Leeg gegraaid

10351petermertensofficieel2015sh5259

Recensie van Peter Mertens, Graailand: Het Leven Boven Onze Stand. Berchem, EPO 2016. 403pp.

Jan Blommaert

In dit land moet je Stalin afzweren om iets over belastingfraude te mogen zeggen. En zelfs wanneer die kaap genomen is moet je uitleggen dat belastingen geen vorm van overheidsmisdaad zijn maar een stukje betaling voor kosten die gemeenschappelijk worden gedragen en waarvan de belastingplichtige mee profiteert.

Een schets van de wereld

Je moet dat uitleggen, vreemd genoeg, aan zij die het meest van die gemeenschappelijke pot profiteren: de grote succesrijke ondernemers wier bedrijf draait op mensen die op kosten van ons allen zijn opgeleid tot prima medewerkers die het fortuin van de gefortuneerden mee opbouwen. Het zijn die succesrijken die van oordeel zijn dat belastingen diefstal zijn, en die ze dan ook met bijzondere toewijding en tomeloze energie bestrijden en ontwijken. Omdat zij van uitzonderlijk belang worden geacht door onze beleidsmensen, krijgen die succesrijken daarom enerzijds kortingen op zowat alles, en anderzijds nog hopen belastinggeld er bovenop in de vorm van subsidies allerhande. Voor het eerste argumenteert de overheid dat het altijd beter is een beetje te ontvangen dan helemaal niets; voor het tweede beweert ze dat het gaat om investeringen in het algemeen belang – in jobs en welvaart, om preciezer te zijn. Om die buitenproportionele geldstroom-in-één-richting in stand te houden legt de overheid een Spartaans regime op aan de rest van de bevolking. Bezuinigingen allerhande hakken hard in op de kleinste inkomens. En terwijl, zoals we zagen, succesrijken worden geprezen als mensen van een hogere soort worden de kleine lui verdacht van luiheid, profitariaat, bedrog, werkweigering en zo meer. Boven alles wordt hen verweten dat ze ons zo ontzettend veel kosten, en dat ze dat eigenlijk niet waard zijn. Wanneer die kleine lui protesteren tegen hun lot en wijzen op de privileges van de gefortuneerden, dan hoort men dat ze jaloers zijn, dat ze zelf maar wat harder moeten werken, of moeten erkennen dat ze gewoon uit iets minder nobel hout gesneden zijn dan hun meer gefortuneerde medeburgers.

Met deze paragraaf heb ik het beschreven wereldbeeld van twee boeken samengevat: Ongelijk maar fair van Itinera-baas Marc De Vos uit 2015, en het recente Graailand van PVDA-baas Peter Mertens. De Vos vindt de situatie zoals ik ze schets goed. De dingen zijn nu eenmaal wat ze zijn, en iedereen krijgt in onze samenleving de kans om, mits inzet, talent en hard werk tot de klasse der succesrijken te behoren. Een meritocratie is de meest rechtvaardige samenleving, en dat is dus goed voor elkeen. Mertens valt die situatie aan; hij neemt daar, net als De Vos, ongeveer 400 pagina’s lang de tijd en ruimte voor.

Mertens haalt vanaf de allereerste pagina’s van z’n boek de kern van het wereldbeeld van mensen zoals Marc De Vos onderuit. We leven niét in een meritocratie, wel in een samenleving waarbij de gemeenschappelijke middelen volkomen ongelijk verdeeld worden. Een “meritocraat” zoals Fernand Huts, bijvoorbeeld, strijkt voor z’n bedrijven jaarlijks vele miljoenen subsidies op – voor zonnepanelen bijvoorbeeld. De Turteltaks, die het gat in de financiering van die zonnepanelen moet dichten, wordt niet door zijn bedrijven betaald, wel door de gewone werknemers ervan.  Voor dat soort bedrijven (die dus miljoenen subsidies opstrijken) is een uitzonderingsregeling van kracht. Die Turteltaks is “billijk”, zo proclameerde Bourgeois. En in alle billijkheid wordt hij dus niet geheven voor zij die er de voornaamste betalers van zouden moeten zijn.

