Het rapport van de Commissie Vermeersch: een gemiste kans (1999)

aSem-2-Coussin-ToB

Werkgroep Asiel en Uitwijzing Universiteit Gent (o.a. Koen Raes, Ronald Commers, Gily Coene, Jan Blommaert)

Deze tekst groeide uit informele discussies tussen een aantal academici naar aanleiding van de zogenaamde “Commissie-Vermeersch”. Die Commissie werd opgericht nadat een jonge vrouwelijke Nigeriaanse asielzoeker, Semira Adamu, tijdens een gedwongen terugvoering stikte, omdat de Rijkswachters die haar begeleidden haar in bedwang hielden door een kussen op haar gezicht te drukken. De toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback werd tot aftreden gedwongen, en zijn opvolger Luc Van den Bossche riep z’n goede vriend Vermeersch bij zich om een adviescommissie te leiden.

We verspreidden deze kritiek op het eindrapport van de Commissie-Vermeersch in maart 1999, maar de hele tekst werd nooit gepubliceerd. In het licht van het huidige publieke debat over vluchtelingen, kan de tekst zowel als blik achterom nuttig zijn – heel wat hete hangijzers van vandaag waren ruim vijftien jaar terug al aan de orde – en als argument in het huidige debat dienen.

 Voorwoord

Wetenschappers hebben de taak het woord te nemen en hun standpunten inzake cruciale maatschappelijke vraagstukken kenbaar te maken. Ze behoren in een samenleving zoals de onze tot de zeldzame groepen voor wie vrijheid van onderzoek en meningsuiting een opdracht is eerder dan enkel maar een recht. Wetenschappers hoeven zich in dat soort debatten niet te laten leiden door opportuniteit, politieke berekening of timing. Wanneer een analyse van de feiten bepaalde stellingnamen opdringt, dan moeten ze die stellingnamen aannemen en formuleren. Die vrijheid hebben wetenschappers, al nemen ze die niet steeds, en al wordt het gebruik van die vrijheid niet altijd geapprecieerd.

Het verschijnen van het rapport van de Commissie Vermeersch over de verwijderingsprocedures voor mensen zonder wettig verblijf is voor de auteurs van dit document de aanzet geweest tot een diepe bezinning over de rol van intellectuelen in het maatschappelijke debat. Bij velen ontstond het gevoel dat sommige leden van de ‘Commissie belast met de evaluatie van de instructies inzake de verwijdering’ te ver zijn gegaan, dat er een bepaalde grens was overschreden in verband met het maatschappelijke gedrag van wetenschappers, en dat dit niet onbeantwoord kon blijven. Centraal stond het ongenoegen over (i) de zeer verregaande compliciteit tussen intellectuelen en beleid in het zo belangrijke maatschappelijke debat inzake de asielproblematiek, en (ii) de globale kwaliteit van het rapport, die door velen als volstrekt ontoereikend kan worden beschouwd, en die een negatief licht werpt op wat wetenschappers (in het bijzonder filosofen en ethici) aan ‘expertise’ zouden moeten bijdragen tot maatschappelijke debatten. Zeker in het domein van de asiel- en vreemdelingenproblematiek waar slogans, oppervlakkige feitenkennis, half afgewerkte analyses en goedkope electorale berekeningen zo al de debatten beheersen, zouden empirisch onderbouwde wetenschappelijke interventies een meerwaarde moeten beogen en scheppen. Enkel dan kan een grondige maatschappelijke discussie vorm krijgen en resulteren in een ‘verantwoorde’ aanpak.

Dit document biedt een grondige kritiek op het rapport van de Commissie Vermeersch. Het beperkt zich — dit is belangrijk — tot dit rapport zelf. Het wil aantonen dat dit rapport geen enkele aanspraak kan maken op wetenschappelijke legitimiteit; dat het de notie ethiek op een oneigenlijke wijze aanwendt; dat het asieldebat in dit land erdoor tot een karikatuur herleid wordt; dat het deze problematiek vernauwt tot een kwestie van de ‘techniek van het geweld’ tegen asielzoekers, en dat het daardoor een volkomen misplaatste interventie in het maatschappelijke debat is.

Ons doelwit is de monumentale problematiek van asiel en migratie. We beschouwen dit document dan ook als een eerste stap in een ruimer project. Na de kritiek op het rapport van de Commissie Vermeersch zetten we ons aan het werk aan een heel ander rapport over de asielproblematiek. In dit tweede rapport zullen we een visie op de asielproblematiek ontwikkelen, een ethische onderbouw leveren, en een hele reeks concrete suggesties doen voor een meer fundamentele oplossing van dit vraagstuk.

  1. Scharniermomenten

In de geschiedenis van de politieke hete hangijzers in dit land zijn er momenten waarop men het gevoel heeft dat er iets kan kantelen. Dramatische evenementen zorgen ervoor dat een vastgelopen discussie, een verstard beleid, een algemene apathie, plots doorbroken worden zodat er ruimte ontstaat voor vernieuwend beleid. In het domein van migratie en asiel zien we de laatste jaren twee zo’n scharniermomenten. Het eerste was de begrafenis van Loubna Benaïssa — een dramatisch moment dat plots uitzicht bood op een politieke doorbraak rond stemrecht voor migranten. De golf van autochtoon-allochtone sympathie en solidariteit die ontstond tijdens deze gebeurtenissen leek de vastgeroeste stemrechtkwestie plots te kunnen deblokkeren. Maar het gewone politieke bedrijf verdrong de emotie, en van stemrecht kwam niets in huis. Een historische kans was verkeken.

Het tweede scharniermoment was de dood van Sémira Adamu. Haar overlijden was een metafoor voor een repressief asielbeleid. De schokgolf die erdoor ontstond deed een minister aftreden, deed de ‘sans-papiers’ uit de onzichtbaarheid treden, en gaf aanleiding tot een bezinning over het Belgische asielbeleid. Dat het meer betrof dan alleen maar opgeklopte emoties getuigen onder meer de vele standpunten in de geschreven pers. Verder werd het evaluatieverslag van de Vreemdelingenwet, goedgekeurd door de Senaat op 9 juli 1998, terug opgediept. Tijdens de hoorzittingen van de Senaatscommissie Binnenlandse Aangelegenheden (voorgezeten door Joëlle Milquet) had een aantal organisaties maanden voor het tragische overlijden van Sémira Adamu kritiek geleverd op het gebruik van het ‘kussentje’ bij gedwongen repatriëring, werd een strengere controle gevraagd op het gedrag van de Rijkswacht, en een nauwer toezicht vanwege het parlement op het verwijderingsbeleid. Deze opmerkingen waren dode letter gebleven, en het gevolg daarvan was dramatisch.

In het zog van de commotie rond de dood van Sémira Adamu had de overheid de historische kans om haar asielbeleid ten gronde te hervormen en zich zo een heel nieuw imago aan te meten inzake de behandeling van migratie. De berg baarde een muis: de (nieuwe) minister riep een commissie van deskundigen samen onder leiding van de Gentse emeritus professor Etienne Vermeersch, en deze commissie produceerde in januari 1999 een rapportje gewijd aan de modaliteiten van de uitwijzingsprocedure. In de media-berichtgeving hierover werden enkele adviezen belicht: het feit dat de Commissie Vermeersch het gebruik van het ‘kussentje’ (Sémira Adamu’s moordwapen) verbiedt, haar pleidooi voor zakenvliegtuigen als meest gepaste transportmiddel bij moeilijke uitwijzingen, en enkele aanbevelingen rond financiële ‘incentives’ voor teruggevoerden die geen geweld gebruiken tijdens de repatriëring.

In wat volgt willen wij dit rapportje doorlichten, met de bedoeling aan te tonen dat de historische kans op een grondige herziening van het beleid hierdoor verkeken is. Die kans wàs er wel degelijk, maar hij is deskundig (hier: door deskundigen) de nek omgewrongen. Wij gaan eerst in op de opdracht die de Commissie van de Minister van Binnenlandse Zaken kreeg (sectie 2); daarna staan wij kort stil bij de samenstelling van de Commissie, haar methoden en manier van werken (sectie 3). Daarna bespreken wij het rapport zelf in sectie 4, en gaan in detail in op enkele themata in sectie 5. We formuleren enkele afsluitende bedenkingen in sectie 6.

  1. De opdracht van de Commissie-Vermeersch

In een reactie op kritieken op de beperkte actieradius van de Commissie omschreef Etienne Vermeersch (De Morgen 8 februari 1999) de opdracht van de Commissie als volgt:

‘Een Belgisch minister richt een beperkte commissie ad hoc in, ‘belast met de evaluatie van de instructies inzake de verwijdering’, en wat doet die commissie? In plaats van een nieuw ontwerp van de ‘Universele verklaring van de Rechten van de Mens voor de 21ste eeuw’ op te stellen, evalueert ze de instructies inzake de verwijdering en stelt ze een aantal nieuwe richtlijnen voor.’

Feit en interpretatie, ze liggen vaak dicht bij mekaar. Vermeersch biedt hier een licht geplooide versie van de feiten. De formele opdracht van de Commissie was inderdaad beperkt tot wat Vermeersch hier formuleert. Toch lezen we in het Rapport:

‘De eerste opdracht van de Commissie bestond erin een advies te formuleren omtrent het gebruik van dwang bij de verwijdering van vreemdelingen. Daarnaast stond het de Commissie vrij om suggesties te doen over de vreemdelingenproblematiek in het algemeen of bijzondere aspecten daarvan.’ (p.3)

De Commissie interpreteert zelf haar opdracht ruimer dan in de formulering van de Minister, of ze zegt althans de vrijheid te hebben om ook andere, ruimere aanbevelingen te doen. Het is dan ook niet duidelijk waarom een ‘nieuw ontwerp van een Universele Verklaring van de Rechten van de Mens voor de 21ste eeuw’ als ‘suggestie over de vreemdelingenproblematiek in het algemeen of bijzondere aspecten ervan’ naast de kwestie zou zijn. Het politiek asiel is trouwens opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; er zijn goede redenen om de bepalingen in die Verklaring aan te passen; en tenslotte is het asielrecht niet alleen een bepaald mensenrecht, maar als ultieme garantie van bescherming tegen inbreuken meteen het sluitstuk van de mensenrechtencataloog. Wie m.a.w. de effectieve garantie van universele mensenrechten belangrijk vindt (en de Commissie beklemtoont dit vanzelfsprekend) zal ook een ‘asielrecht’ moeten verdedigen.

