De retorische wereld van George W. Bush

pict258

Jan Blommaert

(Een tekst uit 2006, ook te vinden in De Crisis van de Democratie)

Een belangrijk onderdeel van de politieke wetenschap bestaat uit de analyse van het publieke en institutionele vertoog van politici. Toespraken, memoires, archieven en interviews bieden de historicus van het politieke verleden of de onderzoeker van de huidige politiek een inzicht in de ideeën, de dogma’s en de ideologische bekommernissen van politici, en dus een zekere interne kijk op politieke ontwikkelingen of gebeurtenissen. De meeste vooraanstaande politici laten vele gegevens na; meer zelfs, velen zorgen ervoor dat ze overvloedig veel gegevens achterlaten voor onderzoekers. Die onderzoekers, samen met het collectieve politieke geheugen, hebben sommige speechen of uitspraken de status gegeven van symbolen van een tijdperk, van een icoon van een bepaald type (heroïsch) persoon of van quasi-spreekwoordelijke zegswijzen. Voorbeelden zijn er legio: Martin Luther Kings ‘I had a dream’, Lincolns Gettysburg Address, Churchills ‘IJzeren Gordijn’-speech, Kennedy’s ‘Ich bin ein Berliner’, De Gaulles ‘Français, Françaises, aidez-moi!’, enzovoort.

Retorische bekwaamheid was vroeger een absolute vereiste voor een hoge politieke positie en is dat nog steeds tot op zekere hoogte. De leider van een land of een belangrijke politieke beweging was en is een goede communicator, zijn woorden moeten de gedachten en zorgen van het volk vertolken, zijn woorden moeten de ‘geest’ – men kan dat ook ‘ideologie’ noemen – van het volk weerspiegelen. Net zoals we dat in het dagelijkse leven doen met de mensen rondom ons, beoordelen we politici heel vaak op de manier waarop zij communiceren. Op basis daarvan bestempelen we hen als ‘serieus’ of ‘gek’, als ‘ontzagwekkend’ of ‘niet inspirerend’, als ‘helden’ of ‘watjes’, als mensen die tegen moeilijkheden opgewassen waren en een moedige beslissing konden nemen of als mensen die geen zelfvertrouwen hadden en aarzelden om te doen wat nodig was. We combineren die kenmerken van communicatieve stijl met andere persoonlijkheidskenmerken, zoals de looks of herkenbare aspecten van etnie, regio, onderwijsniveau of sociale klasse, en construeren daar een ‘imago’ mee. Er zijn geen standaardcriteria voor oordelen over spreekstijl. Zo’n criteria zijn eerder toevallig en hangen af van wie, wat en hoe, van de concrete omstandigheden en vooral van hoe ze met andere kenmerken samengaan. Zo kon Bill Clinton zich een zeker machismo in zijn spreekstijl veroorloven omdat vele mensen zo’n manier van spreken associëren met een algemeen beeld van de Southern US male, een soort die blijkbaar bekend staat voor zijn sexisme en machismo. Ronald Reagans onbuigzame houding werd uitvergroot en overtuigend gemaakt omdat ze zo goed samenging met zijn vriendelijke, grootvaderlijke verschijning – wanneer een vriendelijke oude man boos wordt, wel dan is het echt. Mitterands omzichtig geconstrueerde proletarische achtergrond was het perfecte draagvlak voor een zeer De Gaulliaanse, of zelfs ancien regime-, stijl van in het openbaar te spreken. En Iron Lady Margaret Thatcher was hard als een rots, maar ook de koningin van in het openbaar te spreken op een vriendelijke en gewone toon – een stijl die een beeld van middenklasse, alledaagse rationaliteit opriep. Maar niet iedereen was zo’n grote communicator. Richard Nixon, Gerald Ford, Jimmy Carter, George Bush Sr., John Major, geen van hen liet een grote, gedenkwaardige indruk als spreker na. Maar ook zij spraken en schreven, en lieten sporen na die nu kunnen geanalyseerd en vergeleken worden door onderzoekers. Zij kunnen als middelmatige sprekers worden beoordeeld net omdat we ze kunnen vergelijken met de grote communicatoren, omdat ze iets nagelaten hebben dat kan worden vergeleken.

