Tinneke Beeckman en de politieke correctheid

151010-introtbeeckman

Jan Blommaert 

Tinneke Beeckman, een filosofe uit de stal van Etienne Vermeersch, ontpopt zich graag als deskundige inzake politieke correctheid. In columns in De Standaard had ze het al over intellectuelen en hun neiging tot PC (Politieke correctheid); en meer recent legde ze ook uit waarom PC zoveel ergernis opwekt.

Vermits PC een fenomeen is dat te maken houdt met politiek taalgebruik komt ze op mijn terrein, en in wat volgt geef ik dan ook wat kritische commentaren. En ik ga daar rustig de tijd en ruimte voor nemen, want discours-analytisch klopt wat ze zegt voor geen meter, en dat mag gezegd worden. We zijn in dit land gezegend met filosofen die erin slagen geen enkele aandacht te schenken aan hoe de zaken die ze bespreken in werkelijkheid opduiken en gestalte krijgen. Ze hebben ons over die werkelijkheid dan ook niet veel te vertellen, helaas.

Wat?

Beeckman ziet PC als een “discourstype”, een bepaald type van retoriek. Ze definieert het als volgt:

“Ik zou over politieke correctheid spreken wanneer het motief voor een stelling meer met morele pose dan met inhoudelijke argumenten te maken heeft.”

Ik vraag me af waarom hier het woord “pose” gehanteerd wordt – is het een onechte morele positie? Ik denk het niet, want ze volgt met haar definitie grotendeels de definitie van een Frans filosoof die het als volgt stelt:

“Over politieke correctheid valt een heldere definitie te geven. Politieke correctheid, schrijft Comte-Sponville in zijn ‘Dictionnaire philosophique’, gebeurt wanneer twee fundamentele dimensies van het leven – het morele en het politieke – worden verward. Wie dat doet, velt politiek een ontoereikend oordeel.”

Beeckman verdraait de woorden van haar Franse kompaan behoorlijk – het politieke wordt plots “inhoudelijk” – maar vermits ze nog altijd over discours in het politieke veld spreekt komt haar definitie neer op: PC is een discourstype waarin morele motieven inhoudelijke politieke argumenten domineren. Het morele en het inhoudelijke zijn in haar visie twee gescheiden zaken, en ze verhouden zich als elkaars tegengestelden in de politiek.

Wat dat “inhoudelijke” dan zou moeten zijn blijft onduidelijk – gaat het enkel om “feitelijke” argumenten? “rationele” argumenten? – zeker wanneer het om politiek discours gaat? Immers:

  • Er is een hele hoop onderzoek dat aangeeft dat elk taalgebruik diverse functies mengt: epistemische (rationele en feitelijke, zeg maar) zowel als morele, affectieve (emotionele) en esthetische; en dat een onderscheid tussen “morele” en “inhoudelijke” aspecten in communicatie dus geen grond heeft in de feiten. Er zijn weinig dingen waarover we zoveel morele uitspraken doen als over “de waarheid”.
  • De politiek is in realiteit een communicatiedomein dat nu net uitgesproken moreel werkt, en niet inhoudelijk – anders zouden er geen politieke partijen bestaan en zou men snel tot een consensus over “de feiten” moeten komen. Er wordt in het politieke forum in wezen zeer weinig over naakte “feiten” gepraat: feiten zijn altijd vergezeld van oordelen over de feiten – wat tot “de feiten” behoort, bijvoorbeeld, is een belangrijk voorwerp van politiek conflict. En eenvoudige zaken zoals de concrete woordkeuze – noemt men een politicus “zelfverzekerd” dan wel “arrogant”? – houden die hele beoordelingswereld al in.
  • Het is duidelijk dat politiek “links” historisch zeer duidelijke morele standpunten innam; maar Christendemocraten uiteraard ook, en liberalen eveneens. De “waarden” waarvoor ze staan, weet U nog? En de grootste politieke moralist van de laatste generatie is zonder tegenstand de heer De Wever, die in zijn boek “Werkbare waarden” de Vlamingen gewoon als morele gemeenschap definieerde.
  • Beeckman heeft het echter over morele motieven (niet argumenten). Daar geldt echter precies hetzelfde: de motieven waarom we bepaalde standpunten uitdragen zijn altijd argumentatief, dat wil zeggen subjectief, en bijgevolg vol met morele codes van wat wij vinden van ons eigen standpunt en dat van de ander. Ook hierover zou Beeckman wat hedendaags onderzoek kunnen raadplegen.