Hoe die ‘suggesties over de vreemdelingenproblematiek in het algemeen’ verder in de opdracht moesten worden geïntegreerd was blijkbaar geen eenvoudige zaak voor de Commissie. Vooreerst beperkt de Commissie zelf haar opdracht tot datgene wat ‘eerst’ moest worden gedaan. We lezen:

‘De kernopdracht van de Commissie bestond erin om de geldende instructies inzake de verwijdering van vreemdelingen die niet of niet langer in het land mogen verblijven, te evalueren. Teneinde een adequate invulling [te] geven aan een dergelijke opdracht is het belangrijk gebleken grondig na te denken over de rol van het verwijderingsbeleid in het globale kader van het migratiebeleid, en om hierover een voldoende mate van overeenstemming te kunnen bereiken.’ (p.7)

Hier wordt gezegd dat een goede invulling van die kernopdracht een zekere contextualisering moet inhouden binnen het geheel van het migratiebeleid; elders in het rapport wordt dit belang van de context herhaaldelijk onderstreept. Maar hoe wordt die context eigenlijk behandeld in het rapport? Het is op dit punt dat een voortdurend proces van beperking van de probleemstelling ingezet wordt.

De volgende stap die het rapport zet is, merkwaardig genoeg, het formuleren van de ‘fundamentele juridische uitgangspunten, alsmede de logische consequenties hiervan’. Dit komt neer op een simpele herhaling van het principe uit de vreemdelingenwetgeving, dat vreemdelingen moeten beschikken over geldige documenten willen zij toegang tot het grondgebied verkrijgen en hier rechtmatig willen verblijven. Dit principe wordt eenvoudigweg herhaald en bekrachtigd, ook al is dat bewuste principe nu precies de inzet van het maatschappelijk debat. Eenvoudig gesteld, datgene wat in het onderzoek centraal zou moeten staan wordt meteen afgezonderd als niet ter discussie staande. Dit geldt net zozeer voor de omschrijving van de opdracht: de ruimere taken die de Commissie zichzelf toeschreef worden meteen uit de werkzaamheden gegooid. En dit gaat verder.

Over deze optie zegt de Commissie dat ze zich bewust is van het feit Adat ze hiermee een perspectief hanteert dat aanleunt bij een legalistische benadering’ (p.8). De Commissie is echter ‘niet blind voor het feit dat er in het maatschappelijk en politiek debat omtrent asiel en migratie vaak wordt gepleit ten voordele van andere benaderingen met betrekking tot de verwijdering van vreemdelingen’ (p.8). We krijgen dan in drie paragrafen van enkele lijnen lang een weergave van drie posities in het maatschappelijke en politieke debat: (a) het gedoogbeleid, (b) het regularisatiebeleid, en (c) het ‘open-grenzenbeleid’. Ze worden vermeld, maar niet behandeld. Immers:

‘De Commissie is van mening dat het niet tot haar opdracht behoort om adviezen te geven over deze verschillende fundamentele opties,’ (p.8)

en ze verwijst dit door naar het parlement. Ze doet dit echter niet zonder een korte bedenking: niet alleen aan de verwijdering van vreemdelingen zijn gevolgen verbonden, maar ook aan de niet-verwijdering van vreemdelingen. Met andere woorden: wie pleit voor een grotere soepelheid moet ook rekening houden met de juridische, politieke en maatschappelijke gevolgen van de aanwezigheid van illegalen. De Commissie wil blijkbaar toch wat goede raad mee geven in het vooruitzicht van de parlementaire debatten over dit thema. We lezen:

‘Vooreerst leidt de niet-verwijdering van vreemdelingen tot een aantasting van de rechtszekerheid, aangezien de voorspelbaarheid van het recht sterk gereduceerd wordt ten aanzien van de vreemdelingen die in aanmerking komen voor verwijdering. Op langere termijn kan dit resulteren in puur symbolische wetgeving, die de legitimiteit van de rechtstaat ondergraaft. Op maatschappelijk vlak werkt de niet-verwijdering van vreemdelingen de illegaliteit in de hand, aangezien de betrokken personen zich na verloop van tijd om den brode in kunnen schakelen in clandestiene activiteiten, zoals zwartwerk, of in bepaalde omstandigheden, in criminaliteit. Verder kan men verwachten dat de niet-verwijdering een aanzuigend effect heeft op nieuwe migranten, al dan niet asielzoekers’. (p.8)

Los van het feit dat het hier allemaal gemeenplaatsen uit het maatschappelijke en politieke debat betreft die blijkbaar zo ‘ingeburgerd’ zijn dat ze geen kritische toets meer behoeven (en zelfs geen ondersteuning door feitenmateriaal), produceert de Commissie hier een complex staatje retoriek. Zij beweert namelijk een legalistisch perspectief te hanteren dat de huidige wetgeving boven elke discussie verheven stelt. Ze vermeldt dat er andere opties zijn, somt er enkele op, zegt dan er geen oordeel over te willen vellen, maar doet het toch in de vorm van enkele ‘bedenkingen’. Elke alternatieve en creatieve exploratie van oplossingen is dan ook vanaf pagina 8 van het rapport uitgesloten. Uiteindelijk blijkt zo dat de huidige wetgeving nog het best tegemoet komt aan de bekommernissen van de Commissie: rechtszekerheid (ten aanzien van vreemdelingen die in aanmerking komen voor verwijdering!), het behoud van de legitimiteit van de rechtstaat (die blijkbaar geen symbolische wetgeving verdraagt) en de voorkoming van criminaliteit en de preventie van nieuwe asielaanvragen en immigratie.

Het is, met andere woorden, een ‘optie’, ingegeven door de verwerping van alternatieve pisten en de eenvoudige bekrachtiging en subtiele verdediging van de fundamentele wettelijke uitgangspunten van het huidige verwijderingsbeleid, die leidt tot de inperking van de zelf verklaarde — ruime — adviesmogelijkheden tot één kernvraag, die buitengewoon kleinschalig is:

‘De kernvraag van dit rapport bestaat erin aan te geven op welke manier een evenwicht kan tot stand komen tussen de effectiviteit van de rechtshandhaving enerzijds en het humaan karakter van de verwijderingsoperatie anderzijds. (p.9)

Dit doel wordt door de Commissie geparafraseerd als ‘een humaan verwijderingsbeleid, voornamelijk in het geval van gedwongen verwijdering’, eraan toevoegend dat de Commissie dit in tegenstelling tot andere groepen in de samenleving ‘geen contradictio in terminis’ vindt.

De slotsom bij dit alles is: de Commissie schreef zichzelf  bij de aanvang een zeer ruime opdracht en manoeuvreerruimte toe. Ze bepaalde echter zeer snel dat ze haar werkzaamheden zou beperken tot datgene wat de minister vroeg: advies over de richtlijnen inzake de uitvoering van repatriëringen. De Commissie zegt dat ze het verwijderingsbeleid wil contextualiseren (p.7, cf. boven), maar die context verdwijnt van zodra hij wordt vermeld. Het uiteindelijke resultaat is beperkt tot een ‘ethische verantwoording’ die het eigenlijke rapport moet voorafgaan en die, zoals we verder zullen zien, haaks staat op de rest van het rapport. Dat er hoe dan ook over de ruimere vreemdelingenproblematiek werd gesproken is in het licht van de samenstelling en de werking van deze Commissie eerder verbijsterend. De commissieleden kunnen bezwaarlijk experten in die materie genoemd worden, de beperkte tijd liet naar eigen zeggen geen grondig onderzoek over de ruimere materies toe, en er werden geen echte experten over die materies gehoord. Los van de goede wil en de goede trouw van de Commissieleden moet men een kat een kat noemen: het resultaat is schamel en kan moeilijk ernstig worden genomen. Qua studiewerk is het rapport geen ‘wetenschap’. Qua perspectief is het flinterdun en volstrekt technocratisch. De zogeheten ruimere voorstellen zijn nauwelijks meer dan goedbedoelde gemeenplaatsen. De ethische motivering is niet wat ze voorwendt te zijn. Indien dit een studentenwerk zou zijn, dan zou de student hiervoor flink gebuisd zijn.

  1. Wie is de Commissie-Vermeersch?

De Commissie-Vermeersch was samengesteld voor expertise in een uiterst klein domein: het begeleide transport per vliegtuig van uitgewezen asielzoekers. Ze bestond in hoofdzaak uit leden van de ordediensten en mensen uit de wereld van de luchtvaart. Het rapport zegt in dat verband: ‘De Commissie werd multidisciplinair samengesteld, bestaande uit leden van de Rijkswacht, alsmede uit externe experten’ (p.3). We geven een precies overzicht (cf. bijlage 1 van het rapport, p.30).

Voorzitter: Prof. Em. E. Vermeersch

Rapporteur: Prof. S. Parmentier

Dhr. D. Beersmans, luitenant bij de Rijkswacht, adjunct-hoofd Grenscontrole

Prof. L. Cassiers

Dhr. P. De Grauwe, luitenant-kolonel bij de Rijkswacht

Dhr. J. De Looze, voorzitter Belgian Cockpit Association

Dhr. F. Durinckx, Directeur Luchtvaartinspectie bij het Bestuur der Luchtvaart

Dhr. G. Pyl; Voormalig ondervoorzitter Comité P

Dhr. Y. Segers, Directeur Belgian Cockpit Association

Dhr. E. Vandenbergen, Hoofd SABENA Security

Dhr. E. Vermeulen, Wachtmeester bij de Rijkswacht

Secretaris: dhr. S. Janssen

De identificatie van de leden is uiterst summier. Welk soort professoren Vermeersch, Parmentier en Cassiers wel zijn wordt hier niet vermeld, daarvoor moeten we gaan graven in de nota van de Minister. We kunnen met andere woorden op basis van dit rapport niet nagaan welke expertise zij precies zouden moeten binnenbrengen. We weten evenmin wie dhr. S. Janssen, secretaris van de Commissie, eigenlijk is, en van dhr. Pyl weten we enkel dat hij de voormalige ondervoorzitter van het Comité P is; wat hij thans doet is onbekend. Op deze manier belet men elke vorm van (al dan niet kritische) inspectie van de expertise van een deel van de Commissie. Enkel van de Rijkswachters en de luchtvaartmensen kan men zich een min of meer precies idee vormen. Nu lijdt het geen twijfel dat de expertise van rijkswachters en luchtvaartpersoneel belangrijk is in een materie zoals deze. Maar een breed maatschappelijk debat, of suggesties over de vreemdelingenproblematiek en wetgeving in het algemeen moet men van een commissie met een dergelijke samenstelling niet verwachten, evenmin als stellingnamen die door een degelijke politieke analyse onderbouwd zijn. Het is een commissie die louter door haar samenstelling een uiterst nauw blikveld heeft en enkel in een zeer beperkt domein expertise kan produceren.