Een traditionele analyse van de retoriek van George W. Bush is nagenoeg onmogelijk. De reden daarvoor is simpel: er is niets dat op traditionele wijze kan worden geanalyseerd. De huidige president van de VS lijkt een niet-retorische politicus, een niet-communicator te zijn. Ik geloof dat dit politiek zeer significant is, en het roept allerlei vergelijkende vragen op.1 Gelukkig komt het bewijs van afwezigheid niet op de afwezigheid van bewijs neer. Ook al communiceert George W. Bush in het openbaar niet zoals al zijn voorgangers deden, is deze afwezigheid geen negatieve zaak, geen leegte, maar een positieve zaak, de productie van publieke stilte. Vanuit dit perspectief kunnen we die stilte beginnen te analyseren als retoriek, of op zijn minst als een ingrediënt van de retorische wereld waarin George W. Bush zelf slechts een marginale directe rol speelt. Niettemin is hij altijd en overal aanwezig, op indirecte wijze en door de communicatie van anderen. Ik meen dat zo’n perspectief ons recht naar het hart van de huidige machtspolitiek leidt en ons toont hoe we die moeten evalueren.

***

Eerst enkele basisopmerkingen. In de mate dat we Bush publiekelijk hebben zien optreden, is hij waarschijnlijk de slechtste spreker in de politieke gilde. Hij is duidelijk niet op zijn gemak wanneer hij in het openbaar spontaan moet spreken. Hij produceert dan uitspraken vol catastrofale grammatische, terminologische en pragmatische fouten.2 Hij produceert oxymorons en ongerijmde zinnen, hij maakt, met adembenemende frequentie, fouten tegen de uitspraak en de zinsvolgorde, en levert zo voldoende materiaal om de carrières van verscheidene stand-up- en cartoonartiesten te maken. Hij ziet er bijzonder incompetent uit en klinkt ook zo. Zijn hele achtergrond straalt incompetentie uit: er is geen spoor van academische of intellectuele bagage, hij lijkt alleen maar enige expertise in baseballzaken te bezitten, hij heeft vroeger een probleem met alcohol gehad, er zijn geruchten over financieel geklungel in sommige van zijn zakelijke activiteiten, en hij is zijn vaders zoon. Hij lijkt te worstelen met dyslexie, en hij haalde de internationale krantenkoppen toen hij erin slaagde zich te verslikken in een pretzel terwijl hij een sportwedstrijd bekeek in het Witte Huis. Als we met al deze elementen rekening houden, zien we dat Bush een redelijk goed bepaalde figuur is in ieders geheugen. We koesteren allemaal precieze herinneringen aan Bush’ communicatieve daden. Het lijkt alsof hij altijd en overal aanwezig was sinds hij in 2000 aan de macht kwam.

Maar we moeten ons afvragen: wanneer hebben we hem echt zien en horen praten? Op hoeveel beeldmateriaal is dat welbepaald beeld van Bush gebaseerd? Dit is het begin van het probleem. Bush heeft heel weinig gesproken, of liever, we hebben hem slechts sporadisch zien en horen spreken. We mogen niet vergeten dat we gewoonlijk mensen als Bush zien in de mate dat zij opportuniteiten scheppen voor mediaberichtgeving, zoals persconferenties, uitgezonden of uitgeprinte speeches, interviews in kranten of op radio en televisie. In andere woorden, Bush moet momenten organiseren waar mediatoren (de media) zijn woorden kunnen opnemen en doorzenden naar een groter publiek. Als je er goed over nadenkt, ontdek je dat er maar weinig zo’n gelegenheden waren.

Tijdens zijn campagne in 2000 kregen we overvloedig veel berichtgeving over Bush zijn publieke toespraken. De presidentiële campagnes in de VS zijn explosies van publieke retoriek. Kandidaten moeten het publiek kennis doen nemen van hun retoriek zodat de mensen het soort keuzes kunnen maken waar ik het hierboven over had, en die keuzes bepalen het stemgedrag. Kandidaat Bush reisde doorheen het hele land en verscheen op grote verkiezingsshows, in voetbalstadions, ziekenhuizen, fabrieken, scholen, steeds met een leger van journalisten in zijn spoor. Het is toen dat het beeld van de anti-communicator Bush werd gevormd. Wanneer hij spontaan moest antwoorden op plotselinge vragen die enigszins complex waren en soms met een zekere agressiviteit werden gesteld, verstijfde Bush en mompelde hij zijn onsterfelijke incoherente lettergrepen. Vanaf het moment dat hij verkozen werd echter veranderde zijn mediaoptreden volledig. Bush verscheen voortaan enkel tijdens zorgvuldig voorbereide gebeurtenissen. Telkens wanneer President Bush in het openbaar sprak, zag het publiek een Bush die iets las dat door anderen was geschreven, zag het hem antwoorden op vragen met goed gerepeteerde, scherpe oneliners, of zag hem onschuldige routinematige optredens uitvoeren zoals peptalk verkopen aan soldaten of oorlogsveteranen. Het opnemen van zijn woorden was ook scrupuleus gereglementeerd: Witte Huis-journalisten mochten enkel ‘officiële’ (d.i. geschreven en geredigeerde) versies van Bush’ uitspraken citeren, en niet elk publiek verschijnen van de president mocht worden gefilmd. Tijdens zo’n goed voorbereide optredens deed Bush het redelijk goed. De speeches die hij gaf na de aanslagen op 9/11, of zijn ‘State of the Union’-toespraken werden allemaal redelijk goed geleverd, als men de iconische wanverhouding vergeet tussen zijn woorden van een zekere gravitas en een gelaatsuitdrukking die gedomineerd lijkt door een ironische grijns.

