De logica van het alledaagse: een voorbeeld

weekvandeopvoeding2012

Eva Vergaelen, Jenny-Louise Van der Aa & Jan Blommaert

Inleiding

Mensen vertellen voortdurend verhalen, en die verhalen hebben een aantal kenmerken:

  • ze worden verteld aan anderen, en met anderen, verhalen zijn interactionele dingen;
  • ze hebben een functie, en die dis doorgaans argumentatief: mensen proberen via verhalen een punt te maken;
  • ze hebben een niet-willekeurige vorm, een effect van de beoogde functie én de middelen die voorhanden zijn – taalmiddelen en andere communicatiecompetenties. En die middelen zijn gedeeld: ook de ‘toehoorders’ bouwen het verhaal mee op.

In wat volgt geven we een kort voorbeeld van hoe dit in z’n werk gaat, en ons doel is methodologisch. We willen tonen hoe een bepaald soort analyse (die in de sociolinguïstiek als ‘ethnopoetics’ bekend staat) ons in staat stelt om doorheen de structuur van een verhaalmoment een impliciete wereld van normen en identiteitsconstructies te achterhalen.

Het fragment is een (ruwe) transcriptie van de opname van de openingssessie van een project genaamd “Het Leerhuis”, georganiseerd door Motief vzw in Antwerpen, maart 2017. In dit project worden Moslimvrouwen met een migratie-achtergrond (overwegend van Marokkaanse herkomst) samengebracht om te praten over de relatie tussen hun geloof en de alledaagse wereld. Het fragment situeert zich in de eerste ronde van deze sessie. Aan de vrouwen werd gevraagd wat toelichting te geven bij hun naam. In het fragment zijn de namen aangepast, en we noemen de vertelster hier ‘Nah’. De opname verliep met de toestemming van de aanwezige vrouwen, en dit voorbeeld vormt deel van het PhD onderzoek van Eva Vergaelen.

De transcriptie

ScreenHunter_569 May. 10 15.42

Hoe lees je de transcriptie?

Een ‘ethnopoetics’ transcriptie zoals deze gaat uit van de niet-willekeurigheid van de vorm die verhalen aannemen. We letten dus op de volgende elementen.

  • Verhalen zijn niet lineair, maar bevatten hoofdpunten en nevenpunten die samen argumentaties vormen, en in thematische en/of logisch-argumentatieve episodes worden opgedeeld. We zien in dit korte fragment 4 zulke episodes. De episodes 1, 2 en 3 staan in een getrapt hiërarchisch verband: 2 vult een punt aan uit 1, en 3 is op z’n beurt een verdere ondersteuning van 2. Episode 4 staat daarentegen op gelijke hoogte met 1, waardoor we twee grote overkoepelende units krijgen (Latijnse I en II). Deze relaties worden weergegeven door nummering en indentering.
  • Ook binnenin de kleine episode-eenheden zien we dergelijke relaties van hoofd- en nevenpunten; ook hier wordt indentering gebruikt om deze elementen weer te geven.
  • De opbouw van narratieve eenheden en de narratieve argumentatie verloopt via vormelementen die men (naar Roman Jakobson) ‘equivalenties’ noemt: herhalingen (desnoods met lichte herformulering), parallelismen en contrasten. We zien bijvoorbeeld in episodes 1 en 2 hoe het persoonlijk voornaamwoord “zij” (de schoonmoeder) een structurerende rol speelt; we zien ook de frequente herhaling van “Nederland” in episodes 1 en 2 gevolgd door het contrast “België”, en van “ik blijf spreken/praten” in episode 4.
  • De andere symbolen – de accolades met pijl, en de twee gebruikte kleuren – verwijzen naar elementen van de analyse die nu volgt. We geven enkele punten.

De interactionele dimensie

Een eerste elementaire punt is de manier waarop het verhaal geconstrueerd wordt via een voortdurende interactie tussen de vertelster en haar publiek. Er is heel veel onderzoek waarin de toehoorder van verhalen onzichtbaar gemaakt wordt – men laat vragen weg, onderbrekingen of andere vormen van reactie. Nochtans zijn ze van het allergrootste belang, en we zien dat duidelijk in dit voorbeeld. De ‘lach’ reacties van de toehoorders zijn cruciaal om te begrijpen hoe Nah haar punt maakt via dit verhaal.