Nog in verband met de samenstelling kunnen we opmerken dat enkel de heren vertegenwoordigd zijn. In de Senaatscommissie hadden de dames zich nochtans laten opmerken. De hele gender-dimensie van de asielproblematiek wordt zowel door de samenstelling als door de teneur van het rapport ontkend, al zijn er goede redenen om daar veel meer gevoeligheid voor tentoon te spreiden. Sémira Adamu was op de vlucht voor een gedwongen huwelijk, vele anderen belanden in de prostitutie, nog vele anderen komen als moeder met kinderen. Het geval Sémira Adamu was een geval van een weerspannige vrouw die het slachtoffer werd van het geweld van mannelijke rijkswachters. Waar men ook kijkt, gender duikt steeds op als een centraal ingrediënt van de hele problematiek. Niet zo, echter, in de samenstelling van de Commissie.

We wenden ons nu tot de methoden en werkingsprincipes van de Commissie. De Commissie heeft documenten bestudeerd, lezen we. Delegaties van de Commissie brachten ook werkbezoeken aan de detentiecentra die rechtstreeks verband houden met de verwijdering (Brugge, 127bis, enzovoort), en er vonden blijkbaar uitgebreide gesprekken plaats met de aldaar werkende personeelsleden. Noteer dat het hier ook enkel één van de twee partijen betreft. Van gesprekken met uitgewezen asielzoekers maakt de Commissie geen melding.

Het rapport maakt wel melding van een reeks organisaties die aangeschreven werden voor hun opinie: het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, de Liga voor de Rechten van de Mens, het Overlegcentrum Integratie Vluchtelingen (OCIV), enzovoort (bijlage 2 van het rapport, p. 31). Ze werden echter niet direct gehoord, want

‘vanwege de korte termijn besloot de Commissie geen gesprekken te voeren met vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties inzake vluchtelingen en vreemdelingen’ (p.4).

De Commissie gaat ook op een zeer merkwaardige manier in op de antwoorden van de aangeschreven organisaties.

‘Degene die hierop hebben geantwoord maken interessante opmerkingen, maar vinden dat het niet tot hun taak behoort adviezen inzake dwangmaatregelen te geven’. (p.4)

In het rapport is dan ook geen enkel spoor te vinden van enige bijdrage van die organisaties. Wij hadden graag eens de precieze formulering van de antwoorden van deze organisaties gezien. Men kan immers veel en verschillende redenen aanhalen om te ‘vinden dat het niet tot z’n taak behoort’ adviezen inzake gedwongen verwijdering te geven. Men kan zich bijvoorbeeld verzetten tegen de door de Commissie gehanteerde uitgangspunten, de basisvraag verwerpen, of bezwaren hebben tegen de samenstelling van de Commissie. Maar los daarvan: de enkele organisaties in dit land die een duidelijk beeld hebben van de gehele problematiek en die de onbetwiste centra van expertise zijn (wij denken met name aan het OCIV) worden met een dergelijk zinnetje bedankt voor hun bijdrage. De Commissie heeft hun opinie gevraagd, heeft ze gekregen, vindt ze zeer interessant maar niet ter zake doend, en heeft ze verticaal geklasseerd.

  1. De teneur van het rapport

Hoe zit het rapport zelf dan in mekaar? Het rapport bevat drie hoofstukken en drie omkaderende delen. We geven eerst een overzicht van de ‘echte’ hoofdstukken van het rapport.

Het eerste hoofdstuk is de ‘probleemoriëntatie (p.7-10). Daarin bepaalt de Commissie haar juridische uitgangspunten, haar probleemstelling en het voorwerp van haar advies. Elementen uit dit deel hebben we boven reeds besproken. Het tweede hoofdstuk is een analyse van de situatie van gedwongen verwijdering (p. 10-15). In essentie geeft dit hoofdstuk een overzicht van de diverse fasen van het verwijderingsproces, met speciale aandacht voor de oorzaken van weerstand en geweld bij asielzoekers. Het grootste, en allicht belangrijkste, hoofdstuk is hoofdstuk 3, aanbevelingen voor een humaan verwijderingsbeleid(p.16-28) Daarin worden vijf reeksen aanbevelingen gegeven: (a) Aaanbevelingen van specifiek-curatieve aard, (b) aanbevelingen van specifiek-preventieve aard, (c) aanbevelingen van algemeen-curatieve aard, (d) aanbevelingen van algemeen-preventieve aard en (e) algemene aanbevelingen. We komen hierop verder nog uitvoeriger terug.

Dan komen we bij de ‘omkaderende’ delen van het rapport. Strikt genomen gaat het hier om delen tekst die niet tot het rapport zelf behoren, in de zin dat ze niet te maken hebben met de directe doelgerichte activiteiten van de Commissie. De ‘echte’ activiteiten van de Commissie, d.w.z. de antwoorden die zij formuleert op de haar gestelde vragen en opdrachten, zitten in de drie boven vermelde hoofdstukken. De drie omkaderende delen van het rapport zijn, ten eerste, de inleiding (p.3-4) waarin de Commissie de aanleiding tot haar oprichting geeft (de zaak Sémira Adamu), haar opdracht en samenstelling geeft, en haar methoden en werkingsprincipes aangeeft (zie boven). Vervolgens komt Vooraf: Ethische verantwoording (p.5-7, dit is de precieze titel). Op de inhoud hiervan komen we later nog terug; hier volstaat het vast te stellen dat de ethische verantwoording tekst-structureel gezien niet tot de kern van het rapport hoort; het staat ‘vooraf’, d.w.z. als ‘achtergrond’, ‘randbemerking’ of ‘ten geleide’ en kan bijgevolg zeer gemakkelijk door de opdrachtgever naast zich neergelegd worden. Uit de inhoudelijke bespreking zal ook blijken dat de relatie tussen deze ethische verantwoording en de andere delen van het rapport niet altijd duidelijk is. Het derde en laatste omkaderende deel van het rapport zijn de bijlagen (p.29-31): de lijst van de leden van de Commissie, en de lijst van de organisaties die werden uitgenodigd hun opinie schriftelijk aan de Commissie kenbaar te maken.

Laten we nu even een grondiger kijkje nemen in de hoofdstukken van het rapport. Belangrijke elementen uit het eerste hoofdstuk (‘probleemoriëntatie’) hebben we boven reeds besproken; we zullen ons hier op de hoofdstukken 2 en 3 richten. Daarna bespreken we de (omkaderende) ‘ethische verantwoording’.

4.1 De analyse van de situatie van gedwongen verwijdering.

De Commissie begint met een korte inleiding, waarin al meteen een non sequitur opvalt. De Commissie zegt dat de gedwongen verwijdering de laatste schakel is van elk asielbeleid, het middel dat wordt gebruikt Aals alle andere middelen hebben gefaald’. Dan zegt ze:

Om deze reden heeft de Commissie aandacht besteed aan verschillende aspecten: de juridische basis van de verwijdering, de verschillende stappen in de verwijderingsoperatie, en de vormen van weerstand en verzet die daarbij kunnen optreden.’ (p.10)

Welke de redengevende relatie is tussen beide uitspraken blijft duister, temeer aangezien de selectie van drie aspecten hieruit zou moeten voortvloeien. Zijn er geen andere aspecten, ethische aspecten bijvoorbeeld, aspecten van racisme, of aspecten van de procedure voor de uitwijzing (de ‘andere middelen’ die ‘hebben gefaald’)?

De eerste sectie van het hoofdstuk behandelt de juridische basis. Niet verrassend gaat het hier om een vrij vlak overzicht van wettelijke statuten en terminologie. De tweede sectie betreft ‘de tenuitvoerlegging van de verwijderingsmaatregel’. Hierin krijgen we een overzicht van de echte verwijdering in vijf fasen, beginnend bij de overbrenging van de uitgewezene naar een speciaal detentiecentrum en eindigend bij de overhandiging van de asielzoeker aan de autoriteiten van het land waarnaar hij/zij teruggevoerd wordt (of afgevoerd: het land waarin ze belanden is niet altijd het land van waar ze komen; Sémira Adamu werd als Nigeriaanse naar Togo teruggevoerd). En passant wordt het actieterrein van de Commissie nog verder beperkt: vanaf dit punt blijkt dit rapport niet meer te gaan over de ‘verwijdering van vreemdelingen’, maar enkel over een subcategorie hiervan: de verwijdering van asielzoekers uit gesloten opvangcentra per vliegtuig.

Dit overzicht in vijf fasen wordt hoofdzakelijk besproken in termen van de problemen die men met de teruggevoerden kan hebben: fase twee (de overbrenging naar het vliegtuig) en fase drie (aan boord gaan van het vliegtuig) zijn de fasen waarin de asielzoeker het meest weerstand kan bieden. De derde en laatste sectie van dit hoofdstuk betreft ‘oorzaken van weerstand en geweld’. Op basis van gesprekken met personeelsleden in de verschillende centra komt de Commissie tot de bevinding dat er directe en indirecte oorzaken zijn. De directe oorzaken zijn drieërlei: ten eerste is er de manier waarop de asielzoeker wordt geïnformeerd over het bevel tot uitdrijving; ten tweede is er het beeld dat de asielzoeker zelf heeft van zijn/haar terugkeer naar het land van herkomst (schande, armoede, angst…); ten derde is er sprake van externe aanstokers: geweld ‘op advies van personen en groepen van buiten uit, die hierin een strategie zagen om de verwijderingsoperatie te doen mislukken’ (p.14). De indirecte factoren zijn eveneens drieërlei. Ten, eerste is er de structuur van de binnenruimte van lijnvliegtuigen, die ‘chantage’ (de term die de Commissie gebruikt) vanwege de asielzoeker makkelijk maakt. Het geschreeuw van asielzoekers tegen het enige publiek dat ze hebben, de andere passagiers, wekt al te vaak de sympathie van die andere passagiers op. Ten tweede blijkt dat de kans op weerstand toeneemt naar mate de asielzoekers langer in ons land verblijven. De Commissie stipt aan dat Ahet vooral in deze context is dat de vraag naar regularisatie van bepaalde dossiers zich stelt’. Dit is meteen de enige melding die wordt gemaakt van de regularisatieproblematiek — nochtans een veel belangrijker kwestie in het maatschappelijk debat, getuigen de acties van de u‘sans papiers’ (Noot 2015: na de dood van Semira Adamy ontstonden er maandenlange protesten vanwege ‘sans papiers’)..