Beeckman laat haar definitie volgen door een interessant zinnetje: “Gelijk heb je wanneer je je tegenstander kan wegzetten als minder moreel.” Wel, ik stel dan vast dat precies het te kijk stellen van de tegenstrever als een “leugenaar” – iemand wiens “inhoudelijke” argumenten niet kloppen – een uitgesproken moreel oordeel is. En dat net dit oordeel van bijzonder groot belang is in de politieke ruimte – als een politicus zwart op wit blijkt te liegen, dan is dit geen kwestie van het gewicht van de waarheid, maar wel een kwestie over het politieke bestaan van die politicus. We verwachten van onze politici eerlijkheid (nogmaals, sla er a.u.b. wat onderzoek op na). En eerlijkheid is alweer een door-en-door moreel oordeel, dat gaat over hoe politici omspringen met “de feiten”.

Slotsom: als ik de definitie van Beeckman toegepas op de realiteit van communicatie, produceert iedereen constant PC. Meer nog, elke vorm van doodgewone communicatie is, aan de hand van haar definitie, politieke correctheid.

Wie?

Maar zo zit het volgens Beeckman uiteraard niet in mekaar. Eerst stelt ze snel vast dat PC, in de zin zoals zij die heeft geschetst, overal in het politieke domein kan optreden, dus ook bij rechts en extreemrechts. Nogal wiedes gegeven wat ik erover zei. Maar een paragraaf verder valt alles in een eenvoudiger en vertrouwder plooi: PC is een zaak van “Links”. Hier duikt meteen een enorm probleem op. Wie is dat “Links” waarover men het heeft?

Vermits ik me, zoals gezegd, bezig hou met de concrete communicatie – echte woorden uitgesproken of geschreven door echte mensen, en geen ideaaltypes of modellen van beide – kan ik de vraag met gerust geweten en uitgestreken gezicht stellen. Want vanuit onderzoek naar politieke communicatie weten we:

  • dat het afbakenen van heldere “kampen” in dit soort communicatie bijzonder moeilijk is; men kan argumenten empirisch associëren met bepaalde discourstradities die “links” of “rechts” te noemen zijn, maar de afbakening van die kampen is historisch relatief.
  • Indien men er al in slaagt dat soort kampen af te bakenen, dan houdt dit op geen enkele manier in dat die kampen statisch of homogeen zouden zijn. Er is namelijk iets wat men bestempelt als “ideologische fractaliteit”: ook binnen “Links” is er een linker- en een rechtervleugel, en binnen die linkervleugel van links geldt hetzelfde, enzovoort enzovoort, en elk van die fracties verschilt wel op één of andere manier van mening met andere. Mensen zijn nu eenmaal geen uniforme ideologie-dragers (zelfs niet in Sovjet-tijden, beste mensen). Dit verklaart waarom de sociaaldemocraten en communisten in dit land politiek onmogelijk op één lijn kunnen geplaatst worden, historisch noch vandaag de dag. De sociaaldemocraten en de Communisten stonden, bijvoorbeeld, in volkomen tegengestelde kampen tijdens de Koude Oorlog; Communisten zoals Kruithof werden decennia geleden uit de BSP gestoten, en wanneer men Crombez en Mertens over elkaars partijstandpunten hoort, dan vraagt men zich af hoe men hier over een alles overstijgend “Links” kan spreken. Over de positie van de groene partijen in een “Links” zoals Beeckman het zich verbeeldt zal ik het hier wegens plaatsgebrek niet hebben. En indien men denkt dat dit enkel een zaak is van Links moet het gebakkelei tussen N-VA en Vlaams Belang aan de rechterzijde maar eens bekijken.
  • Die kampen en hun plaatsing binnen een concreet politiek systeem zijn niet enkel historisch relatief, maar bovendien comparatief. Men noemt dingen “links” in vergelijking met “rechts”, en wanneer de grenzen van de ene verschuiven, verschuiven ook die van de andere De verschuiving van de sociaaldemocraten naar een “derde weg-socialisme” in de jaren 1990, bijvoorbeeld, zorgt ervoor dat sociaaldemocratische standpunten nu behoorlijk “rechtser” zijn dan enkele decennia terug. Men kan er de Verklaring van Quaregnon – de stichtingsakte van de Belgische sociaaldemocratie – eens op naslaan, en eens grasduinen in de ideologische congressen die de sociaaldemocraten doorheen de naoorlogse periode hielden. De relatieve plaats van wat men “linkse” of “rechtse” standpunten noemt verschuift constant.

