Het jaar van de informatiecrisis

intellectuals

Jan Blommaert 

Het is geen toeval dat de Oxford Dictionaries het woord “post-truth” kozen als woord van het jaar 2016. Het was een jaar van diepe crisissen, en één ervan is een informatiecrisis. Wat we hebben gezien in 2016 is het einde van het geloof in feiten, of beter, van een model waarvan we aannamen dat het feiten verstrekte en ons toeliet de waarheid van de leugen te onderscheiden.

Laat ons het jaar even in vogelvlucht overlopen, want de informatiecrisis was niet het enige wat 2016 memorabel maakte als een bijzonder slecht jaar voor zeer velen. Ik selecteer twee crisissen; ze zijn niet ontstaan in 2016 maar hebben er wel een hoogtepunt in gekend.

De crisis van de wereldorde

De eerste diepe crisis is een crisis van de wereldorde. De post-Koude Oorlog wereld, aangedreven door een neoliberaal model dat werd beheerd en afgedwongen door de VS en z’n bondgenoten, georganiseerd in transnationale allianties, viel uiteen. Het was Fukuyama die in het begin van de jaren 1990 een dergelijke orde uitriep: de wereld zou na een halve eeuw spanning eindelijk tot rust komen, want iedereen zou zich scharen achter de welvaartsproductie die een geglobaliseerd kapitalisme zou verzekeren, en achter een model van burgerlijke democratie waarin vrede, mensenrechten, een vrije pers, en (beperkt) politiek pluralisme domineerden. De wereld zou, kortom, stabiel worden dankzij een mix van één economisch systeem met één politiek waardensysteem.

Ze is dat vanzelfsprekend nooit geworden, en in 2016 zagen we hoe een aantal van de rampzalige ontwikkelingen van de laatste decennia zich kristalliseerden in en rond Syrië. Daar bleek hoe de transnationale allianties – de NAVO bijvoorbeeld – uiteenvielen van zodra er kleinere belangen opdoken, wat ervoor zorgde dat de VS (en Israel) “rebellen” gingen steunen die aanleunden bij Al-Qaeda en op zoek gingen naar een détente met Iran. Het zorgde er ook voor dat het hele Westen met plezier wapens leverde aan de belangrijkste sponsors van IS, Saudi Arabië en Qatar, terwijl het diezelfde beweging met NAVO-jets bombardeerde. Het zorgde ervoor dat Turkije (een belangrijke NAVO-partner) cavalier seul speelde in de regio door steun te verlenen aan jihadistische verzetsgroepen die door andere NAVO-partners bestreden werden, en bovendien de regionale crisis gebruikte om z’n offensief tegen de Koerden nog wat agressiever door te zetten. Dit chaotische en ongerijmde lappendeken van mini-allianties en belangenpacten werd nog eens doorsneden door de strategie van Rusland, die de kaart van Assad trok en daardoor de Turkse ambities in de regio kortwiekte, met confrontaties die de NAVO dan weer liefst wilde vermijden.

De grote allianties die het post-Koude Oorlog tijdperk moesten regeren bleken onbestaande of machteloos in de Syrische oorlog. Daardoor is het Midden-Oosten nu onstabieler dan ooit tevoren, en is ook dat akelige exportproduct ervan – terreur – niet onder controle te krijgen. In 2016 hadden we grote terreuraanslagen in België, Frankrijk en Turkije.

Van dat ene waardensysteem, waar eenieder zich zou achter scharen, blijft evenmin veel over. De oorlog in Syrië zorgde voor een enorme exodus van vluchtelingen, die zich vermengde met bestaande vluchtelingenstromen en deze stromen nog deed aanzwellen. 2016 was een trieste voortzetting van de vluchtelingencrisis van 2015, met vele duizenden die de oversteek van de Middellandse Zee, richting EU, met hun leven moesten bekopen. De reactie op dit humanitaire drama vanwege de EU was in 2015 al pathetisch en schandelijk; in 2016 werd het nog erger. De EU sloot een bespottelijke deal met het Turkije van Erdogan, die maar één finaliteit had: hou de vluchtelingen weg uit de EU. De deal gaf alle EU lidstaten een alibi om minder vluchtelingen op te nemen – iets wat electoraal van groot belang wordt geacht. En het dwong de EU ook tot een vergoelijkende houding tegenover de ontwikkelingen binnen het regime van Erdogan na de coup-poging in Ankara van juli 2016.