De reacties zijn immers altijd ratificaties, d.w.z. normatieve evaluaties van toehoorders over wat ze hebben gehoord. Instemmend geknik of gemompel geeft aan dat men de normatieve kaders van de vertelster deelt; afkeurende reacties wijzen op het uitzonderlijke of foute karakter ervan. Het gelach van de toehoorders hier is hoofdzakelijk bekrachtigend, en geeft de herkenning weer van de validiteit van wat Nah vertelt. We werken dit nu verder uit.

De thematische verglijding

Hoewel het aangegeven thema van Nahs interventie haar naam betreft, zien we dat ze meteen een heel ander verhaal opzet: een identiteitsverhaal. Dit begint onmiddellijk in episode 1: Nah vertelt dat ze haar naam kreeg van haar schoonmoeder in Nederland, en vanaf dat moment stuurt ze het hele verhaal in de richting van Nah als spreekster, meer bepaald als spreekster van het Nederlands.

Ze eindigt episode 1 bovendien met een uitspraak die meteen gelach opwekt bij haar publiek: “ze heeft mij mee opgevoed als een schoondochter”. Dit ‘typeert’ Nah in de groep, het geeft haar een type-identiteit als een vrouw die op jonge leeftijd naar Naderland kwam om er uiteindelijk te huwen met een man die voor haar was voorbestemd – het “traditionele type”, om het lapidair (maar met bijzonder veel respect – zie verder) samen te vatten. In episode 2 bouwt Nah verder vanaf dat punt: “Nederland” wordt twee keer herhaald, en dan gevolgd (als contrast) door “sinds vier jaar wonen we in België”.

Het gelach en geroezemoes dat hierop volgt is wat we een ergoïsche reactie noemen – naar het Latijnse “ergo”, “daarom”. Dit kleine stukje levensverhaal van Nah maakt aan de andere vrouwen plots iets duidelijk: het verklaart waarom Nah in hun ogen een Nederlands accent heeft wanneer ze spreekt. En daarmee zijn we van thema vergleden: van naam, naar migratietraject, naar taalgebruik.

Het vervolg toont aan hoe sterk verhalen via interactie tussen vertelster en publiek worden opgebouwd. De ‘ergoïsche’ reactie van de vrouwen – de ‘Aha-Erlebnis’ omtrent Nahs accent – wordt door Nah nog verder uitgebreid met een aanvullend voorbeeld in episode 3. Ook hier staat identiteit centraal: Nah drukt uit dat ze als ‘type’ geen alleenstaand geval is. Haar accent is, met andere woorden normaal.

Noteer als voetnoot hoe in wat zich hier afspeelt een hele taalsociologische normenwereld aan de oppervlakte wordt gebracht. De vrouwen hebben duidelijk een idee van het normatieve karakter van accenten – in Antwerpen is een Nederlands accent eerder uitzonderlijk – en het werk dat Nah verricht (het toelichten van haar migratietraject) moet dit uitzonderlijke gegeven begrijpbaar maken, normaliseren. Maar we zien ook, in episode 3, dat Nah diverse talen en accenten verbindt met diverse sociale omgevingen: haar verwante uit Merksem spreekt Nederlands met de familie in Nederland, “Vlaams” op school, en Tamazight thuis. Ook dit lokt gelach uit van de vrouwen: de situatie is herkenbaar. De samenhang tussen al deze elementen hebben we weergeven door het gebruik van paars in de transcriptie: de paarse elementen vormen een coherent geheel van argumentatieve bewegingen.

De episoden 1-3 hangen samen, zoals we zagen, en ze voeren ons van de naam naar het taalgebruik van Nah. Nu gaat ze verder. Episode 4 opent ze met “ikzelf heb maar één jaar Nederlands geleerd op school”. De frase “maar één jaar” is alweer de uitdrukking van de norm: één jaar is heel erg weinig, en ‘normaal’ zou iemand, om haar niveau van taalcompetentie te bereiken, veel langer Nederlandse les hebben moeten volgen. Temeer omdat ze suggereert dat ze best een goede leerlinge moet zijn geweest – de lerares was aangeslagen toen ze de klas achterliet – en dat dit geen zaak was van keuze maar van noodzaak – ze had een kind gekregen.

