De lotgevallen van de Witte: Over privileges, rechten en macht.

 

28084233171_9760955564_b

Jan Blommaert

Er gaat al een tijd een nieuw verhaaltje rond in de wereld van de antiracistische actie. het verhaaltje draagt de titel “white privilege”, heeft zijn origines in de VS en steunt, in zeer uiteenlopende gradaties van accuraatheid, op het werk van Frantz Fanon en het begrip “intersectionaliteit” – het feit dat diverse vormen van identiteit dooreen geweven zijn en dat zo diverse vormen van “privilege” in diverse combinaties kunnen voorkomen in de samenleving. Dit verhaaltje is deel van wat men “identiteitspolitiek” noemt, en het moet komaf maken met lange tradities van (“linkse”) strijd tegen onrecht en uitsluiting, want die traditie was, zoals het nu heet, “kleurenblind”.

De intrinsieke complexiteit van intersectionaliteit (die inhoudt dat men telkens weer de concrete vormen en combinaties moet onderzoeken) wordt doorgaans nogal stevig vereenvoudigd tot dat ene punt: white privilege. Dat “witte” privilege ziet men als iets abstracts, structureels: het structurele en absolute feit dat – concreet gesproken – de “witte” man van middelbare leeftijd dominant is. Iemand zoals ik dus. Daardoor zijn zelfs “witte” mensen die in de goorste armoede en onderdrukking leven nog steeds geprivilegieerd, en is dit alles voornamelijk een zaak van bewustwording. De witte man is zich niet bewust van zijn privilege, en moet zichzelf dus in vraag durven stellen. In afwachting van die bewustwording is die witte man de slechtst mogelijke stem in het debat over racisme, sexisme, discriminaties allerhande. Want onbewust en op een abstract niveau heeft hij bij die vormen van uitsluiting altijd alle voordeel. Wie dat ontkent zet gewoon de dominantie van die witte man verder, en is dus geen legitieme stem meer in het debat.

Het is die simplistische versie van intersectionaliteit die men nu in het strijdperk gooit. In debatten, opiniestukken en slogans worden de “witte” (mannelijke) gezichten geteld en windt men zich op over de afwezigheid van “niet-witte” (vrouwelijke) stemmen. Er worden onmiddellijk conclusies getrokken inzake legitimiteit, deskundigheid en rechtvaardigheid. Deze muzak-versie van antiracisme wordt in ruime kring zeer ernstig genomen, onder meer omdat kritiek erop zeer moeilijk is. Het argument van wit privilege legt de “witte” het zwijgen op, en als die “witte” doorgaat met kritiek, dan is het gewoon omdat hij wit is – zodat elke mogelijke actie een bevestiging moét zijn van het kadertje. Dat is als politieke aanpak niet erg netjes, zeker omdat zowel de structuur als de effecten ervan een spiegelbeeld zijn van het racisme dat het moet bestrijden.

Net daarom moét kritiek, en er is heel wat kritiek te geven op de diverse versies waarin dit verhaaltje de ronde doet. Ik beperk me hier tot drie punten.

Liever rechten

Eén: de term “privilege” zelf start een moraliserende frame en dekt de feiten niet. Een privilege is een voorrecht dat men vanuit willekeur geniet; het is ook individueel, of althans “privaat”. Het probleem is dat de term in de praktijk wordt gebruikt voor dingen die, veel accurater, gewoonweg rechten zijn. Burgerschap is geen voorrecht maar een recht; onderwijs en sociale mobiliteit zijn geen voorrechten maar rechten; het starten van een onderneming is geen voorrecht maar een recht; jezelf ontplooien is geen voorrecht maar een recht; het behoud van privacy is geen voorrecht maar een recht; arbeid is geen voorrecht maar een recht; een eerlijk loon voor geleverd werk is geen voorrecht maar een recht. Wanneer die rechten in de feiten niet op gelijke wijze toebedeeld worden, dan spreekt men van onrecht. En wanneer ze wel op gelijke wijze toebedeeld worden dan spreekt men niet van privilege, maar van de normale toestand in een rechtsstaat. Niemand verdient een privilege; op gelijke wijze deelnemen aan datgene wat een rechtstaat te bieden heeft is dan ook geen onterecht toegekend privilege, maar het politieke en juridische “nulpunt”.