Het succes van de succesrijken wordt nog geen klein beetje gestimuleerd, geconsolideerd en in vele opzichten geschapen, door de gulle bijdrage van de minder succesrijke belastingplichtige, die geen fiscale achterpoortjes geniet, niet als weldoener door het leven kan gaan, en voortdurend wordt aangejaagd door de beschuldigende vinger van een overheid die van oordeel is, zoals Marc De Vos, dat het zo hoort. “Gij zult geven aan de rijke, en gij geeft nog niet genoeg – geef je belastingen, een deel van je loon en koopkracht, je uitkering, je pensioen, je overheidsbijdrage voor geneesmiddelen, je subsidie voor je school of organisatie – en dan is goed voor jezelf”. Met die mantra leven we in een samenleving die het afgelopen handvol jaren een spectaculaire toename zag van de armoede, én van de grote fortuinen. Het geld stroomt, via het beleid, van laag naar hoog, en dat is voor mensen zoals Marc De Vos nu eenmaal fair en normaal, en voor mensen als Gwendolyn Rutten en Bart De Wever nu eenmaal de enig mogelijke manier om “uit de crisis te raken”.

Van Hoe Durven Ze? naar Graailand

Daarover gaat Graailand. Het beschrijft een samenleving die volledig uit balans is, niet omdat een klein deel van die samenleving van nature meer begaafd en begeesterd is dan de rest en dus ook meer verdient dan de rest, maar omdat datzelfde kleine deel net daarin rotsvast lijkt te geloven, dat geloof tot beleidsbeginsel heeft gemaakt en zich dus meer toe-eigent dan de rest. Het gevolg is een systeem van scheefgetrokken verhoudingen en leugens. De scheefgetrokken verhoudingen scheppen een “graailand” waarin een kleine kaste het merendeel van de middelen, voordelen en voorrechten neemt, ten nadele van de grote meerderheid die steeds minder krijgt. En de leugen waarmee dit systeem wordt gemotiveerd wordt samengevat in de slogan dat “wij allemaal boven onze stand leven”. Mertens analyseert het systeem en de leugen, en hij doet dat net zoals in zijn vorige boek Hoe Durven Ze? bijzonder nauwkeurig en overtuigend.

Pro memorie: Hoe Durven Ze? Was een vernietigende aanval op het austeriteitsbeleid dat de EU had geïnstalleerd als antwoord op de bankencrisis van 2008. Mertens schetste in dat boek, dat zo maar even 25.000 exemplaren verkocht en Mertens en z’n partij een enorme stoot vooruit bezorgde, hoe de bankencrisis werd opgelost door fenomenale injecties van publiek geld in de kapot gespeculeerde banken, en hoe de tekorten die daaruit ontstonden werden afgewenteld op de bevolkingen door middel van die woordgroep die we inmiddels zo vaak hebben gehoord: “structurele hervormingen”. Die woordjes zijn, vanzelfsprekend, een eufemisme. Ze staan in werkelijkheid voor een reeks ingrepen die het zogeheten Rijnlandmodel – de naoorlogse West-Europese welvaartstaat – moesten vervangen door een lage-lonen-economie waarin het begrip “groei” enkel nog stond voor groei van de winsten van aandeelhouders. Niet meer, dus, voor de groei van de algemene welvaart, de levenskwaliteit en de tewerkstelling, zoals het Rijnlandmodel het voorschreef.  Het zwaartepunt van Hoe Durven Ze? lag bij Europa, al schetste Mertens wel al hoe in die omwenteling de sterksten ook in ons land de dans ontsprongen en zelfs zeer fors profiteerden van de crisis en de (“noodzakelijke”) austeriteit.

Graailand richt zich op België eerder dan op de EU, en toont aan hoe die omwenteling gepaard gaat aan een systematische en officiële graaicultuur. De sterksten ontspringen de dans niet omwille van de onzorgvuldigheid van de wetgever: ze ontspringen ‘m dankzij de zorgvuldigheid van de wetgever, die in zowat elke maatregel doelgericht en volmaakt bewust twee maten en twee gewichten hanteert. Zes forse hoofdstukken werken dit thema uit. Ze doen dit aan de hand van een stilistisch mengsel dat bekend is voor zij die Mertens’ vorige boek lazen. We krijgen algemene en stevig gedocumenteerde beschrijvingen verpakt in concrete en levendige  anekdotiek waarin mensen met naam worden genoemd en waarin we ook hun stemmen horen, en besluitend met een aantal alternatieven die de partij aanbrengt. Het geheel swingt alweer – richting blockbuster, vermoed ik. Mertens brengt met zijn boeken immers verhalen die zowel nodig zijn, als graag gelezen worden. Ze zijn nodig omdat ze regelrecht ingaan tegen de politieke correctheid van het TINA-denken en z’n apologeten; en ze worden graag gelezen omdat ze een helder narratief geven aan mensen voor wie de ervaring van alledag chaotisch, frustrerend en verwarrend is.