Is dit detaillisme? Is dit niet relevant? Ik ga ervan uit dat wie iets zinnigs meent te zeggen over politieke communicatie in onze samenleving de vraag naar precisie moet kunnen beantwoorden. Want waarover heeft men het anders?

Dus wie is dat “Links” nu eigenlijk, dat het copyright op PC lijkt te bezitten? In de slordige redeneringen die men bij opiniemakers als Beeckman, Boudry en andere Liberales-gasten leest, bij sommige journalisten en bij politici zoals Siegfried Bracke, wordt “Links” geassocieerd met politieke partijen – doorgaans de sociaaldemocraten, soms op een hoopje gegooid met Groen; voor PVDA voorziet men een duidelijker etiket: “extreemlinks”. Vermits deze partijen allemaal beleidspartijen zijn of waren, associeert men PC dan ook minder met ideologische posities dan met beleidsmaatregelen van deze partijen. Maar wanneer het goed uitkomt gooit men er “de intellectuele elite” bij – wie dat dan is blijft uiteraard volstrekt onbepaald – en/of de “culturele elites” – met hetzelfde probleem.

Over de sociale bewegingen heeft men het zelden, over de (nochtans enorme) vakbonden nog minder, en over subculturen spreekt men helemaal niet. Men zoekt de definitie dus nooit inhoudelijk of thematisch, wel organiek. En men houdt geen rekening met de snel veranderende ideologische opstellingen van mensen, die best “rechts” kunnen stemmen maar zich in thema’s zoals natuurbehoud uitdrukkelijk “groen” opstellen en bovendien als vrijwilliger meedoen aan hulpacties voor vluchtelingen of taalles geven aan nieuwkomers. Neen, men opteert voor het intellectuele gemak dat geboden wordt door het langdurige bestaan van politieke partijen die ooit “links” waren en het daarom ook nu nog moeten zijn (iets wat men ook bij kranten graag als frame hanteert).

Het gebruik van de term “links” heeft één plezierig effect: iedereen knikt heftig wanneer de term wordt gebruikt, en wijst dan prompt naar een ander. Het gepraat over “Links” en PC dient vooral om alle anderen te identificeren, nooit zichzelf. Idem met termen zoals “radicaal”, “extreem” of “racist” – of zelfs “elite”. En het deelt die karakteristiek met elke geslaagde marketing-term: het is een term die “inhoudelijk” nergens op slaat en daardoor een uitgesproken morele categorisering uitlokt. Om Beeckmans absurde onderscheid nog even te illustreren.

Slotsom: we zagen al dat elke vorm van communicatie volgens de definitie van Beeckman een geval is van PC; nu zien we ook dat men PC toeschrijft aan iets wat men met geen middel precies kan bepalen. Zoals ik zei: discours-analytisch klopt het voor geen meter; men kan niet precies zeggen wat mensen doen, en evenmin wie die mensen zijn. En dit is helaas geen detail.

Waarom PC ergerlijk is

Beeckman heeft een boek gelezen.

“Maar waarom ligt de ‘politieke correctheid’ zo openlijk onder vuur? Omdat de linkse voorstanders van een politiek-correct discours de culturele hegemonie kwijt zijn. Dat is de echte omwenteling. In Frankrijk beschrijft de linkse politicoloog Gaël Brustier dit fenomeen, en hij verwijst naar Antonio Gramsci, de marxist die door Mussolini de gevangenis in vloog. Voor Gramsci blijft geen enkele politieke dominantie lang duren, wanneer die niet gepaard gaat met een culturele dominantie: met de mogelijkheid om een universum van ideeën, symbolen en beelden te creëren waarin de bevolking zich kan herkennen. In de politieke strijd telt de culturele vraag dus evenzeer als de economische of zuiver politieke. En die culturele strijd heeft links verloren.”

Uiteraard botsen we hier weeral op het onbepaalde “Links” dat we hierboven al uitgebreid onder handen namen. Maar nog interessanter is het argument dat hier wordt samengevat. “Links” is de culturele hegemonie kwijt. Enkelvoud. Er is er maar één, gevat in één culturele strijd, en die is (blijkbaar definitief) afgelopen.

