Voor wie haar soms geweld aandoet: over politieke correctheid

ScreenHunter_1417 Dec. 03 16.49

Opmerkingen bij Over Politieke Correctheid. Gerben Bakker en Gert Jan Geling. Amsterdam: Boom Uitgevers, 2018. 274 pagina’s. 

Jan Blommaert

Over dit boek verschijnt op De Reactor binnenkort een lange recensie, waarin ik de volgende hoofdlijn ontwikkel. Politieke correctheid (PC) is een term die gegeven wordt voor een bepaalde vorm van discours, en ik lees het boek dan ook als discoursanalyst. Vanuit dat standpunt zie ik dat het boek geen object heeft: het heeft het niet over de concrete discours, wel over wat Bakker en Geling een “taaldelict” noemen – de morele veroordeling van discoursvormen die zelf niet behandeld worden. Het boek geeft evenmin actoren van PC: er is de afbakening van een “kamp” dat volkomen voortvloeit uit de morele omschrijving van hun object. Dat kamp is een volstrekt impressionistisch links, en het is links dat door z’n discursief wangedrag de rechterzijde een hekel aan PC heeft bezorgd.

Het boek schetst ook geen processen waarin we PC concreet tot stand zien komen. PC en z’n actoren zijn al bij voorbaat vastgelegd en worden vervolgens binnen een kreupele instant-sociologie aan het werk gezet. Die kreupele sociologie ontleent wat aan Parsons – de idee van de enkelvoudige en transparante samenleving waarin alle laagjes en categorieën zomaar af te lezen zijn, en waarin één geheel van (alweer transparante) normen de zaak reguleren. Daaraan koppelen ze nog wat methodologisch nationalisme (het gaat enkel over Nederland vandaag) en methodologisch individualisme (de auteurs hebben het graag over “motieven” en andere psychologiseringen) en klaar is kees. Daardoor bestaat PC in een absolute, niet-contextuele vorm, het is een metafysica die met de concrete realiteit niet veel meer te maken heeft.

De auteurs van het boek zijn allebei docenten Integrale Veiligheid aan de Haangse Hogeschool, en één van hen is kernlid van Liberales. Het nawoord bij het boek is van de hand van Paul Cliteur.

Het boek moet zeker gelezen worden, want het is een uitmuntend voorbeeld van hoe, in een gepolariseerde metapolitieke strijd, één kamp hard op zoek gaat naar een rationalisering en bevestiging van het eigen morele oordeel.

Er zitten nog wel wat elementen in het boek die kritische vragen oproepen, teveel voor de recensie zelf. Ik geef er hier een aantal die niet in de recensie meegenomen zijn.

1 De reactieve theorie van politiek

In het boek worden de standpunten van de rechterzijde systematisch voorgesteld als logische of vanzelfsprekende reacties van mensen op misstanden geschapen door (linkse) anderen. Racisme ontstaat omdat men migratie en diversiteit heeft toegelaten (zie “de ruk naar rechts als effect van geforceerde tolerantie”, 216-220); blank chauvinisme ontstaat als reactie op doorgeslagen “westerse zelfkastijding” (64) want “het is begrijpelijk dat een te zelfstraffende houding een politieke tegenreactie in de hand werkt” (69); rechts populisme, zoals bij Trump, is een spontane reactie tegen de Liberals, “afkeer van deze [links-progressieve] elite dreef velen rechtstreeks in zijn [Donald Trumps] armen” (222); en masculien chavinisme ontstaat als reactie op een te ver doorgeslagen feminisme dat mannen elke zin tot flirten ontneemt. Letterlijk – en ik annoteer dit voorbeeld – staat er:

“Een klacht als gevolg van de #MeToo ophef is bijvoorbeeld dat er een maatschappelijke teneur [de Parsoniaanse uniforme norm] ontstaat waarin mannen [generiek] helemaal geen avances meer [hyperbool] zullen maken, uit angst om aan het kruis genageld te worden als foute, grensoverschrijdende figuren. Het is dan eenvoudiger om als man helemaal [hyperbool] af te zien van elke vorm van flirten [hyperbool], waardoor er inderdaad een risico ontstaat op een nieuwe preutsheid in de dagelijkse omgangsvormen [de uniforme norm]” (174).

In een tijd waarin dating sites en apps tot de meest gebruikte online tools behoren zou ik deze uitspraak toch liever iets minder categorisch maken.

Deze wijd verspreide theorie gaat voorbij aan het georganiseerde karakter van vele politieke bewegingen, en loopt naadloos over in het volgende probleem dat ik zo meteen bespreek. Het wordt nu al geïllustreerd door deze uitspraak in het boek: “Alt-right wordt gedragen door jongemannen die in het geweer komen tegen de progressieve drang om (blanke) masculiniteit te beschouwen als vijand van de inclusieve samenleving” (85). Steve Bannon zal dit heel graag horen.

