Begrotingstips: bespaar op de politiek

728959

Jan Blommaert

De begroting klopt weer niet, en er is enkel nog geld te vinden in de sociale zekerheid hoort men links en rechts – enfin, rechts. Mensen als Rutten, Van Overtveldt en De Block zoeken naar goede gewoonte het geld waar het niet zit: bij degenen die er geen hebben. Maar als je even rondkijkt zijn er evidente uitgavenposten waar men netjes rond fietst.

Bij elke begrotingscontrole raken we binnen de kortste keren vast in de pensée unique: er moeten “structurele maatregelen” genomen worden, en dat zijn altijd dezelfde: snoei verder aan wat er overblijft van de verzorgingsstaat, en duw de onderkant van de samenleving nog verder naar beneden. Enkele maanden later stelt men vast dat er alweer een gat in de begroting zit, en hetzelfde spelletje wordt hervat.

De debatten zijn steevast dezelfde: de oppositie eist een faire fiscaliteit die ook de bovenkant van de samenleving niet ontziet. De sporen zijn getrokken en vastgevroren, en telkens weer horen we dezelfde discussie met dezelfde uitkomst. Nochtans zijn er ook andere mogelijke maatregelen, pistes die men angstvallig vermijdt, zonder goede redenen. Ik bespreek er eentje.

Wat kost de politiek?

Als de begroting niet klopt dan is dat, simpel samengevat, de regering die teveel geld uitgeeft en er te weinig ontvangt. Dat boven z’n stand leven wordt dan afgewenteld op de bevolking, terwijl er een kostenpost is die men volkomen onaangeroerd laat: “de politiek” zelf, het wereldje van de verkozen politici, hun mandaten en werkzaamheden.

In 2010 bracht Vacature een reeks uit over wat onze verkozenen verdienen, en wat ze de samenleving dus kosten. De resultaten zijn bepaald verbluffend. De kost van ons Federaal Parlement gedeeld door het aantal verkozenen geeft een jaarlijks bedrag van 772.900€ per parlementslid. De Senaat (een orgaan waarvan de bevoegdheden niet voor eenieder even duidelijk zijn) is nog duurder: een senator kost ons jaarlijks 1.100.000€. In 2010 kostten de federale Kamer en Senaat ons samen 196 miljoen, en ik neem voor het gemak dat cijfer als huidig richtgetal over, ook al ligt het werkelijke bedrag vandaag ongetwijfeld hoger.

De individuele lonen van politici zijn eveneens zeer aanzienlijk. De basisvergoeding van een parlementslid was in 2010 een goeie 81.000€ per jaar, en allerhande functies of mandaten kunnen dat nog mooi aanvullen. Siegfried Bracke ontvangt als Kamervoorzitter jaarlijks ruim 300.000€ aan belastinggeld en is daarmee de best bezoldigde (of beter: “gesubsidieerde”) politicus van dit land. Ter vergelijking, het gemiddelde loon in dit land bedraagt 3.414€ bruto per maand, en het leefloon voor een alleenstaande bedraagt 867€. Parlementsleden hebben daar bovenop nog een heel mooie pensioenregeling (“verworven rechten”, dixit Bracke) en een genereuze fiscale regeling voor onkosten (28% van het bruto jaarloon is belastingvrij). Vacature wist ook te melden dat de lonen van senatoren tussen 1995 en 2010 bijna verdubbeld waren.

Wat de regeringsleden betreft, daarvoor kunnen we terecht bij een overzichtje van Jobat van april dit jaar. Die becijferde dat de leden van Michel I tussen de 227.000€ en 212.000€ bruto per jaar mee naar huis mogen nemen. Ook daar gelden aantrekkelijke regelingen inzake onkosten.

Dat geld komt uit dezelfde pot als dat van de OCMW-toelagen en allerhande andere uitkeringen: de staatskas. Degene die het betaalt is de belastingbetaler. Het zijn dus overheidsuitgaven (te herformuleren als “subsidies”) waarop een overheid budgettair kan ingrijpen. Immers, om het in een bepaald jargon te stellen, verkozen politici, hun kabinetsleden en medewerkers leven “op onze kosten”.