Immers, scratch my back, I’ll scratch yours blijkt de effectieve vervanger te zijn geworden van het mooie geheel van universele mensenrechten, vrije pers en politiek pluralisme dat Fukuyama aankondigde.

De crisis van de democratische legitimiteit

2016 gaat ook de annalen in als het jaar van de Brexit en van de verkiezing van Donald Trump tot president van de VS. Beide feiten zijn ongetwijfeld de aankondiging van grotere processen. De Brexit is het begin van de desintegratie van de EU; de verkiezing van Trump is de aankondiging van het einde van de VS als hegemonische macht in de wereld. En beide gevallen zijn symptomen van een dodelijke kwaal: het einde van het geloof in het democratische model als de beste manier om een staat, laat staan de wereld, te besturen.

Begrijp me goed: zowel de EU als de VS zullen hun macht behouden, maar ze verliezen hun gezag, het geloof en het vertrouwen dat ze inboezemden als democratische machtscentra die het in wezen goed deden, en die het goed voor hadden hun burgers en met de wereld. En dat verlies aan gezag treft het systeem dat zowel de EU als de VS in het post-Koude Oorlog tijdperk propageerden: de representatieve democratie gebaseerd op een strakke scheiding der machten en op de grote waarden van de Liberale traditie.

Dat systeem wordt ook steeds meer expliciet in vraag gesteld. Extreemrechtse politici over heel Europa en daarbuiten gebruiken verkiezingen steeds meer als een opstap naar autocratisch bestuur, en gebruiken hun mandaten als een instrument voor de afbouw van bestaande systemen van democratisch pluralisme, mensenrechten en burgerlijke vrijheden. Het zou makkelijk zijn hier te wijzen op het vernuft waarmee Erdogan de coup van juli 2016 heeft gebruikt als aanleiding tot een grote zuivering van Stalinistische proporties – terwijl hij om de haverklap het kwaliteitslabel van “democratie” op zijn hervormde staat plakt en eenieder die dat betwist prompt tot “terrorist” omdoopt. Maar het fenomeen is veel verder verspreid, en zeker in de context van zowel de strijd tegen terreur als de aanhoudende neoliberale austeriteitsmanie in de EU hebben politici en instellingen (de EU zelve op kop) hun aanspraken op “democratie” te grabbel gegooid.

En dat brengt ons tot de derde crisis.

De informatiecrisis

Zowel bij de Brexit als bij de verkiezing van Trump dook om de haverklap een woord op: populisme. Het is een wat onhandig woord, want het kan staan voor zowat elk retorisch manoeuvre dat iemand publiek maakt, en dus werd het vergezeld van het woord-van-het-jaar: post-truth. Let op: deze termen doken niet enkel dààr op; we hoorden ze het hele jaar door als een vast motief in zowat elk politiek evenement. “Populisme” werd frequent gebruikt bij de discussie over het CETA-verdrag, het Italiaanse referendum over de Grondwetsherziening, het Oekraïne-referendum in Nederland, de (her)verkiezing van Jeremy Corbyn tot Labour-leider in het VK, de verkiezing(en) van de Oostenrijkse president, de verkiezingen in Spanje, deelstaatverkiezingen in Duitsland, de start van de electorale race naar het Elysée in Frankrijk, de debatten over asiel en migratie over zowat de gehele EU, het proces tegen Wilders, de verkiezing van Duterte in de Filipijnen – noem maar op.