Alweer moet ik Beeckman aanmoedigen om eens wat concreet onderzoek te lezen over deze thema’s. Want:

  • Hegemonie als enkelvoud, om een samenleving in een historisch periode te beschrijven, is klinkklare nonsens, en dat weten we al heel erg lang. Er zijn, ten eerste, heel veel hegemonische aspecten aan een samenleving: er is, bijvoorbeeld, een economische hegemonie, een hegemonie inzake arbeid, een hegemonie inzake democratie en haar instellingen, een hegemonie inzake informatie en haar kanalen (de idee van “vrije media”), een hegemonie inzake persoonlijke vrijheid, inzake het belang van onderwijs en ga zo maar voort. Ik heb het hier dan nog niet over zogenaamde “micro-hegemonieën” – de gedachten die heel kleine en concrete domeinen van ons leven bestrijken, en die gaan van de idee dat we ons “speciaal” moeten kleden voor “speciale” types sociaal contact, tot de idee dat witte wijn bij vis hoort en niet bij rood vlees. En uiteraard zijn er ook binnen sociale groepen allerhande hegemonieën aan het werk. Ik doe een gokje: binnen topkaders van grote bedrijven heerst een idee dat belastingen vermeden moeten worden; en bij N-VA en Vlaams Belang militanten heerst de idee dat Vlaanderen onafhankelijk moet worden. Die hegemonieën zijn om overduidelijke redenen zeer beperkt, maar potentieel machtig.
  • In elk van die domeinen ziet men dat die hegemonie tijdelijk is. Ze kan een behoorlijk lang leven hebben maar is nooit onsterfelijk. Denk maar aan de uiterst snelle omwenteling in de manier waarop men arbeid ziet, van een idee van arbeid als grondrecht en als bron van sociale rechten (ook tegenover de werkgever) naar een idee van arbeid als plicht en als competitief goed op een markt die door de koper (de werkgever) wordt gedomineerd. Die eerste idee heeft een mooie leeftijd bereikt – een goeie halve eeuw – maar is op een decennium tijd nagenoeg volledig vervangen door de tweede.
  • Dit voorbeeld maakt ons al duidelijk dat hegemonieën ook nooit ongecontesteerd blijven. Het absolute karakter van hegemonie (“links heeft de culturele strijd verloren”) is iets wat men vergeefs bij Gramsci zal zoeken: het gaat steeds om een strijd, een conflict waarin men dominante ideeën zal hebben en dissidente of anti-hegemonische ideeën die daarmee in strijd zijn. Dominante ideeën zijn pas hegemonisch wanneer ze, volgens Gramsci en Marx, “gedragen worden door de massa’s”. En wat merken we dan? dat een aantal huidige dominante ideeën – de neoliberale economische orde en het nieuwe “flexibele” arbeidsconcept, om maar een paar voorbeelden te geven – niet door de massa’s worden gedragen, wel door oligarchische en bureaucratische actoren. Ze zijn dus dominant beleid, maar geen hegemonieën. Meer nog, men kan stellen dat in onze samenleving nogal wat domeinen zijn waarin het gedachtegoed van de massa’s “links” is, terwijl het beleid “rechts” is. Dat linkse gedachtegoed wordt, bijvoorbeeld, vertolkt door alle vakbonden in dit land, en men merkt dus hoe handig het is om net die ongemakkelijke tegenstribbelaars uit het zicht te houden wanneer men het heeft over “Links”.
  • Immers, en ook hier had Gramsci wel wat over te zeggen, hegemonie komt niet uit de lucht gevallen. Ze wordt ontwikkeld, versterkt, verdedigd door concrete actoren. Althusser noemde ze “het ideologische staatsapparaat”: de grote sociale en culturele instituties zoals het onderwijs, religie en de massamedia, gezagsfiguren zoals professionele intellectuelen en kunstenaars, enzovoort. Bij Talcott Parsons gaat het om “integratieve subsystemen”, die er voor zorgen dat socialisatieprocessen van grote delen van de bevolking min of meer gelijk lopen. Hegemonie gaat over macht, en ze zal goed werken wanneer een bepaalde groep de machtsmiddelen van de samenleving in handen krijgt. De idee dat België een federale staat moet zijn was in de jaren 1970 nog een “extremistische” idee, terwijl de suggestie dat België z’n laatste adem mag uitblazen nu zonder veel omhaal als politieke wijsheid te verkopen valt. De separatisten zijn namelijk aan de macht.
  • Concreet: Brustier spreekt over Frankrijk; als het over ons land gaat dan schreeuwt de bewering dat de “culturele strijd” afgelopen en beslecht zou zijn om bewijzen. Want we zijn een land met een verzuilde traditie opgevolgd door een politiek systeem dat uitgesproken gepolariseerd en antagonistisch is – partijen en politici gaan sinds de jaren 1990 als water en vuur met mekaar om. Dus op welke grond spreekt men hier van een culturele strijd die z’n uitkomst zou hebben gevonden? En wat is die uitkomst dan wel? (Hou ook in gedachten dat voor Gramsci het winnen van een verkiezing niet volstaat om een hegemonie te vestigen).
  • En in het licht van de voorgaande punten is de electorale overwinning van nationalistische en xenofobe partijen van veel groter belang dan een nieuwe “hegemonie” die zich zou hebben geïnstalleerd. Beeckman kan er hele reeksen peilingen op naslaan: de radicale anti-multiculturalistische standpunten van Vlaams Belang en N-VA zijn eigen aan een bepaalde electorale kavel die voor alle partijen een doelwit is in electorale propaganda. Het politieke en electorale gewicht van die ideeën is dan ook veel groter dan de basis van die ideeën in de samenleving. En dat verklaart waarom iemand als Theo Francken zo graag in de media komt met repressieve anti-migratie standpunten, en zedig zwijgt over het feit dat hij de beleidsman is in onze recente geschiedenis die de grootste aantallen nieuwkomers in dit land toelaat.