Het pertinente beeld dat we hebben van Bush als publiek spreker is dus niet gebaseerd op een grote hoeveelheid toespraken. Integendeel, het wordt gevoed, bij stukjes en beetjes, met materiaal dat in zekere mate het beeld van de incoherente, nonsens-producerende Bush tegenspreekt. Bush doet het niet zo slecht wanneer hij spreekt. Alleen, hij spreekt zeer weinig.

***

En toch is hij zeer aanwezig. Uit zijn groeiende populariteit na 11 september 2001 kunnen we opmaken dat hij intussen heel wat meer Amerikanen heeft kunnen overtuigen van zijn leiderskwaliteiten dan het kleine aantal dat effectief voor hem gestemd heeft. Dat is nu net de reden waarom we de retorische wereld van George W. Bush moeten zien te doorgronden, hoe hij het gezicht geworden is dat bij de woorden van anderen hoort. Een kijk op sommige gegevens die ik verzameld heb in de Amerikaanse media in de eerste maanden van 2003 – de opbouw naar de tweede Golfoorlog – zal dat duidelijk maken.

Het gebrek aan directe uitspraken van de president wordt gecompenseerd door een ontzagwekkende hoeveelheid berichten die de president tonen, hem citeren in indirecte rede en over hem praten. Nieuwslezers praten over de president terwijl zijn foto in een hoekje van het scherm figureert, of ze leveren commentaar bij videobeelden van de president. De kijkers horen de president echter niet. Het praten wordt gedaan door de nieuwslezers die, als een stand-in, welsprekendheid, coherentie en stijl leveren. Interessant is dat de videobeelden van de president vaak communicatie van de president tonen: de president spreekt een publiek toe, hij voert een gesprek, hij telefoneert. De nieuwslezer beschrijft ook vaak hoe de president uitgebreide, belangrijke communicatieve daden stelt.

Een voorbeeld. Het laatavondnieuws van NBC5 op 11 maart 2003 werd aangekondigd met als hoofdthema: President Bush is hard aan het werken om steun te verzamelen voor een VN-resolutie die de oorlog tegen Irak goedkeurt. We horen de stem van een nieuwslezer en we zien een korte videofilm van Bush die een toespraak geeft. We zien Bush ernstig maar intens spreken, gesticulerend met zijn linkerarm om zijn (onhoorbare) woorden kracht bij te zetten. De achtergrond bestaat uit een Amerikaanse vlag en een blauw bord met het logo Edge America. Zodra het nieuwsprogramma begint wordt het thema aangesneden. Het thema wordt lang aangehouden naar Amerikaanse standaarden, het neemt bijna vijf minuten in. De nieuwslezer begint met aan te kondigen dat ‘President Bush has been working the phones’ (‘President Bush is volop bezig met telefoneren’) om wereldleiders ervan te overtuigen de VS- en VK-positie over Irak te steunen. In een hoek van het scherm zien we een beeld van de president in actie: in hemdsmouwen aan de telefoon. Enkele andere beelden worden getoond, waarna, na een minuut, de nieuwslezer verklaart dat ‘the president feels that he has enough support’ (‘de president vindt dat hij voldoende steun heeft’) om de VS-resolutie goed te laten keuren door de VN-Veiligheidsraad. Opnieuw zien we het beeld van Bush aan de telefoon, ditmaal op het volle scherm. De journalist haalt nu gelijkaardige inspanningen van het VK aan en vermeldt dat Tony Blair benadrukt dat zo’n resolutie cruciaal is. Het gezicht van Blair verschijnt op het scherm. In tegenstelling tot Bush praat Blair. We zien en horen Blair één zin produceren, hij zegt dat het niet goedkeuren van de VS-VK-resolutie een zeer slecht signaal zou zijn: ‘the message it sends to Saddam is… “You’re off the hook”’ (‘de boodschap die het zendt naar Sadam is… “je bent er van af”’). Het nieuwsitem gaat verder met de Amerikaanse militaire voorbereidingen in Koeweit en beelden van Amerikaanse troepen in de woestijn worden getoond. De nieuwslezer verwijst opnieuw naar de president: ‘Even though President Bush has not yet given the order…’ (‘hoewel President Bush het bevel nog niet heeft gegeven…’), zijn de troepen klaar.