Wat de term “populisme” – en “post-truth” – in elk van die gevallen aangaf was de grote rol van leugens in elk van die politieke evenementen. Of laat ons preciezer zijn: de enorme densiteit van leugens door politici en opiniemakers, die door de massamedia niet werden weerlegd maar simpelweg werden doorgegeven. Politici braakten eender wat uit – denk aan de UKIP bus die door Britse steden reed met het opschrift dat Brexit wekelijks 350 miljoen Pond zou vrijmaken voor de NHS, of aan Trumps “lange muur” belofte. Maar denk ook aan de fenomenale overdrijvingen van het migratie- en terreur-gevaar door zowat alle leidende politici in de EU, de leugens over het economische herstelbeleid en z’n cijfers (voorspellingen over aantallen nieuwe jobs zijn een gimmick geworden), de enorme stroom aantijgingen en verdachtmakingen tegenover individuen en groepen die nergens op slaan, en de potsierlijke voorspellingen van het genre “het politieke lot van Merkel is bezegeld” of “we zetten de deur open voor miljoenen migranten” die klinkklare nonsens bleken.

Niets nieuws, uiteraard, ware het niet dat deze perceptie van leugenachtigheid en onbetrouwbaarheid zich nu heeft uitgestrekt naar het hele veld van de media zelf. In 2016 dook de term “MSM” op – “mainstream media” – als een scheldwoord, een term die op zichzelf al een uitgesproken negatieve connotatie heeft. MSM zijn de grote leugenmachines, de producenten van “propaganda” en “fake news” (twee andere termen die we tot het register van 2016 mogen rekenen). En ze zijn daarbij niet alleen, wat in 2016 kwamen ook de sociale media onder vuur te liggen als producenten van “fake news”. Wat zich in 2016 op gang trok, met andere woorden, was een heftige strijd over waarheid en feitelijkheid die het gehele veld van de informatiestromen verdacht en onbetrouwbaar maakte.

Immers, Trump voerde zijn campagne grotendeels via sociale media en expliciet tégen de MSM die hij als onbetrouwbaar en vooringenomen beschouwde, terwijl hij zelf de meest groteske uitspraken via Twitter op de wereld afvuurde. Hij gebruikte daarbij telkens weer het argument dat zijn versie van de feiten in de MSM werd doodgezwegen of verdraaid, dat daardoor zijn “waarheid” geen ruimte kreeg, en dat het “debat” op die manier werd gemanipuleerd. De zaken moeten benoemd worden, en de grote media weigeren dat, dus gebruik ik de kleine media – dit is een motief dat we al jaren bij mensen als Wilders en andere extreemrechtse politici in Europa mogen horen.

Het is een zeer opvallend feit: informatie was het hoofdthema van de Amerikaanse presidentscampagnes. De “verborgen” of “verzwegen feiten” die uit Clintons gelekte emails zouden blijken, de rol van Wikileaks en de Russen in het manipuleren daarvan, de mogelijke hacking van de servers van de Democraten door diezelfde Russen: de eindstrijd tussen Trump en Clinton werd beheerst door gevechten over het kwaliteitsgehalte en de legitimiteit van informatie en informatiestromen, hun origine en de manipulaties die men ermee uitvoerde. In Europa richtte de strijd zich op de kwaliteit van de peilingen – waarvan de onbetrouwbaarheid nu wel voor iedereen helder is – en op de manifeste vooringenomenheid van grote media zoals die van het Murdoch-imperium. Wat dat laatste betreft: daar waar ze nog bestaan in die vorm liggen in de hele EU de openbare omroepen en de “kwaliteitskranten” evengoed onder vuur als de private media.

Ook hier speelde de crisis in Syrië, met als afgeleiden de vluchtelingencrisis en de terreuraanslagen, een centrale rol. Het is nu wel voor zowat iedereen duidelijk dat, welke zender men ook als bron hanteert, men geen “objectiviteit” hoeft te verwachten. Er heerst een acuut besef van de rol van ideologische filters, selectie en censuur, en van de systematische overbelichting resp. onderbelichting van bepaalde aspecten die een ruim en gediversifieerd beeld van de feiten verhinderen. Niemand voelt zich nog geïnformeerd, het a priori wantrouwen in informatie is sterk verspreid. Dat is voldoende grond om dit alles als een informatiecrisis te omschrijven. En dat is – vergeef de woordspeling – slecht nieuws.