Het is goed om in gedachten te houden dat zowat elke politicus zichzelf graag beroept op die responsieve theorie – ik vertolk wat de mensen mij meedelen – terwijl de realiteit van het politieke bedrijf, zeker aan de nieuwe rechterzijde, meer door Lenin en Gramsci lijkt te zijn geinspireerd: men bouwt eerst een professioneel kader van uiterst radicale, geharde en toegewijde mensen, die vervolgens de massa leren praten, denken en oordelen volgens de lijnen die politiek zijn uitgetekend. Dit laatste doet men in belangrijke mate via het discrediteren van de tegenstrever – met termen zoals “politieke correctheid” bijvoorbeeld. Metapolitiek blijkt voor deze auteurs een onbekend begrip te zijn.

2 Een spontaneïstische visie op de online wereld

Bakker en Geling beklemtonen terecht het belang van sociale media voor een goed begrip van hedendaagse politieke ontwikkelingen. Maar ze zien die sociale media vooral als een uitlaatklep voor spontaan opwellende reacties van mensen (waarmee we terug bij de responsieve theorie van politiek zitten).

Het bijzonder sterk georganiseerde, en dus gearrangeerde en niet-spontane karakter van online politiek kan nog moeilijk ontkend worden sinds het Facebook-Cambridge Analytica schandaal dat in 2017 uitbarstte. We hebben dus eerder te maken met een goed georganiseerd “algoritmisch populisme” dan met een nieuw kanaal voor spontane volkswoede dat zich op sociale media manifesteert. Dat Donald Trump verkozen werd omdat velen door hun afkeer van de links-progressieve elites “rechtstreeks in zijn armen” werden gedreven (222), is helaas een mythe die aantoont dat Bakker en Geling dringend hun lectuur over online politiek moeten hernemen. Online instrumenten scheppen discours en argumenten, scheppen een “message” die de politicus als script moet volgen en de aanhangers moeten herhalen en benadrukken, ze hebben een reële invloed op wie gaat stemmen en wie niet, en zijn effectieve makers van politieke opvattingen gebleken.

Ik zal ook lager nog terugkomen op de zeer gebrekkige kijk van de auteurs op de online wereld en z’n effecten.

3 Foucault in stukjes.

Ik maak in de recensie al een opmerking over de merkwaardige wijze waarop de auteurs omspringen met het begrip “parrhesia” in het werk van Foucault (zie p145). Ze slagen erin om een begrip dat bij Foucault staat voor concrete handelingen – met doet parrhesia – om te zetten naar een eens-en-voor-altijd identiteitscategorie – men is parrhesiast (of men is een “politiek correcte”, een “Deugmens”, 163).

In een andere passage verwijzen ze naar de “veridictionele genres” van Foucault – dingen zoals de biecht, de bekentenis en het klinische gesprek. Ze doen dat in het kader van een pleidooi voor het blootleggen van de waarheid, het vrij benoemen van de feiten zoals ze zijn: Volgens Foucault, zo zeggen Bakker en Geling, “heeft de westerse mens in culturele zin altijd een behoefte laten zien om specifieke situaties te scheppen waarin politiek correct spreken niet geoorloofd was, en juist het waarheidsspreken centraal stond” (25).

Wat ze echter hebben weggelaten is wat Foucault precies zei over die verdicitionele genres. Hij wees erop dat deze genres in zowat alle gevallen ook een zeer belangrijke reeks beperkingen inhielden over wat men met die waarheid kon aanvangen. Ze gingen immers vaak hand in hand met de ontwikkeling van wat men het “beroepsgeheim” is gaan noemen. Ja, in de biechtstoel moet men de waarheid spreken, maar de priester mag die waarheid niet verder verspreiden; idem met de onderzoeksrechter, de arts, de advocaat, de psychiater of zovele andere zorgverstrekkers, die net gespecialiseerde behandelaars van de waarheid zijn.

Het argument dat de auteurs via Foucault wensen te ondersteunen valt dus net via Foucault in mekaar: veridictionele genres ontstonden binnen een kennisordening waarbij de waarheid net afgezonderd werd, en voorbehouden, onder strakke regels, aan een categorie van professionals. De auteurs schrijven “Wanneer we vanuit de buitenwereld zijn praktijk [van de psycholoog] instappen, betreden we een figuurlijke vrije ruimte waarin het voor ons eigen mentale helingsproces zelfs noodzakelijk is om geen waarheden achter te houden”. Wie Foucault goed heeft gelezen weet dat deze ruimte nu net niét “vrij” is, maar uitermate streng is geregisseerd en beregeld. Men kan overigens het oeuvre van Foucault enkel met een ruime hoeveelheid fantasie lezen als een beschrijving van het modernistische primaat van de waarheid. Het gaat precies over de relatie tussen macht en kennis, de kennis die toegelaten en mogelijk is om een machtsregime in stand te houden en er als individu “normaal” in te zijn.

