Zit niet op je “draagvlak”, jongens!

draagvlak-300x213

Jan Blommaert

Het boek van Alexis de Tocqueville De la Démocratie en Amerique, verschenen in 1840, is een klassieke tekst over democratie. Eén van de knelpunten die de Tocqueville zag in de nieuwe vorm van politieke organisatie was dat een democratie altijd het gevaar liep van “de tirannie van de massa”, de waan van de dag die als “draagvlak” de politieke koers zou kunnen bepalen, tegen beter weten in. Vermits men het vandaag zo vaak en graag heeft over “draagvlak” – hebben treinstakingen een “draagvlak”? En hebben ze er één nodig? – keer ik even naar deze kwestie terug.

De manier waarop de Tocqueville het gevaar voor despotisme van de massa beschrijft, doet meteen denken aan de manieren waarop men vandaag spreekt over populisme. Populisme, dat is de dominantie van de vox populi, de retoriek van het ‘echte’ Volk dat zich afzet tegen enerzijds een (linkse) elite en anderzijds de barbarij van allochtonen. In beide gevallen zien we dat mensen meedrijven met collectief gecirculeerde beelden – de media zijn de grote actoren in de constructie van het moderne populisme – en hun standpunten vormen op basis van wat de massa erover lijkt te denken (of minstens lijkt te zeggen).

Een van de meest invloedrijke analyses van het hedendaags populisme is On Populist Reason, van de hand van wijlen Ernesto Laclau. Laclau ziet populisme als een fenomeen dat zich organiseert rond een tweedeling in het begrip ‘volk’ – we hebben ze daarnet al beschreven. Er is enerzijds een ‘echt’, puur, normaal volk – de ‘gewone man’, ‘Jan met de Pet’, de ‘hardwerkende Vlaming’ – en anderzijds een elite en een groter wordende groep immigranten die door deze elite verdedigd en opgehemeld wordt. Aangezien die elite de teugels van de macht in hand houdt, negeert ze de standpunten, behoeften en zorgen van de ‘gewone’ mensen, en ontstaat er een kloof tussen burger en politiek. Om die kloof te dichten moet de politiek zijn legitimiteit herwinnen door zich terug tot de ‘gewone man’ te wenden. Men zal slechts democratisch zijn wanneer men populistisch is – dat wil zeggen: wanneer de eigen standpunten perfect overeenstemmen met die van de ‘gewone man’. Het is de ultieme majoritaire droom voor de democraat: mijn standpunt is dat van iedereen.

Twee problemen

Ik zie hier twee problemen. Ten eerste: de tweedeling van Laclau is volstrekt onvoldoende om de concrete praktijk van politieke besluitvorming en retoriek te beschrijven. En twee, die politieke praktijk wijst meteen ook aan dat populisme niets te maken heeft met ‘het volk’, en daardoor met een majoritaire idee van democratie. Wat zien we immers in de politieke praktijk? We zien hoe in zowat ieder dossier verwezen wordt naar een ‘draagvlak’ – een democratisch gezag waarop men zich baseert voor het aanvaarden of verwerpen van standpunten. Men verwijst slechts in de meest abstracte zin naar ‘het volk’ of naar ‘de mensen’. Concreet heeft men het over een ‘draagvlak’, en vanuit de inschatting van dit draagvlak maakt men selectief aanspraak op ‘de stem van het volk’ of laat men dit achterwege.

Dit draagvlak is een heel wisselvallig iets. Voor sommige dossiers blijkt men een heel breed draagvlak nodig te hebben – de hele bevolking wanneer het over een referendum gaat – terwijl men voor andere dossiers enkel deskundigen of hogere autoriteiten als draagvlak inroept. Ecologische kwesties zoals bijvoorbeeld het BAM-tracé of de afbouw van de kerncentrales in dit land zijn voorbeelden van het eerste type. Politici verklaren zich onmachtig om van de bestaande lijn af te wijken tot wanneer er een massaal draagvlak aanwezig is – in het geval van het BAM-tracé leidt zelfs een klinkende nederlaag in een referendum niet tot een grondige herziening van de plannen.