De systeemcrisis: post-truth en post-democratie?

Toen Alexis de Tocqueville Amerika bezocht, bewonderde hij daar de vrije pers die er overal voor zorgde dat de Amerikaanse burger geïnformeerd was over zaken die van publiek belang werden geacht. Tocqueville zag die vrije pers als een belangrijke infrastructuur voor de democratie, en we hebben dat idee ook met z’n allen overgenomen: geen democratie zonder een vrije pers.

We hebben echter slechts een deel overgenomen van wat Tocqueville over die vrije pers te zeggen had. Hij waarschuwde er immers ook voor dat die media, net omdat ze “vrij” zijn, wel eens een hele foute richting zouden kunnen ingaan. Tocqueville drukte de vrees uit voor de “waan van de dag”, de manieren waarop media, net omdat ze zo effectief zijn als informatiekanaal, stommiteiten en dwaasheden als “algemeen belang” zouden kunnen verkopen, en op die manier de democratie zouden kunnen ondermijnen. De democratie, zo betoogde hij, vereiste immers een “democratisch mens”, en zo’n mens kon er enkel komen wanneer hij of zij geïnformeerd zelfstandig kon oordelen vanuit het algemeen belang. Vandaar dat we de media vaak “de vierde macht” in een democratisch bestel noemen.

Die voetnoot hebben we verwaarloosd, en we zijn een vrijwel automatische associatie gaan maken tussen “vrije pers” en “waarheid”. Waar de pers vrij is – lees: waar ze niet in handen is van de overheid – brengt ze ons de waarheid, want dat is nu eenmaal de taak van de journalist. En omgekeerd, waar de pers in handen is van de overheid, spreekt ze die waarheid niet. Daar verschaft ze propaganda en manipuleert ze de geesten van de mensen. We hebben zo twee nogal belangrijke ontwikkelingen over het hoofd gezien: dat private belangen in de media evengoed propaganda en hersenspoeling kunnen opleveren; en dat er een enorme beroepsgroep is ontstaan – communicatieprofessionals en marketeers – wiens taak er precies in bestaat om specifieke belangen om te zetten naar zaken die iedereen van groot belang acht. Anders gezegd: om vooringenomenheid te communiceren als objectiviteit, om iets wat men wil geloven om te zetten tot iets wat men moet weten.

Voor het eerste volstaat het te verwijzen naar de politieke invloed  die doelbewust en doelgericht een deel is van de mediastrategie van de Murdoch-media (of die van Van Thillo in de Lage Landen); voor het tweede kunnen we vermelden dat, sinds de oorlog in de Balkan in de vroege jaren 1990, oorlogvoerende partijen in zowat ieder conflict grote communicatiefirma’s onder de arm nemen om hun versie van de waarheid aan de internationale gemeenschap te slijten. Een vrijwel naadloze vermenging van beide zien we nu in de grote internetspelers – Google, Facebook en Microsoft – die de aanvoer van informatie op hun nieuwe media aansturen via filters, en in de andere richting gebruiken als marketinginstrumenten. Heel veel van wat we als nieuws beschouwen, is in realiteit reclame, of, zo U wil, propaganda.