De kaalslag en de graaierskaste

Het eerste hoofdstuk, “Boven onze stand?” beschrijft de kaalslag die zich in de afgelopen jaren, en zeker sinds het aantreden van de huidige regeringen, heeft voltrokken in al die sectoren waarvan de succesrijken van oordeel zijn dat ze “alleen maar geld kosten”. Werkloze mantelzorgers, werkloze schoolverlaters, ouderenzorg, daklozenopvang en buurtopbouwwerk: ze hebben allemaal klappen gekregen, veelal vanuit een mengsel van ideologische afkeer van al dat maatschappelijk afval – Homans die demonstrerende sociale werkers in de media waarschuwde dat protesten een sollicitatie voor extra bezuinigingen zijn – en van een ideologische voorkeur voor privatisering, die zowat overal tot slechtere kwaliteit en hogere prijzen leidt. En passant zijn we ook al in contact gekomen met Fernand Huts, Jan De Nul en hun miljoenensubsidies voor zonnepanelen, de Turteltaks, en de vele mensen wier watervoorziening werd afgesloten wegens gebrekkige betaling van steeds stijgende facturen. Het plaatje is helder en het decor is getekend: terwijl steeds meer mensen wegzinken in een steeds dikker wordende marge, strijken de fat cats steeds royaler bedragen op uit de gemeenschappelijke kas.

Waarom dit allemaal “beleid” heet, en als beleid ook gerationaliseerd wordt, komt aan bod in het tweede hoofdstuk, “De kaste”. Die kaste bevolkt de Wetstraat, en de beschrijving die Mertens van hen maakt is weinig flatteus: het gaat hier om een “hofcultuur” (de term is van Ewald Engelen) die in een getto van gelijkgezinden gedijt, waarin een grote minachting heerst voor het plebs gekoppeld aan een zeer verregaande onkennis van wat dat plebs zoal meemaakt, doet en denkt. En wat ze doen ondermijnt bestendig de legitimiteit van het democratische model dat ze menen te belichamen: ze nemen maatregelen waarvan ze zelf de effecten niet voelen. Terwijl ze de pensioenleeftijd van de bevolking optrekken tot 67 jaar, slagen ze er niet in voor hun eigen beroepsgroep iets vergelijkbaars te beslissen; in tijden van loonmatiging kennen ze zichzelf – uit belastinggeld – veelvouden van het gemiddelde loon van de onderdanen toe (Siegfried Bracke ontvangt 305.130€ per jaar; Angela Merkel, ter vergelijking, 290.000€); ze kunnen hun parlementair mandaat cumuleren met talloze andere mandaten (zodat Gwendolyn Rutten een niet echt plebeïsch inkomen van ca. 20.000€ per maand geniet); ze hoeven in een aantal gevallen niet echt vaak aanwezig te zijn in het parlement (De Wever, bijvoorbeeld, is er een vrij zeldzame verschijning, ondanks z’n ca 15.000€ per maand belastinggeld als inkomen); en hun parlementaire onschendbaarheid stelt hen in staat de meest groteske beledigingen over de bevolking uit te storten.

Ook partijen graaien royaal uit de belastinginpot, en Mertens merkt op dat het de partijen zijn die het meest tekeer gaan tegen subsidies en overheidsinmenging die zowat geheel afhankelijk zijn van belastinggeld: de Open VLD voor 95% van haar inkomsten (of 6.5 miljoen) en de N-VA voor 89% (of 13.4 miljoen). Wanneer Kris Peeters (die zelf maandelijks zo’n 11.000€ naar huis mag dragen) dus zegt dat “de regering de moed moet hebben om iedereen rechtvaardig te laten meewerken aan het herstel van het evenwicht”, dan is die “iedereen” duidelijk “iedereen buiten onszelf”.

