositie maar later ook algemener. Men heeft dit gedaan op grond van percepties van een ‘kloof’, en deze was op z’n beurt gelieerd aan de opmars van het Vlaams Blok. De remedie is echter een deel van de kwaal geworden. In de omschrijving van de kloof heeft men immers leentjebuur gespeeld bij ideologische modellen uit de wereld van het ondernemerschap: meer efficiëntie, minder dwang tegenover de burger, meer ingaan op ‘signalen’ van de burger, betere kwaliteit leveren en het bedrijf efficiënter beheren. Daarbij zijn feit en verbeelding met elkaar verward. Men heeft de voor een consumptiesamenleving noodzakelijke ideologie van een vrij, autonoom en ongehinderd kiezend consument als een sociologisch feit aanvaard en vervolgens op de politieke consument geprojecteerd. Hieruit is een beeld van een ideale, ‘directe’ democratie ontwikkeld gemodelleerd op een beeld van een mature bevolking die goed weet welke kant het uitmoet en die in staat is voor de eigen rechten op te komen. Die bevolking moet directer betrokken worden in de beslissingen en in de evaluaties van het bestuur — dit verhoogt terzelfdertijd de kwaliteit van het bestuur en de legitimiteit ervan.

Twee problemen daarbij: één, net zoals in de consumptiesamenleving is de hoeveelheid vrijheid inzake keuze en sanctionering in het politieke veld zeer ongelijk verdeeld, want ze is gebaseerd op de aan- of afwezigheid van bepaalde voorwaarden: geld in de supermarkt, een mate van opleiding, geïnformeerdheid en engagement in het politieke domein. Men bereikt met directe democratie in de praktijk dan ook vaak enkel een confirmatiepubliek.14 Tweede probleem: de partij die dit blijkbaar zeer goed begrepen heeft en zich dus ook met succes naar een ander doelpubliek richt — het Vlaams Blok — boekt zo zeer grote successen inzake politieke beeldvorming. Vanuit haar oppositierol kan ze zich immers makkelijk profileren als een partij die directe democratie realiseert met een publiek dat door hen wordt omschreven als machtelozen, niet-vertegenwoordigden, mensen zonder stem. Het Blok kan beweren dat het als enige partij de kloof heeft gedicht, en dit op basis van definities gegeven door tegenstanders van de partij. Het kan, precies door de constructie van deze nieuwe beelden van ideale democratie zichzelf in een soort grote mythische strijd profileren ten opzichte van de andere partijen. In die strijd staat het Vlaams Blok voor échte, waarachtige democratie en voor politiek die echt iets kan veranderen.15 Het wordt binnen dit interpretatiekader een partij die hoop biedt en een perspectief van macht voor het ‘volk’ schetst (‘volk’ in een goed gemikte ambiguë betekenis: het etnische Vlaamse racistische volk zowel als het volk in de socialistische betekenis van het woord, de machteloze massa).

Voor de andere partijen is daartegen op grond van de huidige dominante beelden nauwelijks weerwerk te bedenken. De fout zat immers aan het begin van het proces, bij de definitie van het probleem van de ‘kloof’, bij de ontdekking van enerzijds een ‘publieke opinie’ die terug legitimiteit zou verschaffen en anderzijds een communicatietechnologie die dit ook zou mogelijk maken. Wat we het afgelopen decennium hebben meegemaakt is een schoolvoorbeeld van hoe politieke communicatie in ons soort van samenleving een rol is gaan spelen. Oppositiepartijen investeren er in en de oppositiekuur laat hen toe bijzonder radicaal en onrealistisch te werk te gaan; de massamedia besteden vanuit het principe van pluralisme hoe dan ook de nodige tijd aan deze hersenspinsels en retorische gymnastiek. Er ontstaat een opbod van definities, teksten, imago’s (bijvoorbeeld: de boekenschrijvende politicus, een opvallend fenomeen in de jaren negentig), programma’s en beelden van zichzelf, anderen, en politiek. Men gaat die dynamiek van discours en beelden aannemen als een ‘realiteit’, men heeft zich immers een reusachtig probleem bij mekaar gepraat en verbeeld, een probleem dat enkel met verregaande ingrepen kan opgelost worden.

Tenzij men nu ten alle prijze wil argumenteren dat het Vlaams Blok inderdaad de meest democratische partij in dit land is en vox-populisme de essentie is van een democratisch bestel, moet men erkennen dat er in die diagnose en die revalidatiekuur wat foutjes geslopen zijn.