We trekken dat jargon nu even door en bekijken de politiek zoals men elke uitgavenpost van de overheid zou moeten bekijken: nuchter, onbevangen, maar streng en beginselvast – en dat beginsel heet nu voor wat hoort wat.

Bespaar op de politiek

Het kan niet zijn dat carrièrepolitici, die een loon ontvangen dat een meervoud is van het gemiddelde loon in dit land en een belastingstelsel genieten vergelijkbaar met dat van een bedrijf, maatregelen blijven nemen waarvan ze zelf de gevolgen niet voelen. Daarom deze concrete voorstellen:

1. Elke besparingsronde moet beginnen bij politici zelf. Zoals een kleine zelfstandige bij tegenvallende inkomsten de tering naar de nering zet, moeten de bestuurders van de NV België zelf als eerste loonmatigingen doorvoeren wanneer hun winkel slecht draait. De parlementaire lonen en vergoedingen zijn hoog genoeg om een bezuiniging van, zeg maar, 20% te verdragen; die van uitvoerende en ondersteunende functies – Ministers, kabinetsleden, consultants – eveneens. Een “haircut” van 20% op de totale kost van de Federale Kamer zou ons jaarlijks een slordige 22 miljoen opleveren, en 16 miljoen bij de Senaat. Dat is een heel mooie structurele maatregel die zonder twijfel zeer goed te verdedigen is in de publieke opinie – doe gerust een peiling als je hier moeite mee hebt.

2. Besparingen of niet, onze regeringsleden houden er een behoorlijk royale wandel op na. Hun lonen kennen we al. Maar federale kabinetten alleen al kostten ons in 2015 zo’n 54 miljoen Euro, berekende Kristof Calvo, en daar zijn de kosten van externe consultants niet bij gerekend. Elke besparingsronde moet dan ook een objectieve evaluatie inhouden van de kosten gemaakt door deze regering zelf, gericht op verregaande bezuinigingen. Die bezuinigingen moeten even kordaat gebeuren als die in de andere delen van de publieke sector. Bijvoorbeeld: kunnen we ons bij tegenvallende begrotingsresultaten nog de luxe van het staatssecretariaat van Pieter De Crem veroorloven? Of helikopters, First of Business Class vluchten en vijf-sterrenhotels bij buitenlandse reizen van excellenties en hun medewerkers? Dure locaties en peperdure beveiliging voor weinig relevante vergaderingen of evenementen? En wat te denken van het samenvoegen en rationaliseren van de kabinetten van Jambon en Francken, die blijkbaar volmaakt dezelfde lijnen volgen? Stel dat we ook hier een “haircut” van 20% opleggen, dan halen we alweer 11 miljoen per jaar op.

4. Absenteïsme in het Parlement is, zoals elders in deze wereld van gecontroleerde arbeid, een vorm van werkweigering of werkverzuim. Deze regering heeft daarmee geen genade, behalve wanneer het om de leden van haar eigen kaste gaat. Een recent onderzoekje van De Tijd toonde dat mooi aan: absenteïsme in het Vlaams Parlement is eigenlijk gewoon verbluffend en beschamend, en het afwezige parlementslid geeft twee mogelijke signalen – ofwel is het parlement nutteloos, ofwel het afwezige parlementslid. Nochtans zou het helder moeten zijn: wie door ons vet betaald wordt om in het Parlement te zetelen, MOET dat ook doen, anders (a) moet de voorziene loonsanctie zonder pardon worden opgelegd (een dag werkverzuim is uiteraard een dag zonder loon) en (b) na herhaalde overtredingen moet kortweg ontslag volgen. Het kan niet zijn dat parlementsleden nog geen 10% van de zittingen bijwonen, en daarmee straffeloos wegraken. Ook parlementsleden die verzuimen te werken mogen, desnoods op onvriendelijke wijze, “geactiveerd” worden – hangmatparlementairen hoeven we niet. Ik ga ervan uit dat de kost van onze parlementen door deze strengere, maar volkomen correcte, controle van de werkvloer nog eens 1% besparingen zal opleveren.

