Geformatteerde levens: Inleiding

30743929_1148957638575016_9048790983596048384_n

Jan Blommaert

Sneak preview van het inleidend hoofdstuk van “Geformatteerde levens: Een essay over identiteiten” (EPO 2018)

Sinds het begin van de 21ste eeuw leven we over zowat de hele wereld onze levens zowel online als offline. Dit is het effect van het Web 2.0 dat het internet herschiep tot een platform voor sociale interactie en de circulatie van kennis op een nooit eerder geziene schaal, en het effect bereikte z’n volle sterkte toen dat Web 2.0 ook via de smartphone in de tas of vestzak van vele miljoenen gewone mensen belandde en bliksemsnel zowat het meest gehanteerde gebruiksvoorwerp werd in het alledaagse leven van die mensen.

Wat deze hertekening van ons sociaal bestaan voor gevolgen heeft is intussen het voorwerp geworden van een reeks academische specialisaties en een hoop onderzoek, het mijne inbegrepen.[1] De hoop opinies erover is nog groter, en die opinies zijn verdeeld. Niet veel mensen zullen zeggen dat ze terug naar een wereld willen zonder uitgesteld televisiekijken, zonder mobiel bellen en GPS, zonder Wikipedia en zonder toegang tot gedetailleerde informatie over zowat elk apparaat of recept, elke publieke figuur of elk boek en stuk muziek. Dat kleine speeltuig in onze tas of vestzak is groter dan de Bibliotheek van Alexandrië in de oudheid en krachtiger dan de computers van de jaren 1980, en het bewijst onophoudelijk z’n waarde. Maar er zijn er vele die intense online-activiteit (vooral van hun kinderen) asociaal, onecht en individualistisch vinden, een hinderpaal voor het schoolwerk en voor een normaal sociaal contact met vrienden en buren, als een vlucht in fantasie en utopie, en als een oncontroleerbaar gebied waarin mensen soms toch wel heel vreemde en riskante dingen doen. En sinds we weten dat ons gedrag op sociale media het ruwe materiaal is voor een enorme industrie van dataverkoop en surveillantie, zijn nogal wat mensen zich zorgen beginnen maken over hun privacy, hun recht om datgene wat publiek en privé is zelf en zonder externe dwang uiteen te houden.

Doorheen deze opinies zien we twee lijnen lopen. Eén: men blijft een strak onderscheid maken tussen online en offline zones van sociaal gedrag. Dat laatste blijft men “de echte wereld” noemen, terwijl de online wereld als “virtueel” (en dus niet echt) wordt bestempeld. Twee: er is een hiërarchie tussen de twee zones, waarbij de normen die we bij dit alles hanteren die van de “echte wereld” zijn. Zo horen we regelmatig dat mensen die heel veel tijd op sociale media doorbrengen behoefte hebben aan een “echt” gesprek – lees, een mondeling gevoerd gesprek in een fysieke ruimte waarbij de deelnemers ook fysiek aanwezig zijn. Kortweg: een gewone conversatie. Ook horen we dat de vrienden die men op Facebook heeft verzameld geen alternatief kunnen zijn voor de “echte” vrienden. En die echte vrienden, daarmee doe je dan “echte” dingen: samen tafelen, uitgaan, op reis gaan, de kinderen opwachten aan de schoolpoort. Heel veel van de morele oordelen die we formuleren over online activiteiten zijn gebaseerd op de mate waarin die online activiteiten overeenstemmen met de normen van offline, “echte” activiteiten.

Merkwaardig genoeg ziet men dezelfde lijnen ook doorheen veel onderzoek lopen, vaak als onuitgesproken uitgangspunten. Ik ben zelf van mening dat deze lijnen een nuchtere en accurate kijk op die nieuwe sociale context belemmeren, dat ze vaak anachronistisch zijn en onze blik vertroebelen met allerhande moraliserende a priori’s. Daardoor merken we een nogal vanzelfsprekend gegeven niet op: dat de online en de offline omgevingen samen deel uitmaken van, en vorm geven aan, het totale sociale leven van mensen en dat er nogal wat wederzijdse beïnvloeding tussen beide types omgevingen is. Om een simpel voorbeeld te geven: schoolgaande kinderen zullen misschien te horen krijgen dat ze minder mogen gamen en chatten en meer aandacht moeten besteden aan hun schoolwerk. Maar voor dat schoolwerk maken ze wel uitgebreid gebruik van online middelen, gaande van Wikipedia en andere informatieve websites tot elektronische onderwijsplatformen zoals Smartschool of Blackboard. Of om een nog eenvoudiger voorbeeld te geven: telkens we bij de aankoop van een jas of schoenen in de offline speciaalzaak onze bankkaart gebruiken voor de betaling, verweeft ons offline koopgedrag zich met een ingewikkeld kluwen van online bewerkingen die niet enkel geld verplaatsen van de ene naar de andere rekening, maar ook meteen statistische gegevens over onze aankoop en onszelf opslaan in grote elektronische databases. We vinden dat niet enkel normaal – we merken niet eens meer op dat we bij duizenden offline handelingen ook op de ene of andere manier online actief zijn. Het is gewoon hoe we nu leven: op het snijpunt van online en offline dimensies, die elk bijdragen aan de concrete manieren waarop we dat leven gestalte geven. Er is niets virtueel aan dit snijpunt; het is ‘de werkelijkheid’ die we maken en beleven, en we doen dat met behulp van een infrastructuur die nu anders is dan in de 20ste eeuw, met middelen die misschien wel voorlopers hebben maar geen gelijken in onze geschiedenis.