Ze laat deze verrassende uitspraak volgen door een beklemtoonde (want herhaalde) verklaring: “maar ik blijf Nederlands spreken” – “ik durf spreken” – “ik blijf praten”. Haar vlotte Nederlands en mondigheid zijn te verklaren, niet door formeel onderricht maar door hardnekkige praktijk. En om dit alle kracht bij te zetten plaatst ze tussen beide herhaalde elementen een (‘intensifiërende’) verwijzing naar wat ze helemaal bij het begin aangaf. “ik durf spreken”, “mijn man zegt soms: een beetje rustig”. Dit lokt alweer gelach uit omdat het aansluit bij het “traditionele type” gegeven dat ze in episode 1 al aangaf. Ook al is ze op traditionele wijze aan een man verbonden, en tracht deze man haar soms bij te sturen, dan nog blijft ze, en durft ze (Nederlands) spreken. Daarmee lijkt Nah zich subtiel te onttrekken aan elk etiket dat door de sociale omgeving opgekleefd zou kunnen worden.

Samenhang: argumentatie, normen en identiteit

De thematische verglijding die we hier zagen – van naam naar taal – is niets uitzonderlijks: we zijn niet altijd coherent wanneer we een verhaal vertellen, en we springen graag van de hak op de tak terwijl we het doen. Maar we doen dat zelden in het wilde weg: we doen het doorgaans om een punt te maken via een veelheid aan bouwelementen.

Nah produceert doorheen de complexe en interactioneel ontwikkelde structuur van dit verhaal een samenhangend argument: ze legt uit wie ze is. Haar naam is het vertrekpunt voor een verklaring van haar migratietraject en haar sociale kenmerken – een vreemd accent in haar taalgebruik. En dat dient dan, op z’n beurt, om duidelijk te maken dat ze, ondanks de “traditionele” categorie waarin men haar zou kunnen plaatsen, een vrouw is die zich niet de mond laat snoeren in eender welke sociale omgeving, maar ondanks allerlei obstakels “blijft praten”. Vertrek- en eindpunt vallen dus mooi samen: dit is Nah. De gele kleur en de accolades in de transcriptie geven deze samenhang weer.

Nah bouwt dit verhaal over zichzelf op door een constante verwijzing naar normen, naar datgene wat voor de toehoorders herkenbaar en vanzelfsprekend is, zowel als vreemd, afwijkend of uitzonderlijk. En die toehoorders reageren (lees: evalueren, beoordelen) dat alles meteen met gelach en opmerkingen. En op die manier doen ze wat we altijd weer doen: via specifieke vormen van interactie scheppen we specifieke vormen van gemeenschappelijkheid. Nah plaatst zich, doorheen de concrete structuur van haar verhaal en de interactie met haar toehoorders, binnen deze groep van vrouwen, door een herhaald appèl aan normale zowel als uitzonderlijke zaken, die samen genomen moeten duidelijk maken wie ze is in relatie tot de andere vrouwen.

Ze maakt nog iets anders duidelijk: waarom ze hier is. We zagen dat dit fragment genomen is uit de allereerste ronde van een allereerste sessie in een project. In dit project komt de bestaande ‘mondigheid’ aan het licht: vrouwen die niet vaak gehoord worden, némen het woord, verhouden zich tot de bestaande normen, en laten zich zien zoals ze in werkelijkheid zijn. Ze doen dat binnen een heel specifieke interactiecontext die allerhande concrete context-elementen vorm geeft, en die elementen vormen wat we het ‘chronotopische’ karakter van identiteitsconstructies noemen. Nah plaatst zich met deze korte interventie meteen binnen de groep en binnen de (chronotopisch-) specifieke vorm van interactie die dit project beoogt en hanteert: ik ben mondig, ik “doe alles zelf”, ik “durf en blijf praten”, en mijn merkwaardige persoonlijke geschiedenis verklaart dat. De identiteit die ze hier opbouwt is dus zowel een individuele identiteit als een groepsidentiteit, allebei aangepast aan de heel specifieke context waarin dit alles zich voltrekt.

 

by-nc i

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s