In die hofcultuur gebruikt men de term “populisme” op twee manieren. Populisten zijn, één, de politieke tegenstrevers – zeker wanneer die af en toe het woord “elites” in de mond nemen – en, twee, elkeen die vanuit eender welke hoek van de samenleving de legitimiteit, zin en redelijkheid van het politieke bedrijf in z’n huidige vorm in vraag stelt. Potentieel is dus iedereen een populist, behalve de leidende politici – de zo vele hoekstenen van onze democratie. Of beter: de draaideuren ervan. Want – en hier geeft Mertens zich nog maar eens bloot als regelrechte “populist” in de zin van hierboven – het grote taboe dat maar niet ernstig mag besproken worden is dat van de zeer intieme relaties tussen invloedrijke politici en de succesrijke klasse in dit land.

De kranten staan vol van Kazakhgate, een vermoeden dat de afkoopwet (die grote fraudeurs in staat stelt hun vervolging af te kopen) zou bedisseld zijn entre amis tussen de Kazakhs-Belgische  zakenman Chodiev en politici; de Optima-zaak zweeft ook als een wolk boven de Wetstraat (en zowel het Gentse als het Antwerpse stadhuis); in steden als Antwerpen, suggereert Mertens, heersen vastgoedlobby’s en maakt men dus “plannen op maat van de privé”, niet van de buurt of de bewoners.  Wanneer er parlementaire onderzoekscommissies worden opgericht, dan wordt de PVDA het lidmaatschap daarvan ontzegd, zodat een “ons-kent-ons commissie een ons-kent-ons schandaal onderzoekt”. Men moet blijkbaar ervaringsdeskundige zijn om corruptiegevallen “publiek” te onderzoeken. De prijs voor cynisme gaat echter naar twee kabinetschefs van Van Overtveldt. Nadat België veroordeeld was door de EU tot de terugvordering van bijna een miljard aan excess profit rulings – iets waartegen Minister Van Overtveldt (beheerder van ons belastinggeld) zich verzette – namen beide heren ontslag, om prompt een juridisch advieskantoor te beginnen dat bedrijven zou helpen om deze terugbetaling (aan de staatskas dus) aan te vechten. Terecht maakte Michael Van Peel van dit geval brandhout in zijn eindejaarsconférence.

Ook hier gooit de hofcultuur van de Wetstraat haar legitimiteit te grabbel, en veel “kracht van verandering” valt er niet op te tekenen, evenmin als “zelfregulerend vermogen” zoals Rutten het graag heeft. De politieke kaste leeft van belastinggeld, de partijen zijn er gek op en bedienen er zichzelf bijzonder gul mee. Ze zijn, met uitzondering van de PVDA, niet meer afhankelijk van hun leden, en zijn er dan ook van vervreemd. Wat de PVDA betreft: in 2015 ontving de partij zowat 1 miljoen aan ledenbijdragen – meer dan de ledenbijdragen van de N-VA en de PS (de twee grootste partijen in dit land) opgeteld. Zolang die partijen maar lang genoeg aan de knoppen van de macht kunnen blijven zitten en zo zichzelf dotaties kunnen verschaffen, hebben ze die basis van leden gewoon niet meer nodig. Als politieke beweging zijn ze dan ook opgehouden te bestaan – ze zijn in feite communicatiebedrijfjes geworden die onafgebroken campagne voeren voor een onbepaald, en steeds wisselend, publiek. In het licht daarvan valt het recente ideetje (door sommigen eerder als een kramp bestempeld) van Vande Lanotte inzake een Oostendse burgerbeweging te begrijpen: hij beseft, naar analogie met de PVDA, dat een ouderwetse kern van trouwe leden wel eens een recept voor verkiezingsoverwinningen kan zijn. Niet slecht als idee.

Recepten uit de niet-te-vreten keuken

In de hoofdstukken 3, 4 en 5 bouwt Mertens voort op het werk dat hij al in Hoe Durven Ze? neerzette: een snijdende kritiek op een aantal van de recepten uit de neoliberale austeriteitskeuken. En het Leitmotif is uiteraard hetzelfde: die dingen zijn niet te vreten.