In dit item van vijf minuten wordt de president driemaal getoond en driemaal maakt de nieuwslezer een beschrijvende verwijzing naar presidentiële communicatieve daden. Hoewel één van die beschrijvingen een persoonlijke mening uitdrukt – ‘the president feels that he has enough support’ –, lijkt dit geen voldoende reden te zijn om de president zelf aan het woord te laten. Hoe weet een NBC-journalist hoe en wat de president denkt? Omdat de president indirect spreekt. Televisiezenders worden voorzien van zorgvuldig opgestelde communiqués die beschrijven wat de president denkt, wat hij gezegd heeft, wat hij zal zeggen en hoe hij het zal zeggen. En enkele stomme beelden van de president terwijl hij communiceert ondersteunen deze berichten. Het resultaat verbaast enigszins: we hebben hier een VS-president die gevangen lijkt in een systeem van afbeeldingen dat teruggaat op de periode van de stomme film. Rudolf Valentino fluisterde de liefste woordjes in de oor van een vrouw, maar niemand kon hem horen en iedereen beeldde zich in dat die woorden de zoetste ooit waren.

Er is een overdreven institutionele pudeur over het akoestische zelf van George W. Bush. Die pudeur geldt niet voor Tony Blair, die we zien en horen spreken. Ook geldt ze niet voor Colin Powell, Condoleezza Rice, Generaal Tommy Franks of John Ashcroft. Maar de afwezigheid van presidentiële woorden is pijnlijk, en leidde tot de beslissing in maart 2003 om in het ABC-programma 60 minutes wekelijkse debatten te houden tussen ex-president Bill Clinton en zijn toenmalige opponent Bob Dole – een uitdrukking van het (onvermijdelijk ontgoochelend) nostalgisch verlangen naar de dagen dat de presidenten elke dag gehoord en gezien konden worden.

***

Laten we nu eens kijken naar de woorden die de president zelf heeft uitgesproken. Zoals ik al zei, ze zijn zeldzaam. Op tv horen we Bush alleen maar gedurende enkele seconden. Zijn uitspraken worden gewoonlijk door een nieuwslezer ingepast in een langer beschrijvend bericht over een ‘item’, ongeveer zoals de oneliner van Blair in het voorbeeld hierboven. Het kader is een publieke gelegenheidstoespraak (het meest voorkomende geval), uitspraken gemaakt tijdens bezoeken van buitenlandse leiders aan het Witte Huis, of (sporadisch) uitspraken tijdens of na andere ontmoetingen in het Witte Huis of elders. In deze weinige seconden worden één of twee zinnen uitgezonden. Wanneer de zinnen uit een publieke toespraak zijn gelicht, worden ze vaak gevolgd door een hoorbaar begin van een applaus. Zo’n uitgezonden zinnen zijn altijd ’emblematisch’. Ze bevatten de politieke sleutelwoorden die de essentie van een kwestie of Amerika’s houding daarover moeten uitdrukken: ‘freedom, ‘democracy’, ‘the freedom-loving nations’, ‘the free world’, ‘we are proud’, ‘we shall prevail’, ‘we shall disarm Saddam’, ‘we shall protect the safety of our citizens’, ‘we shall protect the world’, enzoverder.5 President Bush spreekt ze uit met een zeker lef en de sleutelwoorden lokken applaus uit van het publiek dat goed vertrouwd is met deze retorische stijl. Applaus komt er altijd op voorgeschreven plaatsen in de toespraken en Bush wordt er niet door verrast. Hij moet niet stoppen in het midden van een zin of wachten tot het applaus uitsterft. Zijn publiek is goed getraind om alleen op vooraf bepaalde momenten te reageren met applaus.