De feitelijke discriminaties die mensen met een migratieachtergrond ondergaan zijn vormen van onrecht in de publieke sfeer, geen afwezigheid van privileges in de private sfeer, waarvan anderen onterecht genieten. Je bestrijdt die discriminaties dan ook best niet door het tegendeel ervan voor te stellen als een onterecht veroverd individueel voordeel; wel door de discriminaties te zien als onterechte structurele vormen van onrecht, die men publiek en in termen van harde rechten moet aanpakken. En er is nog een verschil. Tegenover privilege staat geen enkele verplichting; terwijl rechten steeds voorwaardelijk zijn en een reeks plichten inhouden. Mijn rechten op mobiliteit, bijvoorbeeld, zijn voorwaardelijke telkens ik mijn paspoort moet tonen aan een grens, want ik kan elke keer de toegang geweigerd worden tot het land dat ik wil bezoeken. En ik heb, om mijn rechten te genieten, de plicht om die van anderen niet te schenden. Ook dat, ik hoop dat dit duidelijk is, heeft niets te maken met “privilege”.

Het debat voeren met behulp van een rechten-discours schept daardoor opperste helderheid; het privilege-discours vervalst het debat. Discriminaties raken het hart van de rechtsstaat en leggen cruciale pijnpunten bloot in het functioneren ervan. Ze moeten op dat niveau aangekaart worden, en niet gereduceerd worden tot een softe, gemoraliseerde en geprivatiseerde karikatuur ervan. “Bewustwording” is geen oplossing voor discriminaties; volle en afdwingbare rechten zijn dat wel.

Wie zijn de elites?

Twee: wat dan het witte karakter van privilege betreft, hier verwijst men graag naar het koloniale verleden dat het bewustzijn van de “witte” mensen – onbewust weliswaar – nog altijd doordrenkt. Het is die geschiedenis die dat privilege zijn stabiliteit, z’n absolute karakter geeft. Willens nillens zal je als “witte” steeds dat kolonialisme blijven reproduceren, en zal je ook altijd een dominante rol spelen tegenover anderen: de witte man is nu eenmaal de wereldwijde elite. Tenzij je je, als witte, daarvan “bewust wordt” uiteraard.

Dit argument loopt op talloze manieren mank. Over kolonialisme bijvoorbeeld. Geen kwaad woord over Fanon wanneer ik in de buurt ben. Maar ik heb zelf, lang geleden, leren denken over globalisering met behulp van de Wereld-Systeem Analyse van Wallerstein, Arrighi en anderen, en de Dependencia-theorie van André Gunder Frank. Bij allebei stelt men dat het kolonialisme nooit is geëindigd, en dat uitbuiting op alle schaalniveaus het effect is van netwerken van wereldwijde elites van geld, wapens en politiek. Die elites zijn dus “wit” zowel als “zwart”, en het systeem van koloniale en neolkoloniale uitbuiting werkt maar omdat die diverse elites er intensief in samenwerken. Mobutu, Marcos en Pinochet waren zo’n elite figuren, de leiders van Saoedi-Arabië, Azerbeijan, Dubai en Nigeria eveneens. Het verzet tegen die elites – ook dat leest men bij Wallerstein en anderen – was en is altijd een zaak van de grote meerderheid, ongeacht de kleur. Want het is de grote meerderheid, in alle kleuren, die het slachtoffer is van die genetwerkte veelkleurige elites. Fanons Damnés de la Terre zijn niet enkel de gekoloniseerden. Het zijn de “verworpenen der aarde” uit de Internationale, waaraan Fanon in zijn werk ook de gekoloniseerden toevoegt.