Foucault wordt in het boek op een zeer bizarre wijze gerekruteerd in steun van de auteurs. Maar goed, met handig citeren kan je zelfs wie compleet het tegenovergestelde zegt van jou hetzelfde laten zeggen.

4 Het publieke en het private.

Aansluitend bij het vorige punt: in dit verband kan men ook de hele kwestie van de afbakening van de publieke en de private sfeer aanhalen, met de hedendaagse debatten over de spanning tussen privacy en surveillantie als voorbeeld. De moderniteit berust nu net op een scheiding tussen datgene wat publiek mag geweten zijn, en datgene wat ik voor mezelf mag houden – niet omdat “ik iets te verbergen heb”, maar omdat mijn persoonlijke integriteit een zone van onzichtbaarheid en onaantastbaarheid voor anderen vereist en inhoudt (denk aan voyeuristische praktijken op het internet, maar denk ook aan het belang van “informed consent” bij wetenschappelijk onderzoek).

Wie de logica van het boek doortrekt raakt ernstig in de knoop met die scheiding tussen het private en het publieke. De auteurs hebben een voorliefde om gedragsvormen meteen te vertalen naar (a) nogal snel en overdadig gepsychologiseerde reacties – angst, conformisme, persoonlijkheidsstructuur en “motieven” – en (b) politieke correctheid. Zo lezen we: “Een probleem van hypocriete mensen is dat ze geen eerlijk beeld van zichzelf geven, waardoor we niet zeker weten waar ze voor staan” (135). Mensen zijn dus al “hypocriet” (een persoonlijkheidsstructuur) en die “hypocrisie” bestaat er in dat ze anderen geen helder beeld gevan van “waar ze voor staan”. Dat is, zo lezen we wat verder, bovendien schadelijk voor “de persoonlijke integriteit”, en in die passage wordt “eerlijkheid” simpelweg tegenover “politieke correctheid” geplaatst. men is of eerlijk, of politiek correct.

Wat een eenvoudige wereld toch, die sociale realiteit zoals Bakker en Geling ze zien. Erving Goffman maakte die helaas flink wat complexer door te wijzen op het immense belang van de situatie waarin we met anderen – in het échte leven – interacties aangaan. Wanneer we met relatief onbekenden praten (en dat doen we heel erg vaak in datgene wat “sociale gelegenheden” heet, denk aan recepties of praatjes met onbekende medepassagiers wanneer de trein midden in de velden stil staat) dan gebruiken we small talk. Die small talk zit doorgaans vol met gemeenplaatsen en uitspraken die niets persoonlijks vrijgeven. Niettemin zijn die nietszeggende uitspraken van zeer groot belang als het cement dat sociale relaties bijeen houdt. Meer nog, het openen van intieme thema’s of gespreksvormen wordt daar en dan als een overtreding van de normen beschouwd. Het is in dat soort situaties niet de bedoeling dat je de begroeting “fijn je terug te zien” beantwoordt met “ik heb je altijd een hufter gevonden”, en evenmin is het gepast een routinevraag zoals “alles goed?” te beantwoorden met een lange uiteenzetting over je aambeien of problemen met urineverlies.

Er is dus een grote zone in ons normale sociale gedrag waarin we met recht en reden het “it’s none of your business” principe hanteren, terwijl er andere, evengoed afgebakende zones zijn waarin we dat beginsel niet mogen hanteren (denk aan de biecht, het gesprek met de arts, maar ook aan dating). Met “politieke correctheid” heeft dit alles echt niets te maken, en met een gebrek aan integriteit evenmin. Zoals Goffman aangaf zijn we net “integer” wanneer we in staat zijn om die zones van sociaal gedrag af te bakenen waarin we oppervlakkige gemeenplaatsen met mekaar uitwisselen, en die zones waarin we uit een veel persoonlijker register moeten putten. We hebben niet alleen een zeer sensitieve radar voor de scheiding tussen dat wat publiek mag zijn en dat wat privé moet blijven, we hebben er een die allerhande onderscheiden maakt tussen specifieke gradaties en vormen van “publiek” gaan. Dat brengt ons meteen naar een volgende punt.

5 De passe-partout van PC.

Ik merkte in de recensie al op dat we met de definitie van politieke correctheid in dit boek alle kanten uit kunnen: het staat voor niets, maar het kan ook voor alles staan. Voor de auteurs is de keuze duidelijk: het staat voor héél veel. Té veel, zoals we al in het vorige punt zagen, want wanneer de auteurs elke vorm van sociaal accomodatiegedrag meteen wegzetten als “politieke correctheid” (wat dan ook meteen synoniem staat voor “hypocrisie” een een gebrek aan “persoonlijke integriteit”) dan laden ze de plicht op zich om iedere andere vorm van verklaring netjes en overtuigend te weerleggen. Ik geef een voorbeeld.