Ten derde is er een informatiekloof: ‘het klimaat van onduidelijkheid bij de publieke opinie over de criteria die leiden tot het verwijderen van vreemdelingen, en de motivering ervan’ (p.15). Dit laatste is een bekend motief: als mensen tegen iets zijn, betekent dit dat ze het niet goed begrijpen. De overheid moet dan maar beter informeren, en de publieke opinie zal wel van mening veranderen. Wij willen toch aanstippen dat vele van de organisaties die zich verzetten tegen het uitwijzingsbeleid buitengewoon goed geïnformeerd zijn over ‘de criteria voor uitdrijving en de motivering ervan’. Ze zijn hiermee echter niet akkoord. Dat is iets helemaal anders dan ‘slecht geïnformeerd’ zijn. De Commissie zegt: ‘het moet in een democratie voor iedereen duidelijk zijn welke criteria door de wetgever worden voorgesteld, en op welke wijze de uitvoerende macht die toepast’ (p.15). Vreemd genoeg impliceert de Commissie hier nogal stuntelig dat die duidelijkheid er in een democratie meteen ook voor zou zorgen dat eenieder zich bij die criteria en uitvoeringswijzen neerlegt (of zou moeten neerleggen). Wij zijn allicht naïef, maar in een democratie heeft eenieder ook het recht te protesteren tegen de criteria van de wetgever en de wijze waarop de uitvoerende macht die toepast. Zeggen dat zij die zich verzetten tegen de huidige gang van zaken onvoldoende of onjuist geïnformeerd zijn is hun protest kleineren en ridiculiseren, alsof dit geen oprecht, onderbouwd en samenhangend politiek standpunt zou kunnen zijn.

De Commissie concludeert met een complimentje naar het personeel dat met uitwijzing bezig is. AHoewel de Commissie heeft moeten vaststellen dat een aantal aspecten van het verwijderingsbeleid voor verbetering vastbaar zijn, wenst zij toch ook een aantal positieve elementen te vermelden’ (p.15). De personeelsleden zijn immers goed voor de asielzoekers, en hebben er vaak een goede relatie mee, in die mate zelfs dat het uitwijzen van asielzoekers voor het personeel ernstige psychologische problemen kan veroorzaken. Hiervoor moet, volgens de Commissie, Aadequate en deskundige psychologische steun’ voorzien worden.

Tot zover de analyse van de Commissie. Enkele bedenkingen zijn wel op hun plaats. Eerst en vooral: wel soort analyse is dit? Het is een opsomming van al lang bekende elementen, die niets toevoegen aan de reeds bestaande kennis van de situatie. Het is bovendien een heel selectieve greep uit de trommel. Buiten beschouwing zijn gelaten:

  1. Basisgegevens die het hele opzet een duidelijk perspectief zouden meegeven. Over hoeveel gevallen gaat het per jaar? Wat is de afkomst van deze mensen? Op welke gronden werden ze afgewezen? Hoelang waren ze gemiddeld reeds in het land? Enzovoort. Dat zou ons toelaten na te gaan of het hier om statistisch belangrijke zaken gaat en dus als problematiek representatief is voor de ruimere asielproblematiek, dan wel een naar spektakelpolitiek neigende ingreep in een kleine ‘niche’ van het asielprobleem.
  2. De Commissie gaat totaal voorbij aan de vraag hoe vreemdelingen in de gesloten opvangcentra terecht komen, welk ‘soort’ illegalen men daar aantreft, hoe illegalen over het algemeen voor verwijdering geselecteerd worden, hoe ze opgespoord worden, enzovoort.
  1. Gegeven het feit dat er geen asielzoekers werden gehoord ontbreekt gewoon alles wat de asielzoekers zelf zouden kunnen aanbrengen, bijvoorbeeld in verband met de redenen waarom zij worden uitgewezen, de wijze waarop ze behandeld worden en wat zij zelf als een redelijke oplossing voor hun situatie zien. In het overzicht van de oorzaken van weerstand en geweld merken we geen enkele verwijzing naar het verloop van de procedure die tot de uitwijzing leidt. Het lijkt erop alsof de geweldproblematiek maar begint van zodra de beslissing tot uitwijzing wordt meegedeeld aan de asielzoeker. Maar datgene wat eraan voorafgaat, en dan met name de vaak groteske manier waarop asielzoekers worden ‘onthaald’, geïnterviewd en waarop hun verhaal wordt behandeld, is net zozeer (en dikwijls veel meer) een bron van wrok en weerstand. Asielzoekers kunnen in opstand komen omdat zij zichzelf het slachtoffer vinden van fundamenteel onrechtvaardige procedures waarin zij geen ernstige kans hebben gekregen of omdat ze wel degelijk iets te vrezen hebben. Vrees is immers subjectief en hoeft niet automatisch te verdwijnen van zodra vriendelijk maar beslist wordt meegedeeld dat de asielaanvraag onterecht is.
  2. De invloed van de ordediensten zelf op de oorsprong en het verloop van geweld. Zoals gezegd krijgen de personeelsleden van de centra en de ordediensten een pluimpje van de Commissie. Het feit dat sommigen gratuit geweld gebruiken, genoegen scheppen in geweld, buitengewoon bars, wantrouwig en onvriendelijk omgaan met asielzoekers, en niet zelden racistische uitlatingen aan het adres van asielzoekers doen — dat alles is kennelijk geen factor. Nochtans is het mogelijke vijandbeeld dat vele asielzoekers (vaak met recht en reden) hebben van de ordediensten zonder twijfel een factor in het ontstaan van weerstand en weerspannigheid. Het is echt opvallend doorheen dit rapport hoe geweld systematisch aan de asielzoekers wordt toegeschreven, en niet aan de leden van de ordediensten (deze laatsten gebruiken overigens Adwang’, geen Ageweld’).
  1. Een mate van relativering van het eigen justitiële apparaat. De Commissie gaat doorheen geheel haar analyse uit van een zeer sterk geïdealiseerd beeld van de manier waarop het juridische apparaat in dit land werkt. De wetten zijn volgens haar overduidelijk; de procedure is geen voorwerp van bedenkingen, de ordediensten voeren ‘gewoon maar’ de wet uit — en zo hoort het allemaal, en hierbij hoort geen enkele empirische voetnoot. De hele werking van dit systeem wordt vanuit het systeem zelf beschreven, los van alle mogelijke ‘ruis’. Dat de werking van dit systeem een heel ander gelaat heeft voor de asielzoekers wordt — alweer — niet in aanmerking genomen. Men kan hier even terugdenken aan de woorden van Professor Ela, de Cameroenese theoloog die in januari 1999 op Zaventem gedurende enkele uren werd ondervraagd omdat men hem ervan verdacht een illegaal immigrant te zijn. De bewuste professor was echter onderweg naar Leuven om daar een eredoctoraat van de KUL in ontvangst te nemen. Zijn conclusie was dat indien men dàt soort behandeling van Afrikanen in dit land ‘normaal’ durft te noemen, dit land abnormaal is.
  2. De problematiek van de regularisering wordt helemaal achterwege gelaten. Ze wordt enkel aangestipt in de ‘ethische verantwoording’ en wordt ook daar slechts heel oppervlakkig en behoudsgezind aangekaart (zie verder).
  3. Er wordt in het ganse rapport nauwelijks aandacht besteed aan projecten van vrijwillige terugkeer (duidelijk te onderscheiden van de notie ‘vrijwillige verwijdering’!) als ‘humaan’ alternatief voor de gedwongen verwijdering.

Veel hiervan komt neer op de afwezigheid van het slachtoffer uit de analyse. De analyse is simpelweg geschreven vanuit het perspectief van de Belgische ordediensten; zij zijn degene die elementen opsommen, factoren bespreken en criteria aanhalen. Er is geen spoor van de ervaringen, standpunten of opinies van de asielzoekers. Toch slaagt men er in ‘analytische’ uitspraken te doen over de innerlijke drijfveren van asielzoekers om over te gaan tot geweld en weerstand tegen de uitdrijving. Wie spreekt hier? Wie verwoordt hier de diepe drijfveren van asielzoekers? Wie bepaalt welke factoren ‘echt’ zijn en welke niet?

Wat weten we na dit analytische hoofdstuk? Sta ons toe er even een potje van te maken. We weten dat de uitgewezen asielzoekers sowieso en onverbiddelijk het land uit moeten, dat sommigen hierbij gewelddadig weerstand bieden, en dat de ordediensten hiertegen proportioneel en efficiënt geweld mogen tegenover stellen. Hier spreekt het systeem: het geweld (eufemistisch: de ‘dwang’) van het systeem is altijd rationeel, koelbloedig, geregeld, efficiënt en doelgericht geweld. We weten nu ook dat er in de verwijderingsprocedure een aantal scherpe fasen zijn, waarin de asielzoeker bijzonder gevaarlijk lijkt en waarin de soepele gang van de uitwijzing in het gedrang dreigt te komen. Het gaat om de momenten waarop de asielzoeker zijn/haar beslissing meegedeeld krijgt, het vervoer naar het vliegtuig, het instappen van het vliegtuig. Van dit laatste weten we dat er gênante scènes kunnen ontstaan aan boord van lijnvluchten, wanneer asielzoekers een appèl richten aan het geweten van andere passagiers. We weten ook dat maatschappelijk verzet tegen de uitwijzingen slecht geïnformeerd en misleid verzet is, en dat dit vaak een factor is waardoor asielzoekers overgaan tot gewelddadig verzet tegen de uitwijzing. Dit is de analyse van de problematiek volgens de Commissie-Vermeersch.