In het verlengde hiervan stelt men ook de verkiezingsuitslag graag voor als ‘draagvlak’, zeker wanneer men de verkiezingen heeft gewonnen. Wilders en De Wever – maar ze zijn de enigen niet – hebben enkel dit als argument voor hun ‘draagvlak’: heel veel mensen hebben bij de laatste verkiezingen op hun lijsten gestemd. Ook al gaat het in beide gevallen om een minderheid van de bevolking, toch wordt er geroepen dat deze minderheid groot genoeg is als draagvlak voor een beleid dat de gehele bevolking aangaat en treft.

Economische of monetaire dossiers hebben daarentegen duidelijk niet zo’n gigantisch draagvlak nodig. Private ratingbureau’s zoals Fitch of Standard & Poor’s volstaan daar ruimschoots als argument om uiterst verregaande ingrepen in het sociaaleconomische weefsel van onze samenlevingen voor te staan. Deze ondernemers – want ze zijn niets anders dan dat – bepalen zo de maatregelen die een hele samenleving hervormen. Dergelijke gezagsargumenten zijn uiteraard zeer zwak wanneer ze worden gezien vanuit een democratisch oogpunt: men kan ratingbureau’s moeilijk democratisch gestuurde actoren noemen; hetzelfde geldt voor economische en monetaire wereldmachten zoals het IMF of de OESO. Maar wanneer zij spreken lijkt geen politicus nog behoefte te hebben aan een democratisch draagvlak – voor serieuze zaken is een draagvlak wellicht niet nodig?

Tussen deze twee uitersten kan men nog een derde soort draagvlak situeren: de lobby’s. Met name bij de Europese Commissie (ook niet meteen ’s werelds meest democratische instelling) wordt besluitvorming volledig georganiseerd via lobbyprocedures. De lobby’s zijn in de regel thema-specifiek: als het over elektriciteit gaat zal men lobby’s zien van elektriciteitsproducenten; als het over landbouw gaat komen landbouwlobby’s opdraven, bij universitaire kwesties duiken universitaire lobby’s op. De lobby’s zijn in het algemeen professioneel en industrieel: het zijn organisaties van bedrijven die in een bepaalde sector actief zijn, het zijn de economische producenten die zich in lobby’s organiseren. Burgerbewegingen of andere ‘softe’ lobby’s zal men slechts zelden treffen in de gangen van de besluitvormers. De Europese Commissie is van oordeel dat dit georganiseerde overleg met lobby’s haar beslissingen een democratisch draagvlak bezorgt.

Het is duidelijk dat de twee woorden uit elkaar gehaald moeten worden: ‘draagvlak’ is niet automatisch ‘democratisch’; het is niets anders dan managementsjargon, en het betekent dat men voor een beslissing de relevante steun moet verwerven bij de relevante gemeenschap. Concreet: wie hoge bonussen aan het management van een onderneming wil voorstellen moet geen draagvlak zoeken bij de poetsvrouwen of het secretariaatspersoneel, wel bij de leden van het directiecomité. De vele vormen die de notie ‘draagvlak’ in de concrete politieke praktijk blijkt te hebben tonen aan dat beleidsmakers slechts occasioneel beroep doen op een democratisch draagvlak, en dat ze voor een hele reeks andere beslissingen geen behoefte lijken te voelen om de zaak af te toetsen bij de meerderheid van de bevolking.

Indien ze dat zouden doen, riskeren ze immers allerlei heibel en ellende. Op gezag van enkele private ratingbureau’s, het IMF en de OESO krijgen we te horen dat de minimumlonen omlaag moeten, de pensioenen geprivatiseerd moeten worden samen met alle resterende overheidsbedrijven, dat de werkloosheidsuitkeringen drastisch verminderd moeten worden en dat mensen langer, harder, flexibeler en aan volledig vrij te bepalen lonen moeten gaan werken. Wie het pakket maatregelen dat de EU-top van eind maart 2011 nam, zou voorleggen aan eender welk deel van de bevolking van eender welke Europese lidstaat, zou geen spoor van een ‘draagvlak’ hebben. Voor dit soort fundamentele aantasting van de essentiële structuren van onze samenleving zijn simpelweg geen voorstanders op enige schaal te vinden. Men vermijdt daarom een democratisch draagvlak en men steekt een technocratisch draagvlak de hoogte in.