We keren nog eens terug naar de tekst.

“Volgens Brustier heeft links niet zien aankomen dat de middenklasse bang is om te verarmen door globalisering, dat een multicultureel-gelaagde identiteit niet vanzelfsprekend tot veel democratische burgerzin leidt, dat jihadisme en fanatisme opnieuw de kop zouden opsteken. Tegelijkertijd leeft de linkse culturele hegemonie nog wel in culturele en media-instellingen volgens Brustier.”

De eerste elementen zijn, zoals we zagen, volstrekt betwistbare veralgemeningen; en er zijn in dit land nogal wat “linkse” mensen die het met het laatste punt absoluut oneens zullen zijn, dus geef ook hier eens wat concrete bewijzen. Maar het punt is dat hier alweer een bizarre bocht wordt genomen. De “culturele strijd” is volgens Beeckman (en Brustier) iets wat met multiculturalisme te maken heeft, en niet met, zeg maar, arbeid of economie. “Links” moet dat op de één of andere wijze bepleit hebben, en heeft nu die strijd verloren.

Hebben we het hier over een écht land, een échte geschiedenis en échte politieke actoren? Want in zoverre Beeckman hier – zoals elders – “Links” ziet als de “linkse” politieke partijen die we boven beschreven, dan zien we dat dàt links nooit dit zogeheten multiculuralisme heeft verdedigd. Partijpolitiek links liet zich vanaf het einde van de jaren 1980 meteen in het kielzog van het Vlaams Blok drijven, en met Ministers van Binnenlandse Zaken zoals Louis Tobback en Johan Vande Lanotte (bijgestaan, op kritieke momenten, door Etienne Vermeersch) werd het migrantenthema helemaal opgezogen in het domein van politie en veiligheid, werden de politieke rechten van allochtonen sine die onbespreekbaar gemaakt, racisme daarentegen volkomen bespreekbaar, en werd een repressief arsenaal ontwikkeld voor de opvang van vluchtelingen. Het integratiebeleid in dit land werd uitgetekend door Christendemocraten en het was Guy Verhofstadt die het cordon sanitaire tegen het Vlaams Blok uitriep – een initiatief van een linkse burgerbeweging die niets met de sociaaldemocratie te maken had. Dat “socialistische” regeringen later regularisaties doorvoerden en een zogenaamde “snel-Belg wet” aannamen was geen blijk van enthousiasme voor multiculuraliteit, in weerwil van wat Theo Francken graag zou hebben: het was een respons op onhoudbaar geworden praktische problemen die het gevolg waren van een repressief beleid. Net zoals de vele duizenden nieuwkomers die Francken nu bon gré mal gré in ons land moet toelaten.

Slotsom: In zoverre er sprake was van een “multiculturalisme kamp” in die “culturele strijd” dan was dat kamp klein, machteloos en marginaal, en moest het z’n culturele strijd voeren tegen datgene wat Beeckman en anderen onder “Links” verstaan. Dat “Links” heeft de economische strijd verloren, en de strijd om democratie; de culturele strijd heeft het echter nooit gevoerd. Ik wacht graag op bewijzen van het tegendeel. En in afwachting daarvan veroorloof ik me dit verhaaltje over “Links” dat de culturele strijd om hegemonie verloren zou hebben als onzin te bestempelen.