4.2. De aanbevelingen voor een humaan verwijderingsbeleid

Dit deel van het rapport — voor de Minister wellicht het belangrijkste deel — vertrekt van een nog nauwer blikveld dan de overige delen: de aanbevelingen slaan ‘op situaties waarin de betrokken vreemdelingen weerspannigheid of verzet vertonen, en overgaan tot het gebruik van passief of actief geweld’ (p.16). Noteer dat de bron van geweld hier alweer uitsluitend de asielzoeker lijkt te zijn. Elders in het rapport worden asielzoekers die hoe dan ook weerstand blijven bieden betiteld als ‘harde kern’, een term die men doorgaans gebruikt in verband met jongere criminelen of hooligans.

De Commissie geeft vijf reeksen adviezen, naast ‘algemene adviezen’ verdeeld over twee assen: specifiek-algemeen en preventief-curatief. Wat dit laatste betreft zien we weer een interessant taalspel. Het is in de wereld van het politiewerk meer gebruikelijk als tegendeel van ‘preventief’ het begrip ‘repressief’ te gebruiken. Hier kiest men echter voor een slap en slecht gekozen eufemisme ‘curatief’ — genezend, verzorgend. We zien verder wel hoe en wat er genezen of verzorgd wordt.

De oefening die we doen is eenvoudig: we zetten alle dertien adviezen gewoon even op een rijtje, voorzien van hun categorisatie in het rapport en samengevat.

Specifiek-curatief

  1. Er moet meer aandacht geschonken worden aan adequate communicatieve vaardigheden bij het personeel belast met de gedwongen begeleiding van vreemdelingen.
  1. Er moeten duidelijke richtlijnen komen i.v.m. dwang, betrekking hebbend op de omstandigheden waarin dwang wordt gebruikt en de dwangmiddelen die geoorloofd zijn. Dwangmiddelen moeten beantwoorden aan de volgende criteria: (a) ze moeten de bewegingsvrijheid beperken zonder gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de betrokkene; (b) ze mogen geen overlast genereren voor de omgeving [?] en (c) ze mogen de veiligheid van de begeleidende personen niet in het gedrang brengen. Dwangmiddelen moeten geregeld geëvalueerd worden op grond van deze criteria.
  2. Zijn verboden dwangmiddelen: (a) middelen die risico’s inhouden voor de gezondheid en de persoonlijke integriteit van de betrokkene, (b) middelen die diens veiligheid in het gedrang brengen en (c) middelen die een uiting zijn van frustratie vanwege de ordehandhavers.
  3. ‘Niet-verschoonbare’ overtreding van deze richtlijnen moet beteugeld worden volgens de geëigende procedures [nota bene: er zijn dus ook ‘verschoonbare’ overtredingen]. In het algemeen moeten alle klachten hieromtrent aangegeven worden aan het Comité P.

Specifiek-preventief

  1. Voor de start van de verwijdering moet de potentiële weerstand van vreemdelingen tijdens de procedure zoveel mogelijk verminderd worden.
  2. De overheid moet het gebruik van geweld door ordediensten continu en gestructureerd controleren en evalueren (ruimer dan enkel de uitwijzingsprocedures)

Algemeen-preventief

  1. Men moet mogelijkheden onderzoeken om vreemdelingen te verwijderen met andere transportmiddelen dan de klassieke lijnvluchten.
  2. De modaliteiten voor vrijwillige terugkeer van vreemdelingen moeten meer aandacht krijgen.
  3. De duur van de procedures tot toekenning van het statuut van vluchteling moet drastisch ingekort worden.
  4. Het aantal ongegronde asielaanvragen moet ingeperkt worden zonder dat hierdoor de bescherming van gerechtvaardigde aanvragers in het gedrang komt.

Algemene aanbevelingen

  1. De materiële omstandigheden waarin uitgewezen asielzoekers vastgehouden worden moeten verbeteren, en sommige detentieplaatsen moeten verbeterd worden.
  2. De communicatie tussen de verschillende diensten belast met de uitwijzing moet verbeteren.
  1. Er moet een regelmatig en gestructureerd overleg komen tussen de verschillende diensten die met de verwijdering van vreemdelingen zijn belast.

Dit zijn de dertien aanbevelingen van de Commissie-Vermeersch. In de media hebben niet de ‘aanbevelingen’ maar de suggesties in de toelichtingen bij de diverse aanbevelingen de aandacht getrokken: de velcro handboeien (onder aanbeveling 2), het verbod op het kussentje op de mond (onder aanbeveling 3), het geven van wat ‘zakgeld’ of drankbonnetjes aan uitgewezen asielzoekers op voorwaarde dat zij geen weerstand bieden (onder aanbeveling 5), het zakenvliegtuig (onder aanbeveling 7), het streefdoel van 0,7% van het BNP voor ontwikkelingssamenwerking (onder aanbeveling 10), de belabberde toestand van transitcentrum 127 en de ‘problematische situatie van de cellen bij het Veiligheidsdetachement van de Rijkswacht op de luchthaven’ (onder aanbeveling 11). Merk echter op dat deze elementen doorgaans helemaal niet prominent worden geformuleerd, vaak tussen haakjes en voorafgegaan door ‘bijvoorbeeld’ of conditionaliswerkwoorden. Feit is dat de aanbevelingen getuigen van bitter weinig inspiratie en diepgang. Ze draaien allemaal rond de gewelddadigheid van asielzoekers, daar waar de zaak Sémira Adamu begon bij verkeerd aangewend geweld vanwege ordediensten. De finaliteit is niet het humaniseren van de uitwijzingsprocedure, maar het verhogen van de efficiëntie ervan,hoofdzakelijk door middel van een verhoogde doelgerichtheid en controleerbaarheid van ‘dwang’ en een maximale reductie van het ‘geweld’ van de asielzoekers.

4.3. De ethische verantwoording

Nu keren we even terug naar het begin van het rapport, naar de zogenaamde ethische verantwoording. Dit deel van de  tekst wordt (in tegenstelling tot de zeer assertieve andere delen) gekenmerkt door aarzelingen en een sterke graad van onbeslistheid. In hetgeen volgt gaan we eerst in op enkele tekst-structurele eigenschappen van de ethische verantwoording; daarna keren we ons naar de kern van de zaak, de al dan niet verantwoordbaarheid van deze adviezen en de manier waarop ethiek verward wordt met politiek in dit deel.

Bij de aanvang van de ethische verantwoording wijst de Commissie op een  gewetensvraag bij haar leden. Ze moeten een advies uitbrengen over het gebruik van dwang, en voorstellen in dit verband zou men ‘kunnen interpreteren als een a priori goedkeuring van het beleid van de Belgische regering in verband met de vreemdelingen’ (p.5). Implicatie: dit soort interpretaties zijn onjuist. Trouwens, zegt de Commissie,

‘Het was niet de taak en het lag ook niet in de mogelijkheden, binnen de beperkte tijdspanne die de Commissie werd toegekend, een adequaat beeld te krijgen en een appreciatie uit te werken van de uitgangspunten, de procedures en de gevolgen van het beleid’. (p.5)

Wat is dat nu? Deze Commissie, dat zagen we tevoren, stelt zich volledig achter de principes die aan het huidige beleid ten grondslag liggen; terzelfder tijd suggereert ze dat dit geen a priori goedkeuring van het Belgische vreemdelingenbeleid mag impliceren, en meer nog, dat ze geen duidelijk beeld noch evaluatie heeft van dit beleid.

We krijgen nog meer merkwaardige uitspraken. Enkele paragrafen verder stelt de Commissie, na te hebben geoordeeld (of beter, geponeerd — elke motivering ontbreekt) dat economische vluchtelingen hoe dan ook niet het Belgische asielsysteem horen,

‘Ondanks deze vaststelling wenst de Commissie te beklemtonen dat het in principe onderschrijven van dit beleid van de Belgische regering geenszins mag worden beschouwd als het vellen van een negatief oordeel over de mensen die — soms met illegale middelen — hier hun toevlucht komen zoeken.’ (p.6, cursief in origineel)

Hier merken we dat de Commissie het Belgische beleidsonderscheid tussen economische en ‘echte’ vluchtelingen in  principe aanvaardt. Maar ze had daar geen beeld of evaluatie van, zei ze daareven? Juist, maar ze stelt zich op een soort dura lex sed lex standpunt: we gaan dit beleid niet diepgaand evalueren; we aanvaarden het dan maar zoals het is; dit schept een gewetensvraag; die lossen we op door vol begrip te zijn voor ‘de diepmenselijke problematiek die bij al deze procedures aanwezig is’ (p.6).

De kern van de ethische motivatie is even vreemd als de rest van dit deel van het rapport. Nadat de Commissie haar onvermogen heeft uitgedrukt om te komen tot een adequaat beeld en appreciatie van het beleid, stelt ze plots:

‘De Commissie gaat er dan ook van uit dat haar advies slechts een aanvaardbaar karakter kan hebben, wanneer minimaal aan de volgende voorwaarden is voldaan.’ (p.5)

Dan volgen vijf punten, alle geformuleerd in de stijl van ‘de regering moet…’, dus als aanbevelingen of uitdrukkelijke wensen van de Commissie. We overlopen ze kort, in parafrase:

  1. Het beleid moet ervoor zorgen dat iedereen die onder artikel 1,A,2 van de Conventie van Genève valt het statuut van vluchteling kan krijgen, en dat binnen een redelijke termijn. Tussen haakjes staat: ‘max. 1 jaar, met inbegrip van de beroepsprocedure’.
  2. De regering ‘zal het nodige doen’ om te komen tot een ‘humanitaire’ interpretatie van dit artikel van de Conventie van Genève, waarbij gevallen waarin de staat onvoldoende bescherming aan burgers verleent eveneens tot het vluchtelingenstatuut kunnen leiden. Europees overleg is hier nodig.
  3. Oorlogsvluchtelingen moeten een tijdelijk statuut krijgen. Ook hier is Europees overleg nodig.
  4. Inzake regularisatie van langdurig verblijvende illegalen ‘onderschrijft de Commissie de minimale criteria’ van de Minister, maar pleit ze voor een soepele interpretatie.
  5. Vanzelfsprekend moet elke maatregel overeenstemmen met de Rechten van de Mens, en specifiek moet ook de Conventie van Tokyo inzake luchtvaartverkeer geëerbiedigd worden.