Hoofdstuk 3, “Wij zijn meer waard dan dat”, behandelt de “structurele hervormingen van de arbeidsmarkt” die samen met de taxshift de kroonjuwelen zijn van het beleid van de Regering-Michel. Niks nieuws onder de zon. De Wet-Peeters implementeert de Europese Flexicurity-doctrine, die niets anders is dan een puur ideologische herdefinitie van de relatie tussen arbeid en kapitaal. In het Rijnlandmodel was arbeid een bron van rechten voor de werknemer en daardoor ook onderworpen was aan een reeks van strakke bepalingen en vormen van democratisch overleg – de patroon is namelijk geen eigenaar van de mens die voor hem/haar werkt. De finaliteit van arbeid was economisch, uiteraard, maar ook maatschappelijk: wanneer arbeid onder dat soort bescherming verloopt is algemene welvaart verzekerd, en daarmee ook maatschappelijke (en politieke!) stabiliteit. Flexicurity herdefinieert dit alles: arbeid is enkel nog een economische zaak, en de rechten van de werkende hangen af van de (liefst individuele) contractuele onderhandelingen met de patroon. Die laatste, als eigenaar van het kapitaal, beslist over de inzet van arbeid en over de voorwaarden ervan. De werkende heeft – zoals Hayek decreteerde – altijd de vrije keuze om werk niet te aanvaarden en te verhongeren, en is volledig zelfstandig aansprakelijk voor zijn of haar lot.

Oei, zal u zeggen: zit dat echt allemaal in de Wet-Peeters?  Mertens antwoordt bevestigend. “Flexibilisering” is immers eenzijdig. Peeters legde dat ook zo uit: de flexibilisering van arbeid zou vooral voor de werkende een zegen zijn, want hij/zij zou nu in staat zijn vlotter arbeid en sociaal- en gezinsleven te combineren. Ja, in samenspraak met de werkgever natuurlijk. Het zou een win-win-dinges worden. Mertens moet daarmee lachen, want zowat drie miljoen werkenden, bij monde van hun vakbonden, kwamen tegen deze wet in het verzet. De flexibiliteit is een flexibiliteit voor de patroon, die nu met een veel grotere vrijheid kan beschikken over de inzet van z’n werkenden. Die laatsten, die moeten zich vooral aanpassen aan een onregelmatig geworden arbeidsinzet. Want terwijl arbeid geflexibiliseerd wordt, wordt de rest van het leven niet noodzakelijk mee geflexibiliseerd: het ritme van de schoolgaande kinderen, de eigen sociale omgang, de eigen rust en recreatie – dat alles wordt nu verregaand verstoord door de flexibilisering van de arbeidsinzet. Experimenten in de horeca tonen aan hoe dat kan gaan: werkenden worden ingezet à la minute en à la tête du client, met minimale oproeptijd, grote volumes onbetaalde overuren, en een grote willekeur van de patroon om diegene in te zetten die hem/haar het best bevalt. Rutten noemt dat “vrijheid”, uiteraard, maar de vraag is: wiens vrijheid?

Flexibilisering zou jobs scheppen: van precair naar vast, van onstabiel naar stabiel werk. Helaas, merkt Mertens op, zelfs de OESO noemt het een systeem van afkalving van arbeidsstatuten, met neerwaartse druk op lonen en arbeidsvoorwaarden alom, en met een bijzonder precair perspectief op een “loopbaan” (de haakjes rond het woord staan er, me dunkt, terecht). Flexibilisering is precarisering. Daar komt nog bij dat de pensioenen – al zeer laag in dit land – nog verder worden afgebouwd, en dat werkloosheid – ook omwille van ziekte – steeds strenger bestraft wordt. Wat ziekte betreft: wie ziek is, wordt steeds meer als “werkweigeraar” beschouwd en dus bestraffend aangepakt. Want ziek zijn (ook al is het werkgerelateerd, zoals bij het spectaculair stijgend aantal burnout-patiënten), dat “kost” alleen geld en brengt niets op. Weg daarmee.

De individualisering die in dit arbeidsmodel ingebakken zit (Rutten: “wij vertrekken van het individu zodat iedereen meer vrijheid heeft”) is uiteraard een zoveelste achterpoort om de essentiële rol van de vakbonden in de arbeidsorganisatie verder uit te hollen. Want, tja, ons land blijft kampen met dat grote structurele probleem dat maar niet “hervormd” raakt: we zijn nog altijd één van de landen met de hoogste syndicalisatiegraad in de wereld. En de kracht van verandering bijt haar tanden daar op stuk.

Hoofdstuk 4, “Show me the money”, herneemt één van de stokpaardjes van Mertens: belastingongelijkheid. Het is natuurlijk ook een ijzersterk thema. Hoe kan het dat een poetsvrouw in een multinational meer belastingen betaalt dan dat bedrijf zelf? Op die vraag heeft al menig neoliberaal met de mond vol tanden gestaan, zeker sedert de publicatie in 2013 van Thomas Piketty’s Le Capital au XXIème Siècle. Piketty toonde immers aan dat het fortuin van de succesrijken niet door noeste arbeid wordt verworven en wel door mechanismen van kapitaalsaangroei die de economie destabiliseren, en dat een grote rol in dit proces toebedeeld is aan fiscaal beleid – een argument dat Mertens ook al maakte in Hoe Durven Ze? en nu dus, met de steun van Piketty, nogmaals kan ontwikkelen.