2. Verkozenen moeten hun cumuls kenbaar maken, en er zijn er nogal wat die dat “vergeten”. In ander contexten – denk aan een steuntrekker – zou men dit snel vertalen als fraude met overheidsgeld, en we hebben een staatssecretaris die dat moet bestrijden want het is een ernstige kwaal in onze samenleving. Dat soort oneerlijkheid met publiek geld kan niet streng genoeg bestraft worden, hoort men op alle banken. Uitstekend, laat ons dit doortrekken. Elke vorm van gesjoemel bij politici moet even streng bestraft worden. Ze moeten het werk doen waarvoor wij hen betalen, en ze moeten het volk vertegenwoordigen waar dat hoort: in het parlement, en niet in allerhande buitenparlementaire omgevingen. Wie dat niet aanvaardt hoort dit land niet op onze kosten te besturen. Schorsing van uitkering – parlementaire wedde – ligt voor de hand. En ook dat voor de hand liggend middel zal geld opleveren voor de staatskas – ik begroot het op zo’n 1,5% van de totale kost van het parlement. Bij wijze van voetnoot: één geschorst parlementslid brengt evenveel geld op als ongeveer 80 geschorste leefloners. Budgettair is dit dan ook een uiterst efficiënte maatregel.

5. Hierbij aansluitend, en zeker even efficiënt: men overweegt nu een middelentoets voor werklozen, vanuit de redenering dat je geen geld van de belastingbetaler nodig hebt wanneer je eigen middelen hebt. Okee, maar laat ons de middelentoets ook opleggen aan politici. Want wie via cumuls of privémiddelen meer dan genoeg heeft, die moet geen loon uit de belastingen van de zwoegende Belg meer ontvangen. Iets volkser gezegd: wie drie huizen bezit hoeft geen parlementaire wedde meer te krijgen. Maak er dan ook maar een halfjaarlijkse middelentoets van, zodat men niet ongemerkt van maagd tot hoer kan evolueren tijdens het mandaat. Gezien wat we weten over de inkomens van onze verkozenen denk ik dat we het parlementaire loonvolume met zo’n 30% kunnen verlagen, wat de totale werkingskost van het parlement met nog eens ongeveer 9% reduceert.

6. Wie ook de dotaties van de partijen op een haircut van 20% trakteert mag nog eens 12 miljoen besparingen bijschrijven. Want, ja, partijen ontvangen zowat 60 miljoen belastinggeld. En hebben geen rechtspersoonlijkheid. En ja, we leven allemaal boven onze stand: ook deze subsidiestroom kunnen we ons niet meer veroorloven.

Al deze maatregelen kunnen onze politici zichzelf opleggen, zonder enige dwang en met goede redenen. Ze zijn trouwens de enige beroepsklasse die tegelijk rechter en partij is – elke maatregel inzake hun financiering kan door niemand dan henzelf worden opgelegd. Het is dus een zaak van legitimiteit en integriteit. Maar er is de begrotingsdiscipline uit het regeerakkoord, er is de wet en er is het tuchtreglement van het parlement, en die wijzen allemaal in dezelfde richting: doén. The time is now, zou ik denken.

De afrekening

Ik reken even af. Wanneer we de totale kost van de federale Kamer en Senaat samen leggen met die van de kabinetten van de federale regeringsleden, dan komen we tot een kost aan de belastingbetaler van 250 miljoen Euro per jaar. Als we alle structurele maatregelen uitvoeren die ik hier voorstel, dan betekent dat een jaarlijkse besparing van 84 miljoen Euro – of een kwart miljard over de drie volgende legislatuurjaren.

Het gaat hier om structurele besparingen in het overheidsapparaat, dus de EU zal dit bejubelen. Het plan heeft uiteraard geen negatieve invloed op de concurrentiekracht van onze ondernemingen of op het investeringsklimaat in dit land. En het kost ook geen banen – De Crem mag na ontslag uit de regering rustig verder zijn parlementair werk doen, zodat we 120.000€ loonkost besparen zonder de arme sloeber zonder werk te zetten. Tenslotte, ook de bevolking zal, zoals gezegd, vermoedelijk niet morren over deze ingrepen. Een peiling zal dit snel bevestigen.