Er is dan ook een enorm complexe dialectiek ontstaan tussen MSM en sociale media, waarbij die laatste veelal als “fact check” op de eerste gaan fungeren, terwijl ze op hun beurt een bron van propaganda geworden zijn. De hoeveelheid berichten op sociale media, waarin mediaberichten worden aangevallen of gereproduceerd, is verbijsterend, en niet enkel bij piekmomenten in het publieke debat – mediakritiek is een van de belangrijkste genres in het sociale mediagebruik geworden. Uit die kritiek spreekt een enorme onzekerheid over wat betrouwbaar nieuws is, over wat men als feit wil erkennen en wat niet. Daarbij hanteert men het uitgangspunt: alles is een opinie, wat ook de bron ervan is. En dat kritische uitgangspunt richt zich met name op de traditionele producenten van “feiten”: de professionele journalisten en hun massamedia, de wetenschappers en publieke intellectuelen, en de politici. (Bij die laatste groep zal men misschien de wenkbrauwen fronsen, maar politici – of men het wil of niet – zijn traditioneel de aanvoerders van wat door velen als “feit” beschouwd wordt; in het veld van de economie, bijvoorbeeld, spelen ze nog steeds die rol).

Die verschuiving, van “feit” naar “opinie”, zorgt ervoor dat de geïnformeerde burger – een basisvoorwaarde voor een democratisch systeem, zoals we zagen – ophoudt te bestaan. In een realistische visie zal die allicht nooit écht bestaan hebben – de burger zal altijd wel gemanipuleerd geweest zijn – maar wat we nu hebben is een wijdverspreid besef dat men gemanipuleerd wordt, een bewustzijn dat men haast zeker misleid wordt, vaak terecht en soms ten onrechte, en dat men dus de eigen waarheid maar zelf moet ineen knutselen – als “opinie”. Dat is dan de post-truth cultuur: men heeft afgeleerd zichzelf als voldoende geïnformeerd te beschouwen om gerechtvaardigde politieke standpunten uit te drukken, en men heeft de oudere methodiek van de waarheid vervangen door een bricolage van opinievorming. De uitkomst van die bricolage ziet men dan, vanuit een soort democratische gedachte, als evenwaardig aan elke andere “waarheid” – waardoor de confrontatie met die andere waarheden aanleiding geeft tot brutale en verbaal-gewelddadige vormen van extreem gepolariseerd meningsverschil. En die gepolariseerde opinies worden dan teruggekoppeld als een filter voor de berichtgeving van de MSM, die daardoor nog kritischer worden bekeken, want wanneer iets niet extreem rechts is moét het wel extreem links zijn en omgekeerd.

De cynicus zou dus zeggen dat we in het post-truth tijdperk allemaal perfect postmodern zijn geworden – er is geen waarheid, er zijn enkel constructies die men waarheid noemt. We leven daardoor ook in een enorme mozaïek van kleine opiniegemeenschappen, binnen een zeer gefragmenteerde publieke ruimte die op geen enkele manier nog overeen stemt met de klassiek-democratische “civil society” en haar Habermas-iaanse droom van dialoog en debat. Die droom, zo blijkt nu, berustte op een zekerheid dat elke burger zich deugdelijk kon informeren aan bronnen die – desnoods via een kritische fact-check – als aanvoerders van feiten beschouwd en erkend werden. In zoverre dat zo’n “civil society”, samen met de “vrije pers” waarin ze haar vertrouwen ter zake moest stellen, deel waren van de infrastructuur van een democratisch systeem, zijn we ze kwijt. Wat ervoor in de plaats komt is vooralsnog zeer onduidelijk.

Ook dat is dus een crisis. En de crisis van de wereldorde zowel als die van de legitimiteit van het democratische model worden versterkt en gecompliceerd door de informatiecrisis: in beide gevallen staan we voor een crisis in het begrip van deze dingen, de waarheid over deze zaken. Het is een crisis die zich uitstrekt over zowat elk woord en elk concept dat we courant hanteren om te praten en te denken over dingen die zich in onze wereld voordoen. Een crisis, dus, van ijkpunten, aannamen, definities en vormen van argumentatie, die zich nu over zowat elk thema heeft verspreid. 2016 ontnam ons Leonard Cohen, Dario Fo en Fidel Castro. Het ontnam ons ook de zekerheid dat de waarheid uit een bepaalde bron komt. Het is daarom een jaar geweest van enorme verliezen.

by-nc

 

 

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s