Op p202 hebben de auteurs het over een lezing van (parrhesiast) Van de Beek over “zelfcensuur in de wetenschap”. Van de Beek, zo lezen we, bracht op dat Studium Generale verhalen over, onder andere, “het achterhouden van de eigen politieke opvattingen door sommige wetenschappers” aan de universiteit. Het voorbeeld kadert in een deel waarin de auteurs proberen aan te tonen dat de politieke correctheid (lees: links) de Nederlandse universiteiten is binnengeslopen en daar de andersdenkenden tot zelfcensuur noopt: “wetenschappers houden uit angst hun mond over hun eigen politieke of maatschappelijke visie” (204).

Okee. Nu weet ik niet zo goed aan welke universiteiten de wetenschappers openlijk en publiek de “eigen politieke opvattingen” meedelen aan collega’s en aan studenten. Ik werk zelf aan een Nederlandse universiteit en heb daar collega’s die regeringsfuncties hebben bekleed en/of adviserende taken hebben uitgevoerd voor politieke partijen of kabinetten, en/of voor internationale organisaties. Dat wordt niet ontmoedigd, integendeel, het wordt gezien als een belangrijke vorm van valorisatie van het onderzoek (en prestige voor de instelling). Ik neem echter aan dat die collega’s – ook al hebben ze politiek “kleur bekend” – geen partijprogramma’s of verkiezingsslogans debiteren tijdens hun colleges of van hun medewerkers en studenten eisen dat ze dezelfde stemmen uitbrengen tijdens verkiezingen. Ik meen ook dat zoiets niet de bedoeling is. Zijn de auteurs van mening dat dit wél zo zou moeten zijn? En waarom dan wel?

Waar het om gaat is wat al eerder werd vermeld: de eigen politieke opvattingen zijn nu net thema’s die op de sociale radar een behoorlijk specifiek publiek vereisen, en dus ook een specifieke context waarin ze worden uitgebracht. Het Studium Generale is zo’n context waarin dat kan en waarin dat gebeurt; de collegezaal of het seminarielokaal is dat niet, en aan mijn universiteit wordt er binnen die daarvoor afgebakende ruimten vrij en vrolijk gedebatteerd over de “eigen politieke opvattingen”. Het staat iedereen vrij hieraan deel te nemen. Men is dan ook vrij om te beslissen dat de eigen politieke opvattingen “nobody’s business” zijn – er is geen druk in welke richting ook om zich te outen in dat verband.

Ik meen te weten dat dergelijke ruimten in nogal wat grote privé-bedrijven helemaal niet bestaan, en dat men daar de “eigen politieke opvattingen” best voor zich houdt, zeker als ze afwijken van die van de bedrijfsleiding. Wat verklaart waarom zoveel mensen anoniem op Twitter en andere fora hun ongezouten mening geven: de (private) werkgever leest niet zo graag dat men aan een klimaatmars heeft deelgenomen of een petitie tegen fiscale achterpoortjes voor grote foruinen heeft getekend. Universiteiten in Nederland zijn wat dat betreft uitzonderlijk vrije ruimten, tenminste wanneer men de afbakeningen binnen die ruimte respecteert.

Het “achterhouden van de eigen politieke opvattingen” aan Nederlandse universiteiten moet dus niet alleen bewezen worden, maar ook bewezen worden als een gevolg van de politieke correctheid in de zin van de auteurs. En daarbij houden ze er best rekening mee dat er nogal wat uiteenlopende factoren kunnen zijn – andere dan angst voor linkse censuur – die academici laten beslissen hoe, waar, wanneer en in welke mate ze de eigen politieke opvattingen publiek maken in hun instelling.

6 Deconstructie?

Bakker en Geling gebruiken de term “deconstructie” voor vormen van discoursonderzoek die de “valselijk neutraal taalgebruik” blootleggen (47). Dat gebruik van “deconstructie” is welgevallig, want het sluit aan bij die andere bête noire van (de vaak geciteerde) Maarten Boudry en anderen: het “postmodernisme” met zijn waarheidsrelativisme, dat eventueel ook nog op de ene of andere manier met het “cultuurmarxisme” in verband moet worden gebracht. Dit levert “feitenvrije linkse wetenschap” op (201, 222).

Welnu, het type onderzoek waarop Bakker en Geling alluderen staat beter bekend als Critical Discourse Analysis (CDA) en heeft volstrekt niets te maken met deconstructie  à la Derrida en anderen. Meer nog, wie het werk van CDA grootheden als Fairclough of Wodak leest zal daarin een robuust-modernistische visie op institutionele macht vinden, maar zal vergeefs zoeken naar filosofisch en terminologisch vuurwerk want CDA is uitgesproken empirisch.