Er zijn nog bronnen die hij niet had toen hij zijn vorige boek schreef: de afgelopen paar jaar brachten een lawine aan onthullingen over belastingparadijzen – denk aan Luxleaks, Swissleaks en de Panama-papers – en, ja, in die onthullingen doken Belgische namen op die Mertens ook al eerder had genoemd. Ons land kent een bijzonder hoge belastingdruk voor de meesten, terwijl het (ook officieel) een belastingparadijs is voor grote fortuinen, Eurocraten en multinationals: “er is een kaste van superrijken die er een parallel fiscaal systeem op nahoudt”, en die, als het wat te heet wordt, nog eens fiscale amnestie of een afkoopvoorstel ontvangt. Immers, zo klinkt het, je wil toch niet in de hand bijten die je voedt?

In hoofdstuk 5 herneemt Mertens nog een vroeger thema: de Europese herstelpolitiek, of wat daarvoor moet doorgaan. Ook hier heeft hij het voordeel dat er sinds 2011 heel wat is gebeurd en gepubliceerd.  De EU is er in dat lustrum op geen enkele manier in geslaagd uit het economische dal te komen, ondanks massale geldinjecties van de Europese Centrale Bank en een zelden gezien ideologisch extremisme omtrent de volgehouden austeriteitspolitiek. Dat beleid werd door een bataljon van topeconomen – Piketty, Galbraith, Krugman, Stiglitz en anderen – onophoudelijk op vernietigende kritieksalvo’s onthaald, en de Griekse tragedie van 2015 liet zien hoe dat beleid een land economisch, sociaal en politiek tot een derdewereldland kon reduceren. De structurele ongelijkheden tussen rijk en arm – kapitaalexporteurs tegenover importeurs – in de Eurozone is geëscaleerd, en terwijl een aantal Eurolanden nu chronisch op de rand van het bankroet balanceren liep het handelsoverschot van Duitsland in 2015 op tot een historisch record van 8,8%. Elke nieuwe maatregel – denk aan de begroting-kadaverdiscipline van het Europese Groei- en Stabiliteitspact  – verdiept de kloof en maakt de crisis erger voor de grote meerderheid.

In eigen land behoort Johan Van Overtveldt tot het kransje van de hardnekkige believers van de austeriteit: “je zal wel zien” is het voornaamste argument. Wel, zegt Mertens, we zien allerhande zaken, maar niet het herstel dat de believers menen te ontwaren. De “structurele hervormingen” (hier zijn ze weer) hebben een daling van de koopkracht tot gevolg, en een spectaculaire toename van de ongelijkheid. En dat proces zien we nu al, onafgebroken, sinds de val van Lehman Brothers in 2008. Economisch deugt dit beleid niet, sociaal is het een catastrofe voor grote delen van de bevolking. Terwijl de EU in 2008 zo’n zestien miljoen werklozen telde, staat dat cijfer nu op zesentwintig miljoen; bovendien is het inkomen van een half miljard Europeanen hetzij gestagneerd, hetzij gedaald. Intussen zitten Europese bedrijven op een kapitaalberg van 3200 miljard Euro (en vragen ze nog meer van de overheid). De reactie blijft niet uit: in de politiek toont de doorstoot van Syriza, Podemos, Corbyn en Sanders aan dat dit kreupele beleid ook de politieke krachtlijnen kan hertekenen. En dat brengt ons naar het laatste hoofdstuk van het boek.