Als we de Tocqueville, Lijphart of andere theoretici van democratie volgen dan zijn deze domeinen van de politieke besluitvorming geen deel van het democratische systeem; ze staan er buiten. De democratie heeft er geen greep meer over, meer nog, democratische controle wordt ervan uitgesloten – tenzij men het minimale en formalistische argument gebruikt dat het door het volk verkozen mensen zijn die zich neerleggen bij de dictaten van Standard & Poor’s. Dit flinterdunne argument duikt trouwens ook herhaaldelijk op wanneer het om besluitvorming in de EU gaat. Wie opmerkt dat er toch nogal wat democratisch deficit bestaat in de Europese instellingen krijgt steevast te horen dat al diegenen die effectief beslissingen nemen ‘democratisch verkozen zijn’. Dat is juist; ze kunnen evenwel niet democratisch gecontroleerd of gesanctioneerd worden: Belgen hebben geen democratische inspraak in de Duitse of Franse politiek, ook al heeft die Duitse en Franse politieke elite een enorme invloed op het Belgische politieke bedrijf.

Wie dus een ‘draagvlak’ inroept, roept niet meteen ‘democratie’ in. Het concrete draagvlak dat men inroept kan soms volkomen antidemocratisch zijn. Het is de associatieve band tussen ‘draagvlak’ en ‘democratie’ die populisten macht verschaft en degelijke democraten vaak macht ontneemt. Om dat laatste te illustreren: wie vandaag de gelijkheidsgedachte bepleit, moet opboksen tegen een al dan niet geconstrueerde ‘meerderheid’ die dat beginsel niet van harte deelt. Gelijkheid? Ja, maar niet voor moslims, homoseksuelen, langdurig werklozen, rokers, noem maar op. De democratische kernwaarde blijkt nauwelijks een ‘draagvlak’ te hebben; ze verdedigen wordt dan ook snel, en paradoxaal, als een antidemocratische daad gezien.

We zien dus dat het ‘Volk’, het echte Volk in de zin van Laclau’s populisme, slechts zeer zelden opduikt in de besluitvorming; het is vervangen door het inroepen van een permanent aanpasbaar ‘draagvlak’ dat nu eens de schijn van democratie wekt, dan weer helemaal niet, en dat in elk van die gevallen enorme problemen oproept wanneer het gaat om het democratische kaliber van de besluitvorming. Democratische politiek blijkt de facto een soort harmonica te zijn waarbij de legitimiteit van de massa bijzonder selectief wordt ingeroepen, vooral wanneer het om maatregelen gaat die politici liever niet op eigen houtje nemen. In dat opzicht is onze democratie een zeer gedeeltelijke democratie – een mengvorm eigenlijk, waarin democratische politiek samengaat met aristocratische politiek. De aristocraten van nu zijn vanzelfsprekend geen baronnen en hertogen meer, maar wel lobby’s, ratingbureau’s en andere belangengroepen.

Het Volk als cijfer

Ik heb al vermeld dat het Volk niettemin af en toe opduikt, zij het in de meest abstracte en algemene vorm: in cijfers. Het Volk wordt geconstrueerd via statistische gemiddelden en meerderheden in opinieonderzoek, en als ‘groot getal’ wanneer Wilders en De Wever hun electoraat inroepen om politiek gewicht te krijgen na een verkiezingsoverwinning.