Wat dan dat zogenaamde “waarheidsrelativisme” betreft: was dat niet net wat Hanna Arendt stelde wanneer ze haar pleidooi hield voor het aanhoren en opnemen van alle mogelijke stemmen en perspectieven in het bepalen van ons standpunt – haar enlarged mentality die in dit boek zoveel belang wordt toegedicht? Heel veel gaat terug op wat George Herbert Mead zowat een eeuw geleden “objectief relativisme” noemde: het simpele feit dat er voor zowat alles in de menselijke realiteit diverse perspectieven en diverse normen beschikbaar zijn, en dat die verschillende perspectieven sociaal worden geschapen (waardoor “loon” iets heel anders is voor degene die het uitbetaalt dan voor degene die het ontvangt). Wie dit eenvoudige inzicht wil ontkennen kijkt tegen een behoorlijk grote bergketen aan empirisch bewijs aan.

Ik merk terzijde ook nog op dat het begrip “waarheid” in dit boek op heel verschillende en inconsistente manieren wordt gehanteerd. Een volledige bespreking hiervan verdient een artikel op zich.

7 “Progressieve en kosmopolitische geluiden op universiteiten”

Op p199 verwijzen de auteurs naar Josse de Voogd, die zijn ongerustheid uitdrukt “over de grote overmacht van progressieve en kosmopolitische geluiden op universiteiten”. Met de collocatie tussen “progressief” en “kosmopolitisch” ontmoeten we in het boek een terminologisch kernelement van de hedendaagse antiverlichting. De afkeer van “kosmopolitisme” heeft een zeer lange geschiedenis als deel van de agenda van een rechts en moreel conservatief nationalisme. Kosmopolieten waren diegenen die het primaat van de natiestaat niet erkenden, daardoor dus “geen roots” hadden en een potentiele dreiging voor die natiestaat inhielden. De kosmopolieten waren telkens weer links – “proletariers aller landen verenigt u” – en Joods. In het hedendaagse nieuw-rechts staat “kosmopolitisme” voor het toelaten van migratie en het steunen van transnationale vormen van bestuur zoals de VN, de NAVO en de EU. Het volstaat te kijken naar de Brexit-campagne om de concrete vorm van de weerstand tegen dit kosmopolitisme te herkennen. En Viktor Orbàn zowel als Donald Trump bestempelen George Soros – een kosmopolitische Jood – als hun vijand omdat hij vluchtelingen steunt en instellingen opricht die “geen wortels” hebben in het land in kwestie. Noteer dat Bakker en Geling nergens in het boek blijk geven van kennis van de literatuur over de antiverlichting of over hedendaags nieuw-rechts.

Terloops kan men de vraag stellen, wanneer we de specifieke registerconnotatie van deze termen opzij schuiven, wat er eigenlijk fout of onwenselijk is aan “progressieve en kosmopolitische geluiden” aan universiteiten. Wie de oude gedachten van de Verlichting in herinnering brengt zou moeten besluiten dat net die eigenschappen tot de missie van hoger onderwijs behoren.

8 Op zoek naar nuance?

Voor een boek dat zichzelf aankondigt als een zoektocht naar nuances in een gepolariseerd debat had die nuance toch wat intensiever opgezocht mogen worden. Twee algemene zaken springen meteen in het oog:

  1. De auteurs maken systematisch gebruik van het “weg-met-ons” register van de nieuw-rechtse antiverlichting. Denk aan de “zelfkastijding” en het “zelfdestructieve gedrag” van cultuurcritici, het gebruik van de term “activisten” of “beroepsgekwetsen”, het synoniem stellen  van “progressieve wetenschap” (op zich al een vreemd begrip) met “progressieve dogma’s”, en zo meer, en aan het zeer geïnflateerde vijandbeeld dat men van de tegenstrever en z’n dreiging schetst.
  2. Ze maken ook vrijwel uitsluitend gebruik van de stereotype voorbeelden waarvoor nieuw-rechts een voorkeur heeft: nieuwe identiteitspolitiek, nieuw feminisme, LGBT+ genderterminologie, inclusiviteit, diversiteit en postkolonialisme.

Wat dat laatste betreft: zowat alles van wat in dit boek over PC wordt gezegd in verband met deze stereotype domeinen kan men evengoed – zelfs veel overtuigender – toepassen op domeinen zoals die van de arbeidsmarkt, het zogenaamde “publieke management” en de “doe-democratie” die de herverdelende welvaartstaat vervangt. Dat soort analyses zijn al lang door mensen uit de hoek van Critical Discourse Analysis uitgevoerd, en de mechanismen van dominantie heten daar niet “politieke correctheid”, maar wel “hegemonie” – een veel beter onderbouwd begrip.