De opstand komt er

Hoofdstuk 6, “Opstand tegen de elites”, bespreekt de effecten van de Zeven Magere Jaren sinds 2008.De EU is, zeker sinds het Griekse debacle van 2015 en de daarop aansluitende vluchtelingencrisis, haar democratische legitimiteit kwijt, en wordt in zowat elk referendum en elke verkiezing – expliciet zoniet impliciet – weggestemd. In Midden-Europa, zo zegt Mertens, is een “reactionair oppositieblok” ontstaan dat openlijk en zonder enige terughoudendheid rebelleert tegen wat Brussel meent te moeten opleggen. De tanende legitimiteit van de EU werd uiteraard bezegeld door de Brexit van 2016, die door velen als een “opstand tegen de elites” werd begrepen. Immers, wanneer die Europese elites in staat zijn de soevereiniteit van een land – Griekenland is het voorbeeld – simpelweg kalt te stellen en het land op alle vlakken zo goed als te vernietigen, dan blijft er van de aantrekkingskracht van de EU als baken van welvaart, democratie en vrijheid weinig over. Dat geldt, op kleinere schaal, vanzelfsprekend ook voor de aantrekkingskracht van nationale politieke tradities en verhoudingen – we zijn ook in eigen land “de politiek”, zoals we ze kennen, door-en-door beu.

De enorme protestbewegingen die over de hele Unie zijn ontstaan (en waarvan Corbyn, Syriza en Podemos slechts het topje van de ijsberg vormen) streven naar een fundamenteel nieuw politiek, sociaal en economisch project, waarbij Mertens zich aansluit. Dat project moet vertrekken vanuit de basis, niet vanuit de bestaande en grondig verrotte machtsverhoudingen in de EU – de “Grote Coalitie” van sociaaldemocraten en Christendemocraten die al decennia de cockpit van de EU bemant. We hebben, benadrukt Mertens, een nieuwe Utopia nodig, een nieuwe politieke verbeelding die de angst door hoop vervangt en alles in vraag stelt waar het macht en rechtvaardigheid betreft. De nieuwe rechterzijde, van Trump tot Wilders en Le Pen, heeft al een nieuw Groot Verhaal – of beter, een stokoud en failliet identitair verhaal dat nu als “nieuw” wordt verkocht, en cultuur centraal stelt terwijl het de grote sociaaleconomische hefbomen ongemoeid laat.

De nieuwe sociale bewegingen die “rechtvaardigheid opnieuw definiëren als de weigering van de stelling dat de huidige wereld de enig mogelijke is” hebben dezelfde taak, en Mertens neemt in Graailand die taak ter harte. Ieder hoofdstuk wordt, zoals ik zei, afgesloten met een reeks alternatieven die de PVDA in vele gevallen al jaren bepleit, en die de partij ook al jaren dichtbij het maatschappelijke middenveld plaatst.  Mertens bepleit een samenleving op mensenmaat, uitgaande van “een optimistisch geloof in de mens als verantwoordelijk sociaal wezen”. Investeren in al wat zwak en kwetsbaar is eerder dan erop te besparen; arbeidsherverdeling en een humaner arbeidsklimaat eerder dan de “rat race” die door flexibilisering nog wordt versterkt; verbeterde sociale statuten in plaats van een toename ongedefinieerde vormen van “werk” die geen “arbeid”  zijn; een miljonairstaks eerder dan fiscale kortingen en rulings;  en politiek als beweging in plaats van politiek als bedrijf. Voor wie met de partij enigszins vertrouwd is zijn dit bekende thema’s. In Graailand winnen ze dankzij een heldere en scherpe analyse nog aan overtuigingskracht.

Nogmaals het wereldbeeld

Zoals ik bij aanvang schreef: in dit land moet men eerst Stalin afzweren om het over belastingfraude te mogen hebben. Dat was, althans, de visie van Rik Torfs in een televisiedebat met Mertens. Sinds het verschijnen van Graailand (en de populariteit van PVDA-volksvertegenwoordiger Raoul Hedebouw sinds De Slimste Mens) is er een opvallend media offensief ontstaan waarin de PVDA  steevast vastgepind wordt op een behoorlijk fantastische reeks associaties met Stalin, Mao, Kim Il Sung en Pol Pot. Immers, wat de PVDA voorstelt, zo suggereert men, is niets minder of meer dan een terugkeer naar het wereldbeeld van de Sovjet-tijd en de Culturele Revolutie.

Ik heb zonet een kort overzicht gegeven van de concrete voorstellen die Mertens doet in Graailand. De lezer moet zelf maar besluiten of die voorstellen ook kolchozen, goelags en beeldhouwwerken in Sovjetrealistische stijl inhouden. Ik denk het niet. Ik denk eerder dat Mertens met zijn voorstellen aansluit bij een lange sociaaldemocratische traditie die slechts ten einde kwam met de third wave van Blair, Schröder en Vandenbroucke, maar die men in het Charter van Quaregnon (de geboorteakte van de Belgische sociaaldemocratie) nagenoeg volledig terugvindt. Dit werd overigens ook bevestigd door de leidende politicologen in dit land, Marc Hooghe en Carl Devos:  Graailand kan men bezwaarlijk zien als een tweede Communistisch Manifest, en de PVDA kan men vandaag bezwaarlijk zien als de reïncarnatie van de Bolsjewieken.