Dat snijpunt begrijpen is de taak die ik me hier stel. Maar natuurlijk is dat veel te ruim geformuleerd. Ik richt me op een specifiek aspect ervan: de manieren waarop we in de online-offline sociale wereld gestalte geven aan onszelf – wie en wat we zijn, en hoe we dat allemaal uitdrukken doorheen nieuwe vormen van communicatie, interactie en relaties met anderen. We doen dit aan de hand van normen; dat is evident, en dat was ook zo vooraleer we online gingen. Maar de online infrastructuur heeft een enorme nieuwe ruimte geschapen waarin we constant spelen met normen, regeltjes en dingen die ‘normaal’ zijn. Een deel van die nieuwe wereld van normen bouwt voort op oudere normen; een ander deel is geheel nieuw en staat soms op een gespannen voet met de oudere normen. Die gespannen verhouding is de reden waarom een tiener die vele uren doorbrengt achter de computer met gamen of chatten, door de (offline) omgeving beschouwd kan worden als asociaal, een eenzaat die nauwelijks omgaat met mensen, een beetje loser toch; terwijl die tiener binnen de wereld van zijn game-gemeenschap hypersociaal kan zijn, alom bekend en gewaardeerd, en omringd met talloze vrienden die hij of zij al jaren kent en waarmee de tiener een intense relatie onderhoudt.

Het punt dat ik wil maken is dat binnen deze enorme ruimte van nieuwe en oude normen heel wat van ons gedrag in formats wordt gegoten: normatieve kaders van ‘normaal’ gedrag die vaak een opmerkelijk uniform karakter hebben en in een aantal gevallen over grote delen van de wereld gedeeld worden. Dat is deels voorspelbaar vanuit wat we weten uit een aantal menswetenschappen – ons gedrag is maar sociaal wanneer het op basis van de ene of andere norm herkenbaar is voor anderen – maar het staat anderzijds haaks op een aantal grote ideeën die ons gedrag zouden moeten leiden: de idee van het unieke individu, van vrijheid en creativiteit, van autonomie in ons handelen, van zelfbeschikking over onze identiteit. Die ideeën hebben een ideologisch karakter: we geloven dat we ze constant realiseren, terwijl heel veel van ons gedrag die ideeën tegenspreekt. Een beschrijving van hoe we zelf constant normatieve beperkingen opleggen aan ons sociaal gedrag is op die manier meteen ook een ideologiekritiek.

In wat volgt geef ik eerst een algemene theoretische schets van het probleem en hoe ik het zal aanpakken. Daarna bespreek ik drie reeksen gevallen. Eerst, de formattering van massamoorden zoals die op de Amerikaanse universiteitscampus van Isla Vista in 2014 en die in de binnenstad van Toronto in 2018; daarna kijk ik naar schoonheidsidealen die viraal gaan in grote delen van de wereld, en hoe die een geformatteerde lichaamscultuur scheppen; en tenslotte richt ik me op de geformatteerde manieren waarop we onszelf op sociale media presenteren aan anderen – onze “selfie” en wat daarmee allemaal kan aangevangen worden in een wereld van “big data”.

In de opbouw van het verhaal vertrek ik van een zeer extreem voorbeeld, om dan geleidelijk af te dalen naar het niveau van het alledaagse. Extreme voorbeelden bieden het pedagogische voordeel van opperste helderheid, en ze combineren vaak eigenschappen die in minder uitgesproken of gedeeltelijke vormen ook op veel grotere schaal terug te vinden zijn. Ik zal dat ook herhaaldelijk onderstrepen: de handelingen die de massamoordenaar online en offline uitvoert zijn op een abstract niveau dezelfde als degene die we uitvoeren wanneer we op Youtube even kijken hoe je je koelkast zelf kan repareren of hoe je best een kip kan braden op je barbecue. De banaliteit van die mechanismen, en daardoor hun algemene karakter, worden wellicht duidelijk wanneer we onze eigen profielen op sociale media bespreken.

[1]Zie bijvoorbeeld Jan Blommaert, Durkheim and the Internet (London: Bloomsbury 2018). Ook op mijn research blog CTRL+ALT+DEM zijn talrijke teksten te vinden. Zie https://alternative-democracy-research.org/

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s