Ik geef in wat volgt een losse greep aan punten in het boek waar de nuance zoek is en voorzie ze van korte commentaar.

  • De nieuwe identiteitspolitiek is één van de grote schietschijven in het boek, en die identiteitspolitiek wordt vanzelfsprekend toegeschreven aan de linkerzijde. Het is nochtans voor de hand liggend dat ook mensen zoals Fortuyn, Wilders en Baudet, maar ook Farage, Dewinter en De Wever aan identiteitspolitiek doen en deden. En vaak als eerste, dus niet als reactie op een al bestaande linkse identiteitspolitiek.
  • Op p60-61 lezen we: “De opkomst van alt-right wordt in belangrijke mate gedragen door jongemannen met een ‘renaissancegevoel’ die zoeken naar een manier om zich tegenover het social-justice-discours te verhouden”. Wie deze “jongemannen” wat onderzoekt merkt dat er weinig “renaissancegevoel” te merken is, maar wel heel veel historisch revisionisme en heel veel mythologie, samen met een geweldcultuur (die snel naar inspiratiebronnen à la Breivik leidt), mysogynie en racisme. Zaken benoemen is belangrijk, dacht ik.
  • Op p.107-108 krijgt Merijn Oudenampsen ervan langs omdat hij een opiniestuk (!) in NRC had geschreven waarin hij de nieuwe uitgave van Spenglers Ondergang van het Avondland kritisch had becommentarieerd – als inspirator van het Nazisme. Bakker en Geling schrijven dat Oudenampsen “pleit voor het innemen van een duidelijk dogmatisch standpunt omtrent de inhoud van het boek door de uitgever”, en dat is dus PC. Ze vervolgen: “Het is maar de vraag of dezelfde kritiek vanuit deze hoek geformuleerd was als het hier bijvoorbeeld was gegaan om de heruitgave van Het Kapitaal van Karl Marx, die de eveneens totalitaire ideologie van het communisme heeft geïnspireerd”. Waarmee ze vanzelfsprekend net hetzelfde “duidelijk dogmatisch standpunt omtrent de inhoud van het boek” innemen als dat wat ze Oudenampsen verwijten. Overigens was er over de uitgave van Spengler niets dan lof vanuit de rechterhoek van de intelligentsia.
  • In een boeiende passage spreken Bakker en Geling over Edward Snowden en Al Gore in verband met parrhesia (147-148; “parrhesia” is een begrip dat Michel Foucault gebruikt om het vrijuit spreken tegenover de macht aan te duiden; zie ook het volgende punt). In het geval van Snowden stellen ze dat “de geschiedenis” zal oordelen of Snowden “werkelijk” parrhesiast is of niet. Hier zien we het volkomen surrealisme van hun benadering van parrhesia – ze zien dit niet als een vorm van concreet handelen (zoals Foucault wél doet) maar als een identiteitscategorie: men beoefent  de parrhesia niet, men is parrhesiast (of niet, al dan niet “werkelijk”). Er is immers al een geschiedenis die een oordeel over Snowden heeft geveld, een heel concrete geschiedenis waarin hij door de VS (onder Obama) als een crimineel wordt vervolgd. Welke andere geschiedenis men nog nodig heeft om tot een oordeel te komen blijft duister. Wat Al Gore met zijn Inconvenient Truth betreft: over hem zijn Bakker en Geling bepaald streng. Ze verwijten hem pocherigheid en geven mee dat hij daardoor het voorwerp werd van “satire en hoon”. Jazeker, maar niet van het Nobelprijscomite dat hem in 2007 de vredesprijs toekende. Het valt in het boek op dat klimaatnegationisten vooral als stimulerende tegenstemmen in het debat worden voorgesteld (bijv. 154), terwijl mensen die de gruwelen van salafistische terreur minimaliseren als een gevaar voor de nationale veiligheid worden bestempeld (bijv. 239). Men kan de rollen uiteraard met evenveel recht van spreken omkeren. De parrhesiast voor de ene is duidelijk de  crimineel of paljas voor de andere.
  • Islamkritiek is volgens de auteurs hét domein bij uitstek waar men in Nederland “een sterke invloed van politieke correctheid” ziet (195). Meer nog: “Het hard bekritiseren van islamkritische wetenschappers, dat vaak uitmondt in openlijke belastering of hoon, is een gevolg van politieke correctheid” (196-197). Jazeker, soms is dat zo. Maar wat men doorheen de discussie overr dit thema leest is de suggestie dat de islamcritici het altijd bij het rechte eind hebben en altijd omwille van PC afgeblokt worden: “omdat hun mening niet de juiste mening is, en ingaat tegen de dominante visie in hun disciplines” (197). Waar geen rekening mee wordt gehouden – wat zelfs niet wordt vermeld – is dat kritiek op islamkritische wetenschappers in vele gevallen ook is ingegeven door wetenschappelijke integriteit – het feit dat die islamkritische wetenschappers ernstige methodologische fouten maken en/of feitelijke onjuistheden (dan wel simpelweg verzinsels) en inconsistente argumenten opdienen. Dit geldt overigens voor zowat elke bespreking van “parrhesiasten” in het boek (incluis de klimaatontkenners) die volgens de auteurs omwille van PC, en enkel daarom, het voorwerp van controverse of sanctie werden: men ontzegt hun critici a priori de integriteit van wat ze doen. En men geeft wel een a priori geloofwaardigheid aan wat, na eerlijke wetenschappelijke evaluatie, gewoon crackpot science blijkt te zijn.