Alweer: wat is dit nu? De Commissie stelt dat haar advies (d.i. de dertien aanbevelingen boven) slechts aanvaardbaar is wanneer aan deze vijf voorwaarden voldaan is. Terzelfder tijd zijn deze vijf punten geen aanbevelingen van de Commissie, maar staan ze afgezonderd in een ‘verantwoording’. Ook hier moet men met enige verbijstering de vraag stellen waarom deze punten, gezien hun groot belang voor de Commissie, niet als ‘algemene aanbevelingen’ opgenomen zijn in het rapport? Het feit dat iets ‘in het rapport staat’ is immers op zich onvoldoende. Het maakt wel degelijk een verschil uit waar het precies in het rapport staat en hoe het precies wordt verwoord. En wie ooit onderzoek heeft gedaan in opdracht van de overheid weet: datgene wat absoluut door de overheid zou moeten gedaan worden moet als aanbeveling geformuleerd worden. Tekstuele nuances en intertekstuele hiërarchische relaties zijn aan de beleidsmaker zelden besteed.  Zoals het hier staat heeft de reeks voorwaarden geen enkele band met de ‘echte’ aanbevelingen van de Commissie.

Hier is een compromis gesloten. Op p.4 bespreekt de Commissie haar werkingsprincipes. We lezen er dat er werd ‘gestreefd naar unanimiteit’,

‘Zo er afwijkende meningen zouden zijn, dan zouden deze op onpersoonlijke wijze opgenomen worden in dit verslag’.

De ‘ethische verantwoording’ heeft alles van een afwijkende mening. Eén of enkele leden vonden wellicht dat een wat ruimer omschrijving van het werkterrein wel kon, en dat enkele aanbevelingen mochten geformuleerd worden die wat verder gingen dan communicatietraining en betere lokalen op Zaventem. Ze vonden ook dat een mate van sympathie mocht uitgedrukt worden aan het adres van de uitgebuite dompelaars die schuil gaan onder de flatterende term ‘asielzoeker’. Andere leden vonden dat niet. Het gevolg is een tekstueel gewrocht waarbij één deel van het rapport (de ethische verantwoording) in de fa-sleutel staat en een ander (de hoofdstukken) in de sol-sleutel. De sympathie die wordt uitgedrukt voor de asielzoekers in de ethische verantwoording maakt plaats voor een beeld van de asielzoekers als weerspannige ‘harde kern’ die de bron zijn van geweld tijdens de uitwijzing; de sympathie voor de maatschappelijke bewegingen die hen steunen maakt plaats voor een beeld van slecht geïnformeerden en agitatoren die geweld uitlokken bij asielzoekers; de onzekerheid en twijfel omtrent de fundamenten van het beleid maakt plaats voor een dogmatisch-blind aanvaarden van de juridische grondslag van het systeem, een volslagen afwezigheid van bevraging omtrent de hele asielprocedure in de praktijk, en een perspectief dat uitsluitend vertrekt vanuit de belangen van het georganiseerde geweld. De blik, de ervaring en de opvattingen van een betrokken groep volkomen uit de analyse schrappen is een wel erg vreemde vorm van ‘sympathie’ voor die groep (zeker wanneer het object van de analyse het gebruik van geweld is tegen die groep).

Tot daar de stilistische en tekst-structurele opmerkingen. Nu naar de grond van de zaak. Is het huidige vreemdelingenbeleid van de Belgische regeringen niet zelf ook mede oorzaak van een problematiek van illegaliteit in het asiel zoeken? Deze vraag wordt niet gesteld, laat staan beantwoord. Welke rechtvaardiging is er eigenlijk voor het adviseren van de overheid aangaande de deportatie tegen hun wil van mensen die in nood verkeren wanneer men zich niet eens een adequaat beeld heeft gevormd van de uitgangspunten, de procedures, de gevolgen van het beleid van de overheid? Ook deze vraag werd niet gesteld, laat staan beantwoord. De zogenaamde ethische verantwoording, het waardenonderzoek met pro’s en contra’s, is daarom eigenlijk onbestaande. De commissieleden hebben een politiek standpunt ingenomen: de justificatie van het beleid gericht op gewelddadige deportatie van asielzoekers, uitgeprocedeerden, illegalen, en de ethische verantwoording vertrekt vanuit de vooronderstelling dat dit beleid hoe dan ook verantwoordbaar is.

We kunnen er even op wijzen, bij wijze van maatstaf en om duidelijk te maken waar men het debat over de asielproblematiek best situeren zou, dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) volgens de oorspronkelijke taakomschrijving van 1951 een humanitair en een sociaal werk, en derhalve geen politiek werk, moest verrichten. De commissieleden bleven ver, heel ver, onder die uitdrukkelijke bepaling van 1951. Bovendien is het zo dat zij in hun politieke ijver ten behoeve van een vreemdeling-vijandig beleid en in het vervullen van hun beperkte politieke taak eveneens achter blijven op de geest en de letter van de Conventie van 1951 (gewijzigd bij Protocol van 1967) betreffende de status van vluchtelingen. In de Conventie wordt heel algemeen over de vluchtelingen gesproken in volgende termen: de vlucht veroorzaakt door gegronde vrees voor vervolging. Dit is een wat enge bepaling die in de eerste plaats een uitgesproken mannelijk karakter heeft, naar de omstandigheden van de Koude Oorlog verwijst, en een beperkte west-Europese draagwijdte bezit. Toch dient er te worden op gewezen dat in de Conventie van Genève van 1951 wordt aangenomen dat mensen slechts kunnen worden uitgezet om redenen van nationale veiligheid of openbare orde. Zij mogen evenmin worden uitgezet naar landen waar zij aan vervolging zijn blootgesteld, hun leven en vrijheid in gevaar zijn. Die bepalingen scheppen door hun meerzinnigheid problemen bij interpretatie. Zij doen dat des te meer door de tijdsbeperkingen van de Conventie, wat werd onderstreept door de Conventie van 1969, uitgewerkt door de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid en het Cartagena Colloquium van 1984, waarin nieuwe definities van vluchtelingen werden gegeven. In de teksten van 1984 is sprake van mensen die hun land ontvluchten omdat hun leven, hun veiligheid of hun vrijheid worden bedreigd, en dit door veralgemeend geweld, buitenlandse agressie, interne conflicten, erge inbreuken op de mensenrechten, of andere omstandigheden die de openbare orde ernstig komen verstoren. Dat de commissieleden deze gegevens slechts even hebben aangeraakt is onbegrijpelijk. In de eerste voorwaarde die zij aan hun advies koppelen blijven zij binnen de context van Artikel 1, A (2) van de Conventie van 1951.

Hierbij hoort de volgende bedenking. Een eng politieke bepaling van de gegronde vrees voor vervolging kunnen wij vandaag niet langer handhaven onder druk van de omstandigheden die zich tussen 1978 en 1998 hebben voorgedaan, met name de lange periode van liberalisering (d.i. deregulering, sociale ontwrichting), of zeg maar de ‘Thatcherisering’ van de sociale en economische verhoudingen op wereldvlak. In die periode van twintig jaar is er een toename van het aantal vluchtelingen met ongeveer een factor 10 geweest, van ongeveer 2.500.000 naar om en bij de 23.000.000 (cijfers van het UNHCR, rapport december 1998). Door de uitdrukkelijk politieke (en niet wetenschappelijke en ethische) opstelling van de commissieleden werd en wordt volledig voorbij gegaan aan die gegevens.

  1. Enkele eitjes te pellen

Een groot aantal kleine of grote uitspraken en argumenten in het rapport verdienen een iets grondiger en explicieter bespreking. Ze zijn immers zeer misleidend, sloganesk, of ongerijmd. Soms gaat het om kleine lettertjes die aan de aandacht dreigen te ontsnappen maar essentieel zijn in de opbouw van het rapport. We kunnen niet op elk punt ingaan, maar enkele hebben we toch geselecteerd.

5.1.  Er is een diepe ‘common sense’ incongruentie tussen de ‘aanleiding voor de oprichting van de adviescommissie’ en haar ‘methode en werkingsprincipes’ (pp. 3-4). Enerzijds valt al een kleine maar belangrijke beperking op: men maakt geen gewag van ‘oorzaken’ die een evaluatie en/of herziening van de bestaande procedures zouden noodzaken, maar enkel van een ‘aanleiding’, de dood van Sémira Adamu. Die aanleiding wordt bijzonder dramatisch geschetst. De Commissie spreekt van een ‘schokgolf’ die dor het land ging, en van het ontslag van Minister Tobback. Daarop besloot de nieuwe Minister tot de oprichting van de Commissie. Tegenover de zwaarwichtigheid van deze aanleiding staat — naast de enorme beperking van het werkterrein en de merkwaardige samenstelling van de Commissie die al eerder uitvoerig aan bod zijn gekomen — de zeer beperkte arbeid die de Commissie heeft verricht. De Commissie is opgericht op 4 oktober 1998, en heeft daarna vier keer vergaderd over een tijdspanne van drie maand. Deze vier vergaderingen (of vijf? over de inhoud van de oprichtingsvergadering wordt gezwegen; of drie, ervan uitgaande dat de laatste vergadering aan de redactie van het rapport gewijd was?) zouden dan moeten uitmonden in een advies op basis van een deskundig onderzoek van de instructies inzake verwijdering. Gegeven de zwaarwichtigheid van de problematiek, en gegeven het feit dat deze commissie het enige antwoord was van overheidswege op de zaak Sémira Adamu, lijkt dit een wel heel erg ‘offhand’ behandeling van de zaak.

En passant hebben we ook al genoteerd dat de deskundige organisaties zoals het OCIV (Overlegcentrum Integratie Vluchtelingen) omwille van tijdsgebrek niet werden gehoord en dat hun schriftelijke antwoorden verticaal werden geklasseerd. Er is meer. De schriftelijke vraag van de Commissie voor een standpunt van die organisaties werd verstuurd op 21 december, d.i. ruim twee en een halve maand na de oprichting van de Commissie, vlak voor de Kerst- en Nieuwjaarsperiode en precies een maand voor het neerleggen van het rapport. Terwijl voorafgaand overleg met dit soort organisaties absoluut aangewezen was, werden zij slechts ter elfder ure om hun standpunt gevraagd (over een zeer beperkte materie, zoals we eerder aanstipten), op een manier en onder zulk een tijdsdruk dat een ernstig overleg a priori onmogelijk was. Het ‘tijdsgebrek’, dat de Commissie inroept als reden waarom deze organisaties niet direct werden gehoord, is door de Commissie zelf geconstrueerd. De organisaties hebben van de Commissie niet de kans gekregen in ernstig overleg te treden met de Commissie. De hoeveelheid deskundigheid en inzichten die daardoor niét is aangeboord door de Commissie is reusachtig.