Wanneer deze stukjes toespraak uitgezonden worden, roepen ze allerlei zaken op. Ze suggereren dat het uitgezonden fragment het hoogtepunt was van de toespraak, een moment dat het publiek bijzonder enthousiasmeerde zodat het reageerde met explosieve steun voor de president. Deze montage van fragmenten suggereert bijgevolg coherentie in de toespraak – het uitzenden van het fragment roept het bestaan op van een volwaardige, coherente, uitgebreide toespraak waarin het fragment een speciale rol speelt, dat van ‘het meest belangrijke’ of ‘meest relevante’ deel. Zo’n delen van toespraken suggereren dus welsprekendheid en retorische kunde, wat de kenmerkende (en voorname) discursieve kenmerken zijn van leiderschap. Maar de hele gebeurtenis op zich was eerder ontgoochelend. Bush’ State of the Union van 2003 duurde bijna een uur. Ze werd vloeiend geleverd: de President zag er goed voorbereid en ‘gerepeteerd’ uit. Hij struikelde niet over woorden, maakte nauwelijks enige opmerkelijke fout tegen de uitspraak, en bewerkte zijn publiek goed. Maar deed hij dat? Of was het niet eerder omgekeerd? Wat ik zag was een fantastische coproductie tussen spreker en publiek. Het publiek gaf tijdens grote gedeeltes van de toespraak letterlijk elke anderhalve minuut een overdonderend applaus. Meestal sprak Bush zo’n vijf zinnen uit die culmineerden in de gebruikelijke sleutelwoorden over ‘America-in-the-world’, en reageerde het Congres op bijna Pavloviaanse wijze met warm en aanmoedigend applaus. Beide partijen, spreker en publiek, produceerden dus tezamen de zeer welkome ‘brokken’ van de speech, kant en klaar voor gebruik in de TV nieuwsprogramma’s die over de speech berichtten. Er waren geen lange, grammaticaal complexe zinnen, er was nauwelijks enige stilistische barok, en er was geen enkel intellectueel of politiek stimulerend argument. De toespraak was niet gemaakt voor het Congres, maar voor het Amerikaanse volk en de hele wereld. Het was in feite geen toespraak in de klassieke zin van de term, maar een aaneenschakeling van verscheidene kleine eenheden van thematisch georganiseerde zinnen die naar een terminologische climax opbouwden en gevolgd werden door applaus. De speech was als een rayon uit de supermarkt, vol met deeltjes toespraak waaruit de tv-stations hun favoriete waren konden uitpikken – de dertig seconden lange fragmenten van een overtuigend sprekende, toegewijde President die de juiste woorden sprak en enthousiast onthaald werd door het Congres.

Op 6 maart 2003 gaf George Bush één van zijn zeldzame Witte-Huispersconferenties. Ze was gewijd aan de dreigende oorlog tegen Irak. Het gebeuren duurde iets meer dan drie kwartier, en begon met een verklaring van de president. Die verklaring bestond uit een soort van ‘model narratief’ (master narrative) over de positie van Amerika. Deze verklaring (overduidelijk gemaakt om gereproduceerd te kunnen worden door journalisten) hield een schema in dat draaide rond (a) het feit dat de VS de vrede willen bewaren in de wereld, en oorlog alleen als laatste optie zien; (b) Sadam Hoesseins verzuim zijn land te ontwapenen, en zijn bedrieglijke en diabolische karakter; (c) de dreiging die Irak vormt voor de VS omdat het Al Qaeda en andere terroristische organisaties steunt; en (d) het voornemen van de President om de veiligheid van de Amerikanen en de hele wereld te beschermen.

De journalisten – door Bush geselecteerd uit een lijst van namen die op zijn tafel lag6 –stelden zo’n twintig vragen. Opmerkelijk genoeg slaagde Bush erin elke vraag te beantwoorden aan de hand van dat model narratief. Er werden vragen gesteld over verschillende onderwerpen, zoals de groeiende aversie in grote delen van de wereld tegen de buitenlandse politiek van de VS, de potentiële kost van de oorlog voor de belastingbetaler in de VS, en het belang van het gebed voor Bush in deze tijden van zwaarwegende beslissingen. Bush ving zijn antwoorden aan met spontane, niet voorbereide zinnen, eerder aarzelend maar met de duidelijke bedoeling het onderwerp in kwestie te bespreken. Tijdens deze spontane momenten kregen we enkele ‘Bushismes’, of wat Michael Silverstein instanties van ‘Presidentiary misspeakingfulness’ (presidentiële missprekelijkheid) zou noemen, zoals de volgende:

‘Those are immeasurable costs… And I weigh those very seriously, Ed, in terms of the dollar amount’ (‘Dat zijn onmeetbare kosten… En ik weeg die zeer ernstig af, Ed, in termen van de dollarhoeveelheid’)

Maar zo snel als mogelijk, en zonder veel gezicht te verliezen, probeerde Bush bescherming te zoeken achter de goed gerepeteerde, gladde regels van zijn model narratief. In het voorbeeld hieronder antwoordde hij op een complexe, driedelige vraag over (i) of deze oorlog geen persoonlijke zaak was tussen Bush en Sadam Hoessein, (ii) of Bush enige informatie kon geven over de worst case scenarios, en (iii) of hij commentaar kon geven op de kosten van deze oorlog voor de VS. Wat volgt is een letterlijke transcriptie van het antwoord. Mijn transcriptie geeft de stilistische opmaak van het antwoord weer, o.m. de verdeling in thematische en stilistische eenheden, en non-verbale informatie tussen rechte haken. De hele vraag-en-antwoordsequentie duurde ongeveer twee minuten.