  • Om op dit punt even verder te gaan. Of men het nu graag hoort of niet, er zijn in de wetenschap standpunten die comprehensively debunked zijn. Wie deze standpunten nog steeds als geldig wederwoord wil hanteren tegen de conclusieve weerleggingen ervan zal weinig geduld van wetenschappers moeten verwachten. Die wetenschappers dan afserveren als “politiek correcten” is nogal makkelijk – ze doen datgene wat wetenschappers horen te doen: kwaliteitsoordelen vellen over standpunten op basis van de huidige stand van de wetenschap. Een wetenschapper die onder invloed van gefundeerde kritiek of nieuwe inzichten zijn of haar standpunt niet aanpast is overigens iemand die blijk geeft van een zeer onwetenschappelijke houding. Probeer maar eens een artikel gepubliceerd te krijgen wanneer je de commentaren van de peer-reviewers niet in acht neemt.
  • Op p. 222 hebben de auteurs het over “de postmoderne, links-progressieve wetenschap, die zich bedient van feitenvrije interpretaties” (een echo van Boudry, p201). Mogen we weten over welke concrete wetenschap dit gaat? Kunnen we wat voorbeelden krijgen? En wat de maatschappelijke impact ervan dan wel zou zijn? Ik wil meteen ook waarschuwen dat, in zoverre men het hier over discoursanalyse heeft, er behoorlijk wat werk zal verzet moeten worden om die wetenschap als “feitenvrij” te omschrijven. Dat neemt niet weg dat er wel degelijk feitenvrije wetenschap is. Maar die vind je niet in de “postmoderne, links-progressieve” categorie die de auteurs hier aanreiken. De impact van die feitenvrije wetenschap is immens.
  • Het deel over “vooringenomen media” (vanaf p227) is ronduit potsierlijk in een boek dat naar nuance zoekt. De media zijn links, en er zijn zelfs “bepaalde richtlijnen voor media die we als dogmatisch progressieve politieke correctheid zouden kunnen omschrijven” (228). Ja hoor, maar wat volgt is een rondje usual suspects waarbij media zoals De Telegraaf  – Nederlands meest gelezen krant – netjes buiten beschouwing blijven. Het overzicht is, om het zacht uit te drukken, selectief. Nog twee andere elementen spelen hier een rol. (a) Bakker en Geling geven ook hier een anachronistische kijk op “de media”, die enkel de klassieke massamedia behandelt en dus de hele, gigantische nieuwe infrastructuur van online informatiekanalen (met bijvoorbeeld Breitbart en het hele internationale netwerk errond) weglaat uit de beschouwing. Daarover zo meteen meer. (b) Wie de massamedia als industrie bekijkt kan onmogelijk spreken van een “linkse” mediawereld. Er is uiteraard het imperium van Rupert Murdoch, geen vriend van links. Maar er is ook het imperium van Van Thillo in België en Nederland – eigenaar van onder meer het NRC en De Telegraaf, en evenmin een links-progressieve kracht.
  • Ook wat de auteurs te vertellen hebben over sociale media bevindt zich helaas – ik druk mezelf nogmaals zacht uit – in een curieuze relatie tot de feiten. Op p42 en volgende geven ze de suggestie dat de algoritmische afstemming van sociale media op advertiser-friendly content de PC (in de zin van links-progressief etc. etc.) in de hand werkt “omdat commerciële bedrijven geneigd zijn om alles wat onconventioneel en verontrustend is glad te strijken, opdat het consumptiepatroon van burgers voorspelbaar en winstgevend blijft” (43). Terzijde: het is de eerste en enige keer dat commerciële bedrijven in dit boek vermeld worden als factor in de productie van PC (of hegemonie, zo u wil). Maar ze doen dat hoegenaamd niet op de manier waarop de auteurs suggereren. Integendeel: het is de zoektocht naar schokeffecten, het sensationele en het spectaculaire, het schandaal, de moral panic en de grenzen van wat we “kunnen” vinden die de machine aandrijft, omdat de consument niet voorspelbaar is en niet geïnteresseerd is in een herhaling van greatest hits.
  • Net zoals bij de massamedia zien we ook hier zien hoe beperkt de blik van de auteurs is op wat zich online afspeelt. Ze praten over YouTube en Facebook en hoe men daar algoritmisch aan “heimelijke gedragssturing” doet (43). Maar in de online wereld vind je ook mass online games, enorme fora zoals Reddit, een hoop porno, Wikipedia, bloggers en vloggers, meme generators, lifestyle gidsen, fact checkers, immense archieven en uit de kluiten gewassen tendentieuze massamedia zoals het zeer populaire Breitbart. En het is niet omdat Facebook naakte lichamen censureert dat je geen pornosite kan openen, en niet omdat YouTube filmpjes weghaalt van onthoofdingen door IS dat die beelden niet meer te vinden zijn op het web. Hier zijn de auteurs héél erg beperkt in hun blik (ik druk me alweer zacht uit). En ook hier: dat de online wereld een links-progressief universum is waarin PC wordt geïnstitutionaliseerd behoeft – hoe zal ik het zeggen? – wel wat nuance.
  • Het goedkeurend citeren van de uitspraak van Sid Lukkassen, “want een rechtse wetenschapper komt überhaupt niet aan een volwaardige docentenbaan” (200) maakt het hele argument in het boek behoorlijk ongeloofwaardig. Er worden immers om de haverklap “rechtse wetenschappers” aangehaald die wel een “volwaardige docentenbaan” hebben in Nederland. Als ik me niet vergis vallen ook de auteurs binnen die categorie. Tot de nuance behoort ook het benoemen als kletskoek van uitspraken die evident kletskoek zijn.
  • Nodeloos te zeggen dat ook het nawoord van Paul Cliteur iets meer nuance had mogen bevatten.