5.2. In hetzelfde verband roept ook de meer specifieke beschrijving van de ‘methoden’ van de Commissie heel wat vragen op. De documenten die werden bestudeerd betroffen slechts de regelgeving inzake toegang, verblijf, dwang bij deportatie en veiligheid in de luchtvaart. De ruimere context waarnaar men zo vaak verwijst lijkt ook hier spoorloos. Opmerkelijk is ook het niet nader toelichten van het ‘empirisch vaststellen’ van hoe verwijderingen in de praktijk verlopen. Empirisch betekent in wat ouderwets Nederlands ‘proefondervindelijk’ — kennis die wordt opgedaan via contact met de feiten, met de realiteit, en die niet louter op grond van redeneren of speculatie wordt verworven. In de sociale wetenschap staat empirie gelijk aan een batterij methoden en benaderingswijzen, het is m.a.w. niet zomaar wat rommelen met de realiteit. En wat dat betreft blijft het rapport weer vaag. Betrof het een passieve participatie van de commissieleden aan bijzondere deportaties van mensen, een soort deskundig voyeurisme? Of betrof het een gestructureerd onderzoek van contexten en acties? Wàt hebben de Commissieleden precies geobserveerd? En wie heeft wie geobserveerd? Waren de hoge rijkswachtofficieren aanwezig bij de ‘empirische’ observatie van rijkswachters in actie?

5.3. Opvallend doorheen het gehele rapport is de zorg die wordt besteed aan verwoordingen. Verwoordingen zijn nooit neutraal; ze dragen altijd allerlei associaties en evaluatieve elementen in zich. Daarbij merken we hoe dit rapport baadt in een sfeer van eufemisering. Enkele van die eufemismen hebben we reeds eerder aangestipt: ‘curatief’ in plaats van ‘repressief’ was zo’n voorbeeld, net als het gebruik van een term als ‘dwang’ in plaats van ‘geweld’ wanneer het gaat om geweld vanwege de ordediensten. Maar net zozeer kan men hèt kernwoord van dit rapport aanhalen: verwijdering. Dit is een neutraal gemarkeerde term — een zin zoals ‘ik verwijder mij’ draagt geen connotatie van dwang of geweld, net zomin als ‘ik verwijder een stofje van mijn jas’. Nochtans gaat het hier om gedwongen wegvoering van mensen die dit doorgaans tegen hun wil ondergaan (vandaar de problematiek van weerstand en geweld). Bij die gedwongen wegvoering (die op zich al een vorm is van geweld) wordt de asielzoeker aan een zeer grote hoeveelheid dwang en geweld onderworpen: hij of zij wordt van zijn/haar vrijheid beroofd door de opsluiting in het gesloten opvangcentrum en is vanaf dat punt omgeven door ordestrijdkrachten. Hij/zij wordt met een politievoertuig, geboeid en onder dwang, naar het vliegtuig gebracht, geboeid en in het bijzijn van rijkswachters vervoerd, en bij aankomst overgegeven aan lokale ordediensten. Men kan dus net zo goed spreken van ‘deportatie’. De kern van de zaak is echter dat de term ‘verwijdering’ een perspectief of viewpoint inhoudt: voor wie is iets een ‘verwijdering? En voor wie is dat zelfde voorval een ‘deportatie’. Het antwoord is duidelijk en sluit aan bij de hele perspectivering van dit rapport: de term ‘verwijdering’ sluit aan bij het perspectief van de Belgische ordediensten, en schakelt elke verwijzing naar dwang of geweld uit.

5.4. Doorheen de tekst worden herhaaldelijk verwijzingen gemaakt naar het ‘economische’ karakter van de immigratie, en naar het belang van economische initiatieven om die immigratie tegen te gaan. De commissieleden zijn ervan overtuigd dat bij de asielzoekers en illegalen vooral ‘economische’ redenen een rol spelen. Hoe zij dat zijn te weten gekomen wordt niet verduidelijkt. Het wordt gewoonweg aangenomen, en er op die aanname wordt een hele argumentatie gebouwd die erop is gericht te zeggen en te besluiten dat de ‘economische’ motivering geen basis van het Belgisch beleid mag zijn. Waarom wordt niet eens uitgelegd. Telkens het woord ‘economisch’ wordt gebruikt, werd het tussen dubbele aanhalingstekens geplaatst. Betwijfelen de commissieleden het gegronde van economische motieven? Dat wordt geenszins duidelijk gemaakt. (Dezelfde opmerking geldt overigens het woord ‘humanitair’ in termen zoals ’humanitaire’ interpretatie’).

De commissieleden hebben in hun zogenaamde ethische overweging ook besloten (andermaal zonder naar gegevens te verwijzen) dat de meest zinvolle manier om hulp te verlenen aan ontwikkelingslanden er in bestaat het in de landen zelf te besteden, en wel zo dat de armsten in de bevolking erdoor zullen worden geholpen om meer en meer in hun eigen onderhoud te voorzien. Niet alleen wordt hier uit vage veronderstellingen geredeneerd, bovendien wordt helemaal voorbij gegaan aan de oorzaken van de armoede in de wereld (en buiten de westerse regio). De structurele verbanden tussen de welvaart in het Noorden en de armoede van het Zuiden worden niet eens aangeraakt, en zo vervalt de tekst in een uiterst gratuite stellingname.

Nog meer betwistbaar is de overweging die de commissieleden daaraan hebben gekoppeld. De bedragen voor ontwikkelingshulp gebruiken voor de arme mensen die naar België komen is onrechtvaardig en irrationeel, omdat het bevorderen van die immigratie de landen van oorsprong helemaal niet vooruit helpen. Voor die laatste bewering — andermaal een veronderstelling — wordt geen enkel feit aangedragen. Ze verwijst naar een complex sociaal-economisch geheel van gegevens. Waarom het opnemen van arme lui in België niet sociaal en niet economisch rendabel zou zijn voor de mensen in de landen van herkomst, blijft een raadsel, vooral als men weet dat bepaalde delen van Marokko en Turkije economisch in zeer belangrijke mate draaien op inkomsten uit de migratie. Maar bovendien zijn enerzijds het besteden van geld voor ontwikkelingshulp in de landen waar emigratiebewegingen op gang zijn, en anderzijds het besteden van geld aan opvang, opvoeding, scholing, enzovoort van immigranten (ten gunste ook in de eerste plaats van het land van ontvangst!) niet aan elkaar tegengesteld, integendeel.

Tenslotte moet worden opgemerkt dat de commissieleden voorbij gaan aan de immense politieke verantwoordelijkheid van zaken- en beleidskringen in de Europese en westerse landen voor de armoede, de oorlog en de uitbuiting in deze landen die door emigratie worden getroffen. Dat is een centraal punt van ethische aard dat in dit rapport helemaal wordt verwaarloosd. Het is een punt dat men nogal snel onder de ‘ver van mijn bed’ redeneringen onderbrengt, maar dat voor het herdenken van een visie omtrent asiel en migratie essentieel is.

5.5. In dezelfde context wekt de oproep om ‘de steun aan buitenlandse studenten aan een onderzoek te onderwerpen’ onze ergernis op (p. 25). De Commissie stelt zich de vraag ‘of deze steun niet beter wordt verleend om ter plaatse een academische of andere hogere opleiding mogelijk te maken’. Dit is een typische losse redenering waarin een uitermate complex probleem wordt gereduceerd tot een eenvoudig ‘of-of’ schema. Ofwel laten we die vreemde studenten hier studeren, ofwel thuis. Vooreerst: hier zien we twee maten en twee gewichten opduiken. Terwijl wij onze Vlaamse studenten moeten aanmoedigen om deel te nemen aan Erasmus- en Socrates-uitwisselingen, en onze universiteiten een actieve ‘Werkgroep Internationalisering’ hebben, moeten Derde-Wereld studenten best thuis blijven studeren.

Ten tweede: dit getuigt van een verregaande wereldvreemdheid. Kan men zich inbeelden hoe een Derde Wereld universiteit er in werkelijkheid uit ziet? Kan men eens uitleggen hoe zelfs massale investeringen een verandering op korte termijn — het betreft hier immers een ‘of-of’ redenering — zouden kunnen teweeg brengen inzake infrastructuur, aanwezige didactische materialen, boeken, internet-faciliteiten, en (laat ons toch niet dat cruciale ingrediënt van ons academisch systeem vergeten) reiskredieten en mogelijkheden tot bijscholing en wetenschappelijke arbeid in het buitenland? Dit is volkomen illusoir. Ten derde: van welk vergelijkingspunt gaat men uit? Een Afrikaans student heeft nu al oneindig minder kansen op een studiebeurs voor het buitenland dan een Belgisch student. Een bestaande ongelijkheid gaat men nog verder uitvergroten.

Ten vierde: wanneer men spreekt over de massale tewerkstelling die uit die steun aan universiteiten zou voortvloeien, dan heeft men kennelijk weinig noties van de omvang van het academische milieu in bijvoorbeeld Afrika. Tot voor kort telde Tanzania, een land met een bevolking van om en bij de dertig miljoen, zevenduizend universiteitsstudenten. Omgezet naar ons milieu komt dit neer op één universiteit van de omvang van de Universitaire Instelling Antwerpen voor België en Nederland samen. Een Afrikaan heeft sowieso al oneindig minder kans op universitair of hoger onderwijs dan een Belgische jongere — kan de commissie ons enkele Afrikaanse landen opsommen waar een echt egalitair en sociaal onderwijs op post-secundair niveau bestaat? Worden deze uiterst kleinschalige en armzalige universiteiten dan de economische groeipolen van het land?

Het is moeilijk om deze uitspraken in het rapport anders te lezen dan als een slecht gedocumenteerde oproep tot ‘hou ze hier vandaan’. Dit heeft absoluut niets te maken met het verhogen van de intellectuele capaciteit in Derde Wereld landen, integendeel. Men moet de realiteit erkennen, dat de enige mogelijkheid voor Afrikaanse academici om een niveau van wetenschappelijke excellentie te bereiken vandaag de dag jammer genoeg neerkomt op studeren in het westen. Hen dat afnemen is hen nog verder de afgrond in duwen. In plaats van een ‘of-of’ redenering is een ‘en-en’ schema hier op zijn plaats: investeer véél meer in de Derde Wereld universiteiten, en trek terzelfder tijd het aantal buitenlandse studiebeurzen fors omhoog. Als men dat niet doet, waar gaat men dan de vele nieuwe goed opgeleide academici halen die (in een droomscenario) die vernieuwde en versterkte universiteiten gaan bemannen?