Ehr… [looks ahead] my job is to protect America
That’s exactly what I’m gonna do
People can ascribe all kinds of eh.. intentions

[looks down] I swore to … protect and defend [looks up] the Constitution
that’s what I swore to do
[raises right hand] I put my hand on the Bible and took that oath
and that’s exactly what I’m gonna do

I believe Saddam Hussein is a threat to the American people
I believe he’s a threat to the neighbourhood in which he lives
And I gotta get evidence for to believe that

He has weapons of mass destruction
And he has USED weapons of mass destruction
In his neighbourhood and on his own people
He’s invaded countries in his neighbourhood
He tortures his own people
He’s a murderer

[looks down and up] He has trained and financed Al Qaeda-type organizations before –
Al Qaeda and other organizations
[looks down and up] I take that threat seriously
And I’ll deal with the threat –
I hope it can be done peacefully

Euh… [kijkt vooruit] mijn job is om Amerika te beschermen
En dat is precies wat ik ga doen
Mensen kunnen er allerlei euh.. motieven in zien

[kijkt neer] Ik heb gezworen… om te beschermen en verdedigen [kijkt op] de Constitutie
Dat is wat ik gezworen heb te doen
[heft zijn rechterhand op] Ik legde mijn hand op de Bijbel en legde de eed af
en dat is precies wat ik ga doen
Ik geloof dat Sadam Hoessein een dreiging vormt voor het Amerikaanse volk
Ik geloof dat hij een bedreiging is voor de regio waarin hij woont
En ik moet bewijzen zien te vinden om te geloven dat

Hij heeft massavernietigingswapens
En hij heeft massavernietigingswapens GEBRUIKT
In zijn regio en tegen zijn eigen mensen
Hij is landen in zijn regio binnengevallen
Hij martelt zijn eigen mensen
Hij is een moordenaar

[kijkt neer en op] Hij heeft Al Qaeda-achtige organisaties getraind en gefinancierd –
Al Qaeda en andere organisaties
[kijkt neer en op] Ik neem die bedreiging ernstig
En ik zal die dreiging aanpakken –
Ik hoop dat dat op een vredelievende manier kan gebeuren

Op dat moment richt Bush zich tot de journalist en vraagt: ‘the rest of your six-point
questions?’ (‘en de rest van jouw zes-puntenvragen?’). De journalist herinnert hem aan de kwestie van de kosten; Bush kijkt neer, kijkt op en antwoordt:

The price of doing nothing exceeds the price of taking action if we have to
We’ll do anything we can to minimize the loss of life
The price of the attacks on America –
The costs of the attacks on America on September the eleventh were enormous
They were significant
And eh… I’m not willing to take that chance again.

De prijs van niets doen overtreft de prijs van actie nemen wanneer we dat moeten doen
We zullen alles doen om het verlies aan levens te minimaliseren
De prijs van de aanvallen op Amerika –

De kosten van de aanvallen op Amerika op 11 september waren enorm
Zij waren zwaarwegend

En euh… ik ben niet bereid om dat risico opnieuw te lopen.

Bush spreekt in een hoogst opvallende stijl, declamerend. Elke regel in de transcriptie wordt gevolgd door een lange pauze, met uitzondering van de regels die eindigen op een koppelteken. Hij spreekt traag, plechtig en in een afgeknotte prosodie, en met veel arallellismes and repetitieve refreinen. Hij kijkt herhaaldelijk neer op wat voor hem ligt op zijn tafel – de verklaring die hij afleverde voor de vragen, de verklaring met alle frases van zijn model narratief. En die frasen krijgen we, in feite krijgen we niets anders. Bush verliest zijn weg in zijn verhaal en moet de journalist vragen hem te herinneren aan de vragen die hij halfweg in zijn antwoord blijkt vergeten te zijn. In het laatste deel van het antwoord zien we hoe hij zijn verklaring herfraseert wanneer hij de directe term costs van de journalist vervangt door price – een term die waarschijnlijk beter aansluit bij het gerepeteerde model narratief, wat een inzicht biedt in de spanning tussen de behoefte om aan het veilige, gerepeteerde verhaal vast te houden en de nood om de vragen van de journalist te beantwoorden. De kern van het antwoord is enerzijds een evocatie van zijn presidentiële taken (I swore, I took an oath, that’s what I shall do), en anderzijds een reeks van beelden over de vijand, Sadam Hoessein, die op sterk persoonlijke wijze worden vertolkt (I gotta get evidence, I take that threat seriously). Doorheen het hele antwoord herhaalt hij alle elementen uit het model narratief van zijn verklaring aan het begin van de persconferentie.