9 Slotsom

Het blijkt niet makkelijk om politieke correctheid als neutraal en empirisch eenduidig discoursfenomeen te omschrijven. Auteurs die dit proberen rijden zich nogal snel vast in analytische en conceptuele valkuilen, want ze proberen een door-en-door evaluatief begrip een niet-evaluatieve, neutrale lading te geven.

Ik schreef in 2007:

“Politieke correctheid is in dit land een ironisch begrip. Het wordt enkel gebruikt om te schelden op linkse standpunten die in de regel volstrekt marginaal zijn qua impact in vergelijking met een rechts discours over vergelijkbare themata. Dat rechtse discours is echter de reëel bestaande hedendaagse politieke correctheid, en een vast ingrediënt ervan zijn scheldtirades aan het adres van de ‘politiek correcten’.”

Herhaalde pogingen om dat punt te weerleggen hebben me niet overtuigd. Ik wacht op de volgende. Maar laat me in afwachting daarvan een leestip meegeven.

Het beste boek dat ooit werd geschreven over dit thema is dat van een Duits-Joodse academicus die slachtoffer werd van de Nazi’s maar de Holocaust overleefde. Zijn naam was Victor Klemperer, hij was filoloog, en het boek heet “LTI” – Lingua Tertii Imperii, de Taal van het Derde Rijk. In dat boek beschrijft Klemperer haast dag na dag hoe via heel kleine ingrepen in het benoemen van dingen, er geleidelijk een nieuw “normaal” wereldbeeld ontstaat – een hegemonie – waarin mensen zoals hij weggetoverd waren en waarin alles wat verwerpelijk was aan de Nazi’s “welgevallig” was geworden. Klemperer staat voortdurend versteld van de schaal waarop deze taalverandering zich doorzet: van de ene dag op de andere spreken goede bekenden van hem een heel andere taal, en lijken ze elk woord wat ze uitspreken ook nog eerlijk te menen. Het is heel Duitsland dat beetje bij beetje de LTI gaat spreken en in die nieuwe frames gaat denken en handelen.

Maar zijn eigen houding ontkent dat en geeft een cruciaal element aan van elk proces van hegemonie. Dat element is strijd. Hijzelf verzet zich tegen de LTI, en het is omdat hij de macht en de procedure ervan begrijpt dat hij zichzelf dwingt om uitgebreide notities aan te leggen. Hij beseft immers dat wanneer hij dat niet zou doen, hij snel de nieuwheid van bepaalde woorden en uitdrukkingen zou vergeten en meegezogen zou worden in het normaliserende karakter van de nieuwe hegemonie. Hij schiep voor zichzelf dus een permanent debat waarin de nieuwe elementen werden afgewogen tegenover de oude, zodat ze zichtbaar en begrijpbaar bleven als nieuw, als opgelegd, als elementen van een strategie ontplooid in een bittere strijd. Hier zien we dus een object, actoren en processen in opperste helderheid.

Ik kijk uit naar studies die dat niveau benaderen.

by-nc.eu

 

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s