5.6. Nog een voetnoot bij de ‘ethische verantwoording’ die wel zeer mager uitvalt. Het rapport stelt ‘wanneer wij als individu één voor één met deze mensen [de vluchtelingen] zouden worden geconfronteerd’ zouden wij ‘geneigd’ zijn ‘telkens weer een uitzonderingsmaatregel voor te stellen; maar het ene geval is al schrijnender dan het andere en door al deze afzonderlijke toegevingen zou de regel zelf veranderen’. Inderdaad,  de regel zou wellicht verdwijnen, en dit is voor de Commissie ondenkbaar. Het argument dienaangaande is merkwaardig en berust op een ongemotiveerd ‘slippery slope’ scenario:

‘zodra echter bekend zou worden [!] dat de regels werden versoepeld, zou de vloed van migranten toenemen en wanneer men ook die tot het land zou toelaten, zou dat in strijd zijn met het bovenvermelde principe dat alleen verbetering van de toestand in de landen van oorsprong zelf, uiteindelijk een oplossing biedt’. (p.6)

De ‘regels’ zijn blijkbaar nodig om het uiteindelijke heil te bewerkstelligen (wiens heil?) Bovendien leidt een flexibele toepassing (of  het verdwijnen) van de ‘regels’ niet noodzakelijk tot een toename van het aantal immigranten, tenzij men niet in het effect van (de alom bepleite) structurele hulp gelooft — wat de Commissie blijkbaar doet, gezien zij argumenteert dat niet-verwijdering de facto een ‘een aanzuigend effect’ heeft. Niet-verwijdering heeft inderdaad een aanzuigend effect, als ontwikkelingshulp werkelijk ontoereikend is. Wie — in tegenstelling tot de ‘ingezetenen’ van de Commissie — tóch in de doelmatigheid van ontwikkelingssamenwerking gelooft, evenmin als wie daar niet in gelooft maar niettemin een noodlijdend mens wil helpen, heeft geen behoefte aan ‘een vaste richtsnoer’. Een vaste richtsnoer is bijgevolg niet noodzakelijk en het pleidooi voor ontwikkelingshulp is een schaamlapje.

Wat meer is, de noodzaak van het uitwijzingsbeleid wordt nergens gestaafd; de Commissie gaat er gemakshalve van uit dat er uitgewezen moet worden. En daarom begaat zij wanneer het ‘waarom’ ter sprake komt telkens opnieuw een ‘petitio principii’. Het is inderdaad zo dat de ‘rechtszekerheid’ wordt aangetast als er mensen in het land blijven die ‘eigenlijk’ moeten verdwijnen, m.a.w. als verwijdering noodzakelijk is; de illegaliteit wordt inderdaad in de hand gewerkt, als ze illegaal moeten blijven; het is zo dat een versoepeling van de regels een aanzuigend effect heeft, als een dergelijke versoepeling wel degelijk een aanzuigend effect heeft (p. 6 – p. 8). ‘Om de hierboven geschetste redenen’ (p. 9) komt volkomen te vervallen.

De leden van de Commissie pleiten voor een legalistische benadering die zich afzet op basis van een ‘logische connectie tussen normstelling en normtoepassing’. Wij willen opmerken dat deze logische, i.c. noodzakelijke connectie niet bestaat. Zij bestaat alleen in hoofde van mensen die niet bij machte zijn de dingen anders te denken en daarom de uitgangspunten maar in zichzelf funderen. Als zodanig is de Commissie, in weerwil van het profiel dat ze zichzelf toemeet, de spreekbuis van een ‘passieve’ politiek.

  1. Conclusie: status quo en intellectuele servitudes

Wij vatten nu enkele bevindingen samen.

  1. De Commissie-Vermeersch voorzag voor zichzelf een zeer ruime opdracht, maar heeft die uit eigen beweging beperkt tot een zeer nauw geheel aan kwesties, die alle te maken hebben met de techniek van het verwijderingsbeleid.
  2. De Commissie was trouwens van bij het begin in die zin samengesteld, met een zeer groot overwicht van rijkswachters en luchtvaartpersoneel. De rol van professoren daarbinnen is zeer onduidelijk.
  3. De Commissie heeft alle ruimere kwesties van meet af aan van tafel geveegd, incluis standpunten van deskundige organisaties. De Commissie heeft haar activiteiten volledig toegespitst op de werking van het personeel belast met de uitwijzing. Van informatie vanwege asielzoekers zelf wordt geen melding gemaakt.
  4. Daardoor neemt de Commissie doorheen heel haar rapport uitsluitend het perspectief in van het Belgische beleid en haar uitvoerders.
  5. Centraal in het rapport staat de problematiek van geweld veroorzaakt en uitgevoerd door de asielzoekers; in de mate dat dit een hinderpaal is voor de efficiëntie van de uitwijzingsprocedure is dit een centrale bekommernis van de Commissie. ‘Humane’ suggesties (zoals de inkorting van de duur van de aanvraagprocedure) hebben vrijwel steeds te maken met het verlagen van het gewelddadige potentieel van asielzoekers.
  6. De dertien aanbevelingen die de Commissie formuleert hebben ook alle te maken met het reduceren van geweld bij de asielzoekers; wat betreft geweld vanwege de ordediensten roept de Commissie enkel op tot duidelijke richtlijnen, doelmatige controle en desnoods sancties in geval van misbruik van dwang.
  7. Wat opvalt is het beperkte aantal aanbevelingen en de zeer algemene bewoordingen waarin ze geformuleerd zijn. De Commissie had best veel meer en veel specifieker adviezen kunnen formuleren. Heel wat dingen die men achteraf dik in de verf heeft gezet zijn helemaal geen aanbevelingen van de Commissie.
  1. De ethische verantwoording van de Commissie stelt een aantal algemene ‘voorwaarden’ voor, waarvan de relatie met de eigenlijke adviezen in het rapport volkomen onduidelijk is. Deze verantwoording staat strikt genomen ook los van het eigenlijke rapport en vertegenwoordigt duidelijk een ‘minderheidsstem’ binnen de Commissie. Punten uit de ethische verantwoording worden in andere delen van het rapport ook tegengesproken.

Wij zegden bij de aanvang dat de berg een muis heeft gebaard. De publieke roep om een herziening van de Belgische asielprocedure ten gevolge van het overlijden van een asielzoekster na de toediening van een dosis geweld vanwege rijkswachters heeft dit opgeleverd: een kort rapportje, opgesteld door deskundigen van luchtvaart en rijkswacht wiens expertise begint van zodra de asielzoeker in Steenokkerzeel belandt en op een vliegtuig moet gezet worden, en handelend over de beteugeling van het geweld, niet tegende asielzoeker, maar cynisch genoeg van de asielzoeker. En dit, het weze herhaald, door een commissie die de kans had heel wat ruimer themata aan te snijden, heel wat meer aanbevelingen te doen, een grondige doorlichting van het hele asielbeleid uit te voeren. De Commissie heeft gekozen voor een radicale verdediging van de status quo: techniciteiten bespreken terwijl men de fundamenten ongemoeid laat.

Wat ons tegen de borst stuit is de manier waarop enkele academici hier als schaamlap gebruikt worden voor optredens in een Commissie waarin ze niet thuishoren, in een domein van expertise dat het hunne niet is (types van handboeien, de structuur van de passagiersruimte in vliegtuigen, de hoge instap van rijkswachtvoertuigen), voor het formuleren van een boodschap waarvoor men geen academicus nodig heeft, en die bovendien in een zeer handige retorische beweging de beklaagde in dit alles — de rijkswacht — omtovert tot het slachtoffer van potentieel geweld vanwege asielzoekers, en omgekeerd de slachtoffers tot beklaagden maakt. Deze omkering moet men dan maar eens zien te rijmen met de ethische verantwoording die de Commissie voor haar advies geeft.

Deze Commissie is een illustratie van een meer algemeen probleem, dat zich met name stelt voor sociale wetenschappers: de soms verregaande servitudes die van ons verwacht worden ten overstaan van het beleid. Velen onder ons zijn maar al te verguld wanneer een Minister of openbaar bestuur hen uitnodigt om hun licht te laten schijnen over één of andere (niet altijd even) belangrijke problematiek. Het levert (naast wat fondsen en soms een functie) een gevoel op van maatschappelijk belang en van academische prominentie. De prijs die men er vaak voor betaalt is dat men eigenlijk dient als buiksprekerspop voor het verkondigen van de standpunten van de opdrachtgever. Veel onderzoekers moeten dingen zeggen die hun beleidsmensen-opdrachtgevers niet zelf durven of willen zeggen; hun zogeheten wetenschappelijke objectiviteit maakt hun uitspraak a-politiek en moeilijk aanvechtbaar, en de beleidsmaker haalt dank zij dit gezag van de onderzoeker zijn of haar politieke slag thuis.

Dit systeem van servitudes is zeer aantrekkelijk: het brengt vaak grote opbrengst voor weinig werk. Terzelfder tijd stelt het ernstige deontologische problemen. Wij spreken nu voor onszelf: als een opdracht niet uitvoerbaar is, onnozel is, of wetenschappelijk oninteressant of onbetekenend, dan weiger je hem. (In die optiek moet deze Commissie zich niet verschuilen achter tijdsgebrek: als de opdracht niet uit te voeren is binnen het toegemeten tijdsbestek, dan weiger je hem of je eist meer tijd voor het onderzoek). Als er een conflict rijst tussen de eigen bevindingen en standpunten en die van de opdrachtgever; dan kies je voor je eigen bevindingen en standpunten; als de gewenste realiteit botst met de zelf waargenomen realiteit, dan primeert de zelf waargenomen realiteit. En als dit alles inhoudt dat de opdrachtgever ontevreden is, tant pis. En in ieder geval voert men elke aangenomen opdracht uit naar best vermogen, met inzet van alle intellectuele middelen, en steeds gericht op de issue, niet op wie zich de issue toe-eigent. Academici kunnen hun maatschappelijke functie slechts vervullen wanneer zij zich op geen enkel ogenblik laten leiden door opportuniteit of real-politieke berekening. Doen zij dat wel, dan zijn ze binnen de kortste keren entertainment-figuren.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s