Politici misschien wel. Er zijn politici die uitleggen dat een politiek mandaat slechts een tijdelijke en onzekere baan is, wat dan de hoge lonen moet motiveren. Jazeker, maar men moet nu eenmaal onpopulaire maar noodzakelijke maatregelen durven nemen, het is gewoon een kwestie van politieke moed, van durven. Bovendien, dankzij de Wet-Peeters wordt ELKE baan per definitie tijdelijk en onzeker. Dat heet nu “flexibiliteit” en het levert geen extra loon of privileges meer op – het is de “modernisering van de arbeidsmarkt” et c’est tout. De vaste benoeming en de levenslange loopbaan binnen hetzelfde bedrijf zijn “niet meer van deze tijd” hoor ik haast dagelijks, en ook de “verworven rechten” (Bracke, attentie!) zijn een afgeschaft begrip. Dus dat argument kan niet meer ernstig genomen worden. Een parlementsmandaat is dus geen voetbalcontract bij Chelsea, maar een overheidsbaan zoals een andere, betaald uit middelen die constant onder druk staan en dus met uiterste zuinigheid en ernst beheerd moeten worden.(1)

Deze regering wil absoluut een slanke staat met lage uitgaven, en is tegen het misbruik van publiek geld door eender wie. Dus ook door politici, neem ik aan, want ik zie niet goed in waarom zij zouden moeten vrijgesteld zijn van de soberheid die ze de grote massa van hun volk opleggen.

Meer nog, de verkozen politiek kunnen we net zo goed zien als een groot overheidsbedrijf met een paar duizend rechtstreekse en onrechtstreekse werknemers. Dat bedrijf is niet echt performant, als we het begrotingswerk zien: het is uiterst verlieslatend en niet competitief als we het vergelijken met de Europese concurrenten. Het personeel ervan kent geen cultuur van regelmatige functiegesprekken of evaluaties, kan slechts om de vijf jaar gesanctioneerd worden (al kan ook dat door handig spelen met de kieslijsten vermeden worden) en geeft blijk van een zeer bedenkelijke arbeidsethos – zie het absenteïsme en de vorstelijke vergoedingen die als “verworven rechten” worden gezien.

Tiens, dat doet me denken aan wat ik vaak lees, uit de pen van politici, over de NMBS. Dus misschien moeten we ook dit overheidsbedrijf herstructureren? Het zou onze politici minstens leren hoe dat aanvoelt. En wat het debat betreft – het zo graag gevoerde debat – is het niet goed dat er blinde vlekken in blijven zitten. Alles moet bespreekbaar zijn, ook de taboes.

Noot

(1) Er zijn nog twee andere argumenten die geregeld opduiken wanneer de hoge verloning van politici een punt van debat wordt: (1) het feit dat hoge lonen nodig zijn om “talent” aan te trekken, vooral dan “uit de privé”; (2) het verwijt van populisme – praten over de rijkelijke lonen en arbeidsomstandigheden die politici zichzelf toekennen wordt steevast en onveranderlijk als “populistisch” afgeserveerd.

Wat het eerste argument betreft volstaat het te verwijzen naar wat Bart De Wever – een mens die het kan weten – over het aanwezige “talent” onder politici denkt. Naar zijn nuchtere mening zit er zowat de helft “ballast” in onze parlementen – gasten die volmaakt nutteloos zijn en nooit “in de privé” aan de slag zouden kunnen. Ik kan me enkel neerleggen bij het gezag van deze analyse. Al is het zo dat De Wever zelf de zowat de slechtste scores haalt inzake werkverzuim in het Vlaams Parlement, en dit al gedurende geruime tijd, en in mijn begrotingsvoorstel dan ook één van de eersten zal zijn die z’n uitkering geschorst kan zien.

Wat het tweede argument betreft, populisme: ik doe hier in wezen niets anders dan het overnemen van redeneringen en argumenten die politici zelf voortdurend gebruiken. Als de toepassing ervan op henzelf “populistisch” is, waarom is de toepassing ervan op een werkloze of een mens die leefloon ontvangt niet populistisch?

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s