Voetnoten

  1. ‘Onze Clinton: Over politieke communicatie, publieke opinie en de kloof’. Samenleving en Politiek 5/4 (1998): 33-40.
  2. En hun Oostenrijkse vrienden van de FPÖ; wat dit betreft sluit dit artikel eveneens aan bij een ander Samenleving en Politiek artikel van mij, één dat ik onder druk van de actualiteit in Oostenrijk onlangs met enige bitterheid heb herlezen: ‘Strategieën tegen extreem rechts’, Samenleving en Politiek 3/6 (1996): 6-12.Men herleze ook het artikel van Erich Fröschl in datzelfde nummer.
  3. Jan Blommaert, ‘De retoriek van de Burger: nota’s bij de Burgermanifesten’. Samenleving en Politiek 1/4 (1994): 25-33.
  4. In die zin is het SP-vernieuwingscongres van 1998 met zijn thematische ‘contracten’ een typisch voorbeeld van die nieuwe tendens.
  5. Een standaardwerk hierover is Norman Fairclough, Language and power (London: Longman 1989).
  6. Zie Stefaan Slembrouck & Jan Blommaert, ‘de politiek-retorische constructie van een Vlaamse natie: Vlaanderen-Europa 2002′. In Anne Morelli (red.) De grote mythen uit de geschiedenis van België, Vlaanderen en Wallonië, 243-258.(Berchem: EPO, 1996)
  7. In Burgermanifest (1991) p. 17 vat Verhofstadt die evolutie samen als: “…niet de regeerder of ambtenaar heeft aan maatschappelijk prestige gewonnen, maar de tot in de jaren zeventig nog zo gesmade ondernemer.” De regeerder moet zich volgens Verhofstadt dan ook richten op de aanpak van de ondernemer, zij het zonder ondernemer te willen spelen.
  8. Zie de ontwerpresoluties 29 tot en met 33 van het ‘Politiek Contract’. Voor opmerkingen, zie Patrick Stouthuysen, ‘Wordt het dan toch nog wat met het Sienjaal? Over het Politiek Contract’. Samenleving en Politiek 5 (1998), speciaal nummer, 40-42.
  9. In zijn toespraak op het Statutair en Werkingscongres van 10 december 1995 (p.9).
  10. De subsidiariteitskwestie is uiteraard ook een veruitwendiging van dezelfde metaforen: er lijkt een consensus te bestaan over het feit dat lagere bestuursniveaus ‘meest voeling hebben met de burger’ en daardoor ook ‘democratischer’ zijn (en in dezelfde beweging kunnen voorgesteld worden als efficiënter).
  11. Zie Mark Elchardus, ‘verschillende werelden: Over de ontdubbeling van links en rechts’. Samenleving en Politiek 1/7 (1994): 5-17.
  12. Wie geen telefoon bezit zal dan ook nooit in telefoon-enquêtes betrokken worden. Voor veel marktonderzoek blijkt de stem des volks dan ook enkel te bestaan in zoverre die stem een telefoonabonnement blijkt te bezitten.
  13. Laat ons het negatieve spiegelbeeld hiervan het ‘Bob Cools syndroom’ dopen. Er was een tijd dat alles wat ook maar fout ging in Antwerpen ‘de schuld van Bob Cools’ was. Een inbraak? Schuld van ‘den Bob’, de tram die vertraging opliep? Bob; een stoep waarop de plaveien loslagen? Bob.
  14. Even aanstippen: de zogeheten democratisering van het internet als instrument van beter en directer bestuur is in dit bedje ziek. Het zal maar democratiserend werken indien naast gratis internet aansluiting ook een gratis PC en een gratis telefoon-aansluiting wordt mee geleverd; zoniet dreigt het de verschillende snelheden in de samenleving nog te vergroten. En om het succes van directe contacten tussen burger en politiek via dit medium van een voetnoot te voorzien: op 20 maart 2000 was ik bezoeker nr. 1536 op de VLD website, open sedert 16 november 1995. Dit brengt ons op een gemiddelde van ongeveer één (1) website bezoeker per dag voor de partij die pretendeert die van de burger te zijn. Op diezelfde website vinden we een ‘cyber-referendum’; voor een afgesloten referendum over het Octopus-akkoord meldt de website dat er een schamele 106 stemmen binnengekomen zijn. Van massa-participatie is duidelijk geen sprake.
  15. Eén van de zeer vaak gehoorde opmerkingen over het Vlaams Blok onder het electoraat van die partij is ‘dat het Blok de enige partij is dat er iets aan wil doen’.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s