De onderwijsideologie van de PISA-studies

763

Jan Blommaert 

(deel van een langere tekst over dit thema)

De PISA-studies staan voor “Programme for International Student Assessment” en worden georganiseerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Deze internationale organisatie heeft geen macht maar wel veel invloed, en haar oriëntatie – de naam zegt het zelf – is economisch. De PISA-studies zijn dan ook geconcipieerd vanuit een economische focus: onderwijs wordt in de eerste plaats gezien in functie van tewerkstelling, “employability” in het Engels (en, in toenemende mate, het Nederlands).

Met die functie in gedachten test het PISA-onderzoek een aantal “skills” bij 15-jarigen in de OESO-landen, en die skills geven meteen ook aan welk soort “employability” men in gedachten heeft. Het gaat om vormen van geletterdheid – waarover straks meer – in drie velden: wiskunde, wetenschappen, en “lezen”. Dus: geen geschiedenis, geen taalkennis, geen kunsten, geen technische kennis, geen wereldkennis of levensbeschouwing. Die drie “skills” worden door de OESO gezien als relevante parameters voor employability in de kenniseconomie, zoals men zich die verbeeldt. Het gaat hier in al deze gevallen om competenties die te maken hebben met abstractekennis (ook al beweert de OESO dat de tests concreet en ervaringsgericht zijn), de omgang met een specifieke symbolentaal en met een afgesloten geheel van “pure” kennis.

Dit zijn skills die, in wezen, slechts één segment van de arbeidsmarkt karakteriseren: een white-collar segment dat intellectueel, kennisgericht werk doet. Dat is dus één bijzonder grote beperking van de PISA-onderzoeken: de tests gaan over hoe onderwijs kenniswerkers opleidt. Wie deze ambitie denkt te kunnen vertalen naar uitspraken over de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen begaat wel een erg grote intellectuele oneerlijkheid. Wie ten gevolge van PISA-resultaten het onderwijs hervormt met de bedoeling beter te scoren in de tests, geeft eveneens blijk van verregaande wereldvreemdheid. Kenniswerkers zijn immers nodig, jazeker, maar niet elke baan is een kennisbaan; meer nog – dat soort jobs vormen een minderheid in de arbeidsmarkt in elk OESO-land. Een onderwijssysteem dat kenniswerkers als ijkpunt neemt zal – nogal voorspelbaar – een enorme groep leerlingen diskwalificeren. De waterval heerst, want niet iedereen wordt nu eenmaal ingenieur, arts of biochemicus. En maar goed ook.

Een tweede grote beperking van de studies is dat ze, impliciet, een bepaald model van wetenschap voorstellen: wetenschappelijk denken is abstract-analytisch denken op basis van de gesloten symbooltalen die worden getest. Wanneer een leerling die skills onder de knie krijgt, zo denkt men, zal die leerling wetenschappelijk kunnen denken en zelfstandig “probleemoplossend” kunnen te werk gaan. Daarbij ziet men een nogal fundamenteel punt over het hoofd: dat wetenschap – en probleemoplossend denken in het algemeen – in de eerste plaats draait rond de productie van ideeën, niet rond de herhaling van methoden. Die laatste staan ondergeschikt aan de eerste: methoden zijn maar nuttig wanneer ze een idee concretiseren. En die ideeën, die haalt men niet uit het volgen van wat er al is, maar uit creativiteit, bricolage, fantasie en verbeelding. En die elementen krijgen geen enkele ruimte in de PISA-studies.

Men kan moeilijk beweren dat een onderwijssysteem dat hoog scoort voor deze heel specifieke schoolse bekwaamheden een slecht systeem is; maar men kan evenmin zomaar beweren dat een systeem dat daarop goed scoort ook meteen een goedsysteem is. Er wordt een fractie getest van wat onderwijs zou moeten realiseren bij leerlingen, gekoppeld aan een fractie van wat een samenleving zoals de onze nodig heeft vanuit het onderwijs. Wie daaraan grotere conclusies wil hangen neemt grote risico’s met de waarheid.

Er is nog iets. Bij het meten van deze heel specifieke skills stelt de OESO zich twee vragen. Eén: wie scoort het best op deze tests? Deze eerste vraag gebruikt dus competitiviteit als uitgangspunt. En twee: welke factoren verklaren de verschillen in scores? Bij die laatste vraag stelt men als uitgangspunt dat inclusiviteit een doelstelling moet zijn, en dat het niet volstaat om goed te scoren op de eerste vraag om van “goed onderwijs” te kunnen spreken. Men moet op beide punten goed scoren. Het is dus wel wat kort door de bocht om te stellen, zoals Crevits, dat het onderwijs in Vlaanderen top is. Intellectuele eerlijkheid gebiedt te vermelden dat dit slechts klopt voor de helft van de test; voor de tweede helft scoort men al vijftien jaar een dikke onvoldoende.

Om dit allemaal snel samen te vatten: de PISA-studies testen een klein aantal heel specifieke elementen waarvan men het belang enorm opblaast en niet in vraag stelt; het richt zich op hoe onderwijs kenniswerkers opleidt, en het hecht groot belang aan de opleiding van veel kenniswerkers in de onderwijssystemen van de OESO landen.

Dat geeft een hele reeks perverse effecten. Zoals elke “ranking” maakt de idee van scores en plaatsen in de top-10 elke beleidsmaker compleet gek. Het gevolg (een gevolg dat we al lang kennen vanuit de universitaire wereld en haar rankings-manie) is dat overheden al vijftien jaar lang heel zwaar inzetten op een verbetering van hun PISA-scores. Concreet: ze zetten al jaren in op de versterking van wiskunde en wetenschappen (vanuit de uitgangspunten die ik hierboven heb geschetst), en hechten dus daaraan telkens meer belang ten nadele van de andere elementen (en doelstellingen) van het onderwijs. Men volgt daarbij liever het advies van de georganiseerde bedrijfswereld die klaagt over het tekort aan ingenieurs, dan aan dat van de modale burger die klaagt over het gebrek aan degelijke loodgieters, leerkrachten Frans of ambachtelijke slagers. En de toename van dit test-gerichte onderwijs samen met de toename van ongelijkheid doet een verband vermoeden.

Men zet dus wereldwijd steeds meer in, kortomop dat ene luik van competitiviteit, en dit gaat ten koste van het tweede luik, inclusiviteit. Het pas verschenen PISA-rapport maakt dan ook melding van een zeer verontrustende tendens: de stijging doorheen zowat het hele onderzoek van het aantal leerlingen dat de minimale doelstellingen niét haalt, incluis in een aantal van de rijkste lidstaten. Ons land hoort bij die laatste groep: een zeer welvarend land dat inzake competitiviteit zeer goed scoort in de testen, maar dat steeds verder achteruit boert op het vlak van inclusiviteit. We zetten in dit land al vele jaren in op een goeie plaats in de rankings, en veel te weinig op het verbreden van de kennisbasis in onze samenleving.

by-nc.eu

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s