Deze wereldwijde elites zijn geen elites omwille van de “privileges” die ze bezitten. Ze zijn de elites van de macht. En naast de afwezigheid van een rechten-discours is dit de tweede fatale zwakte van het “white privilege” verhaal: het heeft niets te vertellen over macht. Wat is macht dan in de visie van Wallerstein en anderen? Alvast geen latent en abstract gegeven dat als restfractie van een mythische geschiedenis de witte massa domineert, wel de concrete capaciteit om het leven van een hele bevolking te bepalen, er de sociale, politieke en economische trajecten van te controleren, en ze met alle middelen te dwingen tot specifieke vormen van gedrag. Het is dus niet de macht die men via de omweg van “white privilege” wil toekennen aan een dakloze zonder migratieachtergond. Dié macht is gewoon een fictie.

Wat het “white privilege” verhaaltje dus niet doet, is de macht zoeken waar ze werkelijk ligt. Neen, ze smeert de macht uit over een oneindig aantal “witte mensen”, zodat ze in wezen onzichtbaar wordt en nooit onder vuur komt te liggen. Een witte dakloze “bewust maken” van z’n historisch privilege, of een witte deskundige van het spreekgestoelte weghonen omdat hij vanuit z’n privileges spreekt: dàt wordt nu voorgesteld als een strijd tegen de macht. De echte macht zal daar hartelijk om lachen.

Depolitisering

Dat brengt me tot punt drie. Het verhaaltje depolitiseert racisme en antiracisme. Het loopt in een heel ruime bocht rond de échte macht, het echte onrecht en de echte structurele ongelijkheden, en vervangt die door een passe partout strategie van moralisering en “callout”-intimidatie, die identiek is aan de strategieën die het moet bestrijden. Men kent mensen (zowel zichzelf als de tegenstanders) politieke posities toe die ze in werkelijkheid nooit kunnen bekleden, en men ziet de échte posities, de echte elites en de echte ongelijkheden over het hoofd. Men schrijft medestanders daardoor standpunten toe die ze nooit innamen, innemen of zullen innemen, en dit louter op grond van wat in het vage verhaaltje logisch lijkt.

Een mooi voorbeeld daarvan is het gebruik van de term “kleurenblindheid”. Het afwijzen van “kleur” als politiek onderscheid wordt van de hand gewezen, want “dat onderscheid is nodig, omdat mensen op basis van kleur in maatschappij waarin we leven (on)bewust (negatief) gecategoriseerd worden.”  Het is een prachtige cirkelredenering – kleur is nodig omdat het fout gebruikt wordt, waardoor de fout versterkt wordt.  En het zit vol vaagheid – zie de haakjes rond “on” en “negatief”. Die zogenaamde kleurenblindheid is een oud Verlichtingsprincipe: het is de kern van de gelijkheidsgedachte. En in politieke actie is die kleurenblindheid net géén weigering om kleur (en gender, religie, klasse en zo meer) te erkennen als element van ongelijkheid, maar een actieve weigering om ze te reproduceren als factor van ongelijkheid.

Ik herhaal dit punt even in nog duidelijker termen. De zogenaamde “kleurenblindheid” is geen ontkenning dat er kleuren (of genders, religies, klassen enz) zijn, en evenmin een ontkenning – of gebrek aan “bewustzijn” – dat die dingen een historische rol hebben gespeeld en spelen als factoren van onrecht en ongelijkheid. Het is de weigering om die dingen voort te zetten als factoren van onrecht en ongelijkheid, doorgaans op basis van een behoorlijk scherp besef (of “bewustzijn”) van de rol die ze speelden en spelen.

Men hoeft dus heus geen Moslim te zijn om te protesteren tegen discriminaties van Moslims; men hoeft geen vrouw te zijn om zich achter de slachtoffers van sexueel geweld te scharen; men hoeft geen kankerpatiënt te zijn om te protesteren tegen de enorme kosten van kankerbehandelingen, en zo voort. Het is net dat gelijkheidsbeginsel dat brede en krachtige politieke actie mogelijk maakt. En om dat even heel erg scherp te stellen: in dat soort brede en krachtige politieke actie speelt de witte man zowel in het verleden als nu behoorlijk vaak een belangrijke rol als bondgenoot.

Je kent me niet want je bent me niet.