PC als argument

Ik raap nu wat elementen uit het voorgaande bij mekaar in een conclusie. PC wordt in de praktijk van politieke communicatie nooit positief gebruikt, maar altijd als verwijt. Concreet: het wordt gebruikt als een korte uitdrukking die slaat op naïeve, wereldvreemde standpunten die in een leugenachtig, oneerlijk discours worden gegoten, dat dan nog eens schuldig wordt verklaard aan alle “problemen” die we met migranten zouden hebben. Nodeloos te zeggen dat dit verwijt uitsluitend op anderen wordt toegepast.

Dàt, dames en heren, is de echte gebruiksbetekenis van PC in ons politiek taalgebruik. Het is een relationeel begrip dat een negatief moreel oordeel inhoudt over de standpunten en vertogen van anderen. Het is wat we in technisch jargon een “metapragmatische categoriserende term” heet – zoals “nonsens”, “leugens” of “juist”. Beeckman ziet ook dàt vanzelfsprekend over het hoofd. Voor haar is PC een realiteit-an-sich, iets wat ergens, in één of andere wereld, gebruikt wordt door wezens die dan als “Links” worden omschreven. En die vanzelfsprekend fout zijn – of beter, de hegemonie hebben verloren, voilà.

Spreken over PC in de zin die hier is geschetst gaat dan ook uit van een moreel motief, het te kijk stellen van anderen als mensen die er op los kletsen. En zoals we hebben gezien blijkt dat morele motief bitter weinig “inhoudelijke” argumenten aan te drijven. Meer nog: wie de realiteit van politieke communicatie onderzoekt stelt keer op keer vast hoe het verhaaltje van “Links” en haar PC een bestaan lijkt te leiden dat volledig losgemaakt is van elke empirische waarneming. Ik heb al wat jaren de volgende concrete vragen klaar voor wie hierover het debat wil aangaan, want ofwel hebben we het over iets échts en moeten we het precies kunnen begrijpen, ofwel vertellen we borrelpraatjes. Is PC een echt discours, gebruikt door echte mensen? Indien je dat denkt of gelooft verwacht ik dat je het volgende lijstje aanpakt.

  • Toon me wie dat politiek correcte “Links” effectief is of was, concreet en met naam en toenaam;
  • Geef me concrete voorbeelden van wat je begrijpt onder PC – geef me dus criteria en eigenschappen die testbaar zijn in de realiteit;
  • Toon me dat dit “Links” de machtsmiddelen bezat in de periode die men bekritiseert, en zo z’n “multiculturalisme” kon opleggen aan de bevolking;
  • Toon me aan dat racisme en xenofobie spontane responsen zijn op “Links” bestuur (als het er al is, zie boven);
  • En dat een nationalistisch en anti-migratie beleid op die manier “realistischer” is dan PC.
  • Als je dat niet kan, erken dan dat je geen punt hebt.

Doorheen dit alles is het goed voor ogen te houden dat er een heel andere manier is om naar politieke correctheid te kijken – iets meer aansluitend bij wat zich echt voordoet. PC is dan datgene zeggen en schrijven waarvan men hoopt of denkt dat het de minste politieke weerstand zal opwekken. Men kan “correct” immers moeilijk gebruiken als een term die staat voor iets wat voortdurend als fout wordt afgewezen en weggehoond.

Vanuit die benadering zien we dat PC net het tegendeel is van wat het betekent in de rare wereld van Beeckman en anderen. Het is dan, precies, spreken binnen die “hegemonie” waarvan ze zegt dat Links ze kwijtgespeeld is. Concreet: kankeren op Moslims, associaties tussen vluchtelingen en dreiging, veralgemeningen over nieuwkomers die van steun leven, veralgemeningen over “het Nederlands” als wondermiddel voor “integratie”; het bepleiten van wettelijke discriminaties, het overschatten van het aantal migranten: dàt is de echte PC, het taalgebruik dat in zeer ruime kring op instemmend gebrom kan rekenen. Tot die PC hoort al van bij aanvang, een kwarteeuw terug, nog een elementje: spreken over “Links” dat politiek correct is en daardoor de schuld is van alles wat is fout gegaan in deze wereld. Beeckman is dan ook deel van het probleem dat ze liefst bij anderen situeert.

 

by-nc

 

 

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s