Maar er is meer. Graailand wordt aangedreven door een groot, centraal, argument inzake democratie. Mertens hamert genadeloos op het democratische deficit van het heersende politieke systeem – de “hofcultuur” van de Wetstraat en de Eurocratie van Schuman. Hij is niet de enige, uiteraard: ook Farage, Wilders en Le Pen doen dat, en zelfs de Opper-Elitair De Wever kankert met de regelmaat van de klok op al wie “ondemocratisch” en dus “elitair” protesteert tegen zijn macht.  Maar bij Mertens is het antwoord op dat democratische deficit niet te vinden in een meer autoritair bestuur, een technocratie of een meritocratie; het antwoord ligt in politiek als solidaire en humane basisbeweging. Mertens vindt dat een systeem dat ongelijkheid en armoede produceert onmogelijk een “democratie” kan zijn, want democratie is niet enkel bestuur van en door het volk, maar ook bestuur voor het volk. Een ware democratie moet in staat zijn om elkeen die eraan deelneemt als mens te respecteren, z’n noden te laten lenigen, en zich te laten ontplooien als veelzijdig persoon. Een democratie moet mensen gelukkig maken in elk aspect van het leven – en niet enkel de succesrijken en hun kinderen. En terwijl de meeste partijen zich sinds de jaren 1990 hebben afgekeerd van hun basis, en van massapartijen zijn getransformeerd tot massacommunicatiepartijen, bepleit Mertens een terugkeer naar een partij die zeer nauwe banden onderhoudt met de basis van de samenleving en er constant naar terugkoppelt. De enige lobby die op een partij invloed mag hebben, is de lobby van de gehele bevolking. Ook dat is, het weze aangestipt, een stukje verloren erfenis (of restafval, zo u wil)  van de sociaaldemocratie dat is opgepikt door de PVDA.

Toen Marc De Vos zijn Ongelijk maar Fair publiceerde bestempelde uitgeverij Lannoo dit werkstuk als “boordevol vernieuwende inzichten en sterke statements”. De Vos, zo zegde men, “roeit tegen de stroom in en biedt een positief wereldbeeld van kansen, mensen, diversiteit en merite”. Immers, “ongelijkheid op basis van verdienste en succes kan iedereen in de samenleving ten goede komen”.

De enige stroom waartegen De Vos met zijn boek in roeit is die van de werkelijkheid. En het enige “vernieuwende inzicht” dat z’n boek biedt is dat een econoom een zodanige ideologische blindheid kan vertonen dat die werkelijkheid er niet toe doet. Dat inzicht kennen we inmiddels als “Post-Truth”. Graailand roeit tegen die Post-Truth stroom in, en de opdracht die critici door Mertens krijgen toegeschoven is die van factchecking. Probeer de feitelijke gegevens en analyses die dit boek, zoals het vorige, zo overtuigend maken maar eens te weerleggen, en niet met idiote verwijzingen naar Noord-Korea maar met deugdelijk, concreet en intellectueel eerlijk weerwerk. En loop vooral niet om die hete brij heen die de kern vorm van het argument: de visie op een democratische samenleving, en de kritiek op de manier waarop we vandaag de term “democratie” gebruiken voor iets wat er fundamenteel niet mee overeenstemt. Net zoals men nu spreekt over “socialisme voor de rijken” – het feit dat de succesrijken de grootste happen uit de publieke middelen tot zich nemen en slechts kruimels laten aan de minder gefortuneerden – kan men spreken van “democratie voor de rijken” – en dat heet eigenlijk “oligarchie”. Ik kijk uit naar de gefundeerde weerleggingen vanuit de hoek van zij die bij hoog en laag hun democratische aanhankelijkheid bezingen, maar in elke handeling precies de ontkenning ervan uitvoeren. Vingers in de richting van Stalin, Mao en Kim Il Sung zijn daarbij van bijzonder gering nut.

http://www.epo.be/uitgeverij/boekinfo_boek.php?isbn=9789462670884

cydbrdcwqaqww35

by-nc

 

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s