Intersectionaliteit is geen slechte theorie. Ze sluit behoorlijk aan bij het werk dat ikzelf met collega’s al een aantal jaren verrichten, en dat aangeeft dat we met grote soepelheid heen en weer springen tussen behoorlijk strak, zelfs dwingend, genormeerde identiteitsposities. We zijn heel vrij, met andere woorden, in het bewegen tussen onvrije identiteisposities. Dit is overduidelijk een anti-essentialistische theorie, die daarom ook constante empirische factchecks nodig heeft. Niets ligt immers bij voorbaat vast. De karikatuur die men ervan maakt in het “white privilege” verhaaltje draait de theorie gewoonweg op de kop, zodat we een essentialisme krijgen van een zelden geziene radicaliteit, en dat vanuit simpele axioma’s werkt. Wit heeft macht, is zich daarvan niet bewust, is daardoor de verdrukker van de anderen, en moet zwijgen over die anderen.

Mooier in z’n eenvoud kan een denkmodel moeilijk zijn; fouter in z’n aannamen en uitvoering evenmin. Het zou goed zijn als zij die dit verhaaltje zo graag en vaak gebruiken de moeite zouden nemen om die witte man – de échte dan, niet de abstracte uit het verhaaltje – wat beter zouden leren kennen. Want hier zit nog een denkfout. “White privilege” stelt dat de witte man de ervaring van verdrukking van de anderen niet kan snappen omwille van wie en wat hij is. Volgens dezelfde logica is die witte man echter ook niet kenbaar door de anderen. Je kent me niet want je bent me niet – zo luidt die logica. En het is de logica die niet alleen elke vorm van solide politieke actie onmogelijk maakt, maar zelfs elke vorm van begrip en steun over de absolute categorietjes heen. Met de werkelijkheid heeft dit allang niets meer te maken.

 

Naschrift

Dit stuk lokte zoals verwacht heftige discussies uit op sociale media. De voorstanders van het “white privilege” leken zich daarbij vooral vast te klampen aan de vraag “bestaat wit (mannelijk) privilege, of bestaat het niet?” Het antwoord is vanzelfsprekend uitgebreid gegeven in de tekst, maar laat me er als naschrift een klein Gedankenspiel aan toevoegen.

Stel dat we nu met z’n allen zeggen: “ja, het bestaat”. Wat dan? Hoe wil je dat dan in een concrete politieke actie omzetten? Ik geef enkele vragen die daarbij onvermijdelijk opduiken.

  1. Hoe omschrijf je dat privilege precies en op een manier die empirisch sluitend is – die dus geen grijze zones of uitzonderingen toelaat. Als het bestaat moet je het kunnen identificeren, geval per geval en elke keer even precies.
  2. Welke acties tegen dat privilege voorzie je? Bewustmaking in al zijn vormen is sinds 1989 het enige instrument geweest in institutioneel antiracisme, halverwege aangevuld met een wet op de bestrijding van racisme die, gezien haar formulering, bijzonder weinig concrete gevallen vervolgbaar maakt. Dus wat is je concrete doel? en wat zijn je concrete middelen?
  3. Hoe wil je, bijvoorbeeld, de strijd tegen “privilege” in concrete acties omzetten. Bijvoorbeeld legislatieve acties waarbij je wetsvoorstellen schrijft die het moeten uitbannen? Hoe doe je dat? Hoe doe je dat op zo’n manier dat jouw voorstellen niet botsen met fundamentele vrijheden en rechten? Wat en hoe zou je willen reguleren?
  4. En op welke gronden vorm je een brede beweging waarin – onvermijdelijk – nogal wat witte mannen zullen meedoen? Hoe zie je de verhoudingen binnen die brede beweging?  En waar leg je de grenzen van toetreding tot de beweging? Vanaf welk punt is iemand niet meer welkom als partner in die beweging? Hoe ga je op grond van die criteria recruteren en mobiliseren?

Ik heb tot nu toe geen enkel deugdelijk idee gehoord dat als antwoord op deze vragen zou kunnen gelden.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s