Hij past dit soort van herhalende retoriek niet enkel toe in deze instantie, maar in elk antwoord dat hij geeft op de vragen van de journalisten. De vijfenveertig minuten van de persconferentie zijn een sequentie van telkens aangepaste melanges van dezelfde elementen, de elementen van een eenvoudig, schetsmatig verhaal. Geen enkel groot tv-station zendt natuurlijk de hele persconferentie uit. Ze zenden allemaal de stukjes uit waar ik het hierboven over had. En net als in het geval van de State of the Union-toespraak, gelooft het publiek dat ze een volledig verhaal krijgen door te luisteren naar zo’n enkel stukje, en krijgt dat verhaal ook effectief. Gelijk welk stukje van het antwoord kan in de ether, het publiek zal altijd hetzelfde model narratief horen.

***

Het is zeer onduidelijk wat de eigenlijke functie van het directe publiek is – het Congres in het geval van de State of the Union en de Witte-Huisperslui tijdens de persconferentie. Maar het is duidelijk dat zij niet het belangrijkste publiek zijn. Dat is tv-kijkend Amerika. Zij krijgen hun stukjes toespraak die metonymisch een zogezegde complexe politieke analyse, onderbouwd door expertise, feiten en wijsheid, moeten vertolken. Het levend publiek is deel van het kader van het tv-gebeuren: de State of the Union vereist nu eenmaal een publiek van Congresleden, en de persconferentie heeft een publiek van journalisten nodig, net zoals een boek een cover heeft of een schilderij een omlijsting. Aanwezigheid van een bepaald soort publiek is een generische vereiste die het verschil markeert tussen genres als ‘persconferentie’ en ‘State of the Union’. Het zijn de attributen van de president die democratisch communiceert met verschillende soorten toehoorders die de verschillende lagen en machten van de samenleving voorstellen. De genre parafernalia suggereren op iconische wijze deze democratie, deze president die antwoord moet bieden aan verschillende groepen in de samenleving.

Maar in feite is er slechts één genre en één publiek. Het genre is wat de media aanvangen met de presidentiële woorden: de fabricatie van ultrakorte, indirecte, hoogst suggestieve en iconische replica’s van de ‘president-als-communicator’. En het publiek is tv-kijkend Amerika, miljoenen mensen die geloven dat ze het grote, macroscopische beeld zien door middel van deze microscopische replica’s en die geloven dat zij ‘geïnformeerd’ zijn door deze telescopische suggestie. Op een hoogst ambivalente manier is de pers een handlanger, omdat zij deze reductie van communicatiepatronen produceren als waren het kenmerken van de democratie. Ze moeten wel: het sluit aan bij hun eigen ideologie van de ‘vrije media’ als een hoeksteen van de democratie. Maar het resultaat is dat het Witte Huis een eenvoudige taak heeft: zij voeden de pers met de voorverpakte, retorisch afgewerkte producten die ik hier beschreef, wetende dat de journalisten de eenvoudigste en naïeve of onware verhalen zullen absorberen en ze zullen reproduceren als gecomprimeerde versies van gewichtige, geloofwaardige ‘informatie’. Het Witte Huis weet dat deze trechter van informatie ongekende mogelijkheden biedt om de politiek gewenste model narratieven erin te pompen en steeds maar opnieuw te laten herhalen voor het Amerikaanse publiek. Zij weten dat dit systeem een propagandasysteem is.7

Op bepaalde, korte momenten, wanneer de regels overtreden worden, zie je de regels in werking. Op het einde van een Witte Huis persbriefing op 25 februari 2003, werd de woordvoerder van het Witte Huis Ari Fleischer door een journalist ondervraagd over de geruchten dat de VS allerlei soorten voordelen gaven aan landen die lid waren van de VN- Veiligheidsraad en de VS wilden steunen. Fleischer begon zijn antwoord met het klassieke model narratief dat zo’n landen nu de wereld vertegenwoordigden en de moeilijke taak op zich zouden nemen. De journalist drong echter aan en Fleischer wendde opnieuw een klassieke repliek aan, gelovend dat hij een definitieve slag toebracht:

‘But think about the implications of what you’re saying. You are saying that foreign leaders are buyable. And that is not an acceptable proposition.’ (‘Maar denk aan de implicaties van wat je zegt. Je zegt dat buitenlandse leiders omgekocht kunnen worden. En dat is geen aanvaardbare stelling.’)

Tot zijn verrassing en ongenoegen barstten de perslui spontaan in luid gelach uit. Terwijl het gelach en de sarcastische opmerkingen aanhielden, verzamelde Fleischer zijn papieren en verliet hij de perskamer. Fleischer was duidelijk te ver gegaan in het voeden van de pers met propaganda, en de journalisten zetten hem op zijn plaats. Maar zo doende toonden zij hun bewustzijn aan van de regels van het spel dat gaande was. We drukken gelijk wat, maar dit is er toch over.

***

Binnen deze retorische wereld is Bush een grote communicator, of liever, een adequate communicator. Zijn duidelijk gebrek aan retorische vaardigheden wordt gecompenseerd door het feit dat presidentiële communicatie in de huidige symbolische economie niet iets is dat de president alleen moet doen. Bij gebrek aan goede opvoeringen door de belangrijkste producent, neemt de tweede producer van presidentiële retoriek, de pers, over en fabriceert zij overvloedige, suggestieve, mooi verpakte en stijlvolle retoriek over en in naam van de president. De pers verzekert dat de VS een president hebben die eloquent, gevat, vastbesloten en presidentieel is. De pers doet dit omdat de president de grootste Amerikaanse beroemdheid is, iemand wiens aanwezigheid in de media een absolute vereiste is. De pers moet zich de president toe-eigenen en in zijn naam spreken want ze heeft de beeldspraak van ‘informatie in een democratische samenleving’ nodig om haar eigen legitimiteit te beschermen. Het gevolg daarvan is dat zelfs een erg zwijgzame president politiek kan spreken, en zelfs veel kan spreken. Hij kan op deze wijze beter spreken dan wanneer hij zelf zou proberen de presidentiële retoriek te domineren.

Noten

Deze tekst werd oorspronkelijk in het Engels geschreven en werd vertaald door Chris Bulcaen.

1. Een grote inspiratie tot het stellen van zulke vragen was voor mij het recente boek van Michael Silverstein, Talking politics: The substance of style from Abe to ‘W’ (Chicago: Prickly Paradigm Press, 2003). Silverstein vergelijkt de twee extremen van Amerikaans presidentieel vertoog: Abraham Lincoln en George W. Bush.
2. Silverstein omschrijft dit als ‘those deer-in-the-headlights freeze-ups when the guy was asked a substantial question of fact’ (‘die hert-in-de-koplampen verstarringen wanneer de kerel naar feiten wordt gevraagd’) (ibid.: 86). Volgens de cognitieve linguist Alan Cienki verraden de vele contaminaties, neologismes en verkeerde woordkeuzes van Bush een gebrek aan empathie, aan aandacht voor zijn publiek: ‘many Bushims appear to involve the speaker’s unwitting inability to suppress his own perspective in favour of the audience’s’ (‘vele Bushismes lijken in te houden dat de spreker onbewust onbekwaam is om zijn eigen perspectief te onderdrukken ten voordele van dat van het publiek’) (Alan Cienki, ‘Will new word order embetter us?’, The Times Higher Education Supplement, 2 mei 2003, pp. 18-19). Bushismes worden verzameld op vele websites, zoals http://politicalhumor.about.com/library/blbushisms.htm en http://www.bushwatch.net/english.htm.
3. Silverstein (ibid.: 87).
4. Dit werd door meerdere observatoren opgemerkt. Wanneer Bush de Witte-Huispersconferentie gaf die ik verder zal aanhalen was dat slechts zijn zevende persconferentie. Zijn voorganger Bill Clinton had toen al tien keer zoveel persconferenties gegeven.
5. Silverstein (ibid.: 87) merkt op dat zo’n sleutelwoorden complexe realiteiten samenvatten en begrip ervan suggereren. Ze zijn bovendien vaag genoeg opdat elkeen er zijn eigen concrete agenda, ervaringen en werkelijke levensomstandigheden kan op projecteren. Links of rechts, rijk of arm: iedereen gelooft dat dit over mij gaat. Zij dienen dus elk publiek, ze zijn een retorisch panacee.
6. Bush zelf maakte een ironische commentaar op de structuur van de persconferentie. Op een bepaald moment sloeg hij de poging van een journalist om een vraag te stellen af met ‘I’ll be right back to you – y’know, this is scripted’ (‘jij komt straks nog aan de beurt – je weet, dit is vastgelegd’), en vervolgde met de naam van een journalist uit de lijst voor hem.
7. Het model narratief in het geanalyseerde voorbeeld werd dus niet uitgevonden voor de gelegenheid alleen. Het werd maanden geleden opgesteld en werd steeds maar opnieuw herhaald. Tijdens zijn vijftien minuten durende, aan de natie gerichte televisietoespraak op 17 maart (de toespraak waarin hij het falen van de diplomatie aankondigde en Sadam Hoessein achtenveertig uur gaf om Irak te verlaten), werd hetzelfde model narratief gebruikt.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s