Wat dat tweede betreft kunnen we kort zijn. Het Volk is in de visie van verkiezingsoverwinnaars de tijdelijke mathematische verhouding die volgt op periodieke tests die we verkiezingen noemen. De verkiezingen zelf ziet men als een reusachtige opiniepeiling, en men gebruikt de uitkomst ervan op precies dezelfde manier als bij opiniepeilingen: als een indicatie van een voorkeur van consumenten voor een bepaald politiek product – een uiterst oppervlakkig gegeven met andere woorden – dat echter wordt getransformeerd tot een reusachtig pakket van ideologische, sociale en culturele voorkeuren. Wie voor mij stemt als persoon – ik ben immers mooi, tof, grappig, slim en bekend – die stemt meteen ook voor alles wat ik in de volgende jaren zal denken, zeggen, schrijven en beslissen. De duur van deze metonymie wordt bepaald door het ritme van verkiezingen: een volgende toets kan me meteen weer die macht ontnemen. Het zou duidelijk moeten zijn dat het Volk hier wel heel ver afstaat van datgene wat de electorale winnaars ervan maken, en dat het inroepen van het Volk zeer weinig te maken heeft met zaken zoals het Algemeen Belang. Het Volk is hier een tijdelijke constructie die bovendien geen enkel reëel politiek bestaan heeft. De voorkeuren en belangen van dat Volk worden immers niet door dat Volk bepaald, wel door degenenen die eventjes, en allicht voor een korte periode, door dat Volk verkozen zijn.

De creatie van het Volk door middel van zogenaamde ‘publieke opinie’ is interessanter. Opiniepeilingen hebben de afgelopen decennia zowat het monopolie verworven op de ‘wetenschappelijke’ constructie van het Volk. Wie wil weten wat ‘de Vlaming’ denkt moet een opiniepeiling uitvoeren. Die peiling zal een uitslag opleveren, en die uitslag leest men dan als een weergave van de echte, ware, onwankelbare denk- en gevoelswereld van de Vlamingen. Waar die opinie vandaan komt, waarover die precies gaat, welk soort gevolgen echte mensen aan hun echte standpunten willen geven en dergelijke meer: niets van dit alles is ‘peilbaar’ en niets van dit alles komen we dus te weten via opiniepeilingen.

Als we de vraag stellen waar dergelijke opinies vandaan komen, dan kan men moeilijk voorbij die factor kijken die de Tocqueville al aangaf: de media. Opinies zijn dikwijls helemaal niet publiek uit zichzelf, ze worden publiek gemáákt via enorme mediatiseringscampagnes. De publieke opinie, de zaken waarvan ‘de Vlaming’ echt wakker ligt, slaat uitsluitend op zaken die uitvoerig in de media aan bod zijn gekomen. Ik geef een voorbeeld.

Midden april 2011 kwam het kleine televisiestation VT4 met een spectaculaire scoop: een interview met Roger Vangheluwe, de pedofiele ex-bisschop van Brugge. De dag daarop stonden de voorpagina’s van alle kranten vol met Vangheluwe, zijn interview, en de reacties van mensen daarop. Noteer: die mensen werden opgebeld door de kranten, het omgekeerde gebeurt niet (je krijgt je mening nu eenmaal niet zomaar op de voorpagina van de krant). Radio 1 spendeerde het hele ochtendprogramma aan dit ene thema, en voegde daar nog een extra uur uitzending aan toe. Die urenlange uitzending verzamelde uitspraken van zowat iedereen en schiep zo, samen met de kranten, een verhitte sfeer van afkeuring en morele verontwaardiging. Die verontwaardiging werd publiek gemaakt, de pubieke opinie werd op een bepaalde manier geschapen, want als de radio urenlang over één enkel thema uitzendt, dan moet dat wel iets zijn waarover wij allemaal moeten nadenken, en liefst op de manier waarop de radio ons aangaf.

Deze reuzehype in de media volgde op een week waarin een heel ander thema centraal stond: het bezoek van prins Laurent aan Congo en de vermeende contacten die hij daar had met de leiders van een schurkenstaat. Ook over dit thema gaven alle media vol gas: editorialen werden erover geschreven, de enkele onderzoeksjournalisten die we nog tellen zetten zich op het spoor van smeuïge details over de reis, allerhande belangrijke mensen werden erover aangesproken en om reacties gevraagd, en in het parlement werd erover gedebatteerd – in precies dezelfde verontwaardigde termen als degene waarmee de media ons bombardeerden. De dag na het interview met Vangheluwe verdween Laurent echter even snel als hij in de media was geraakt. Nu gingen de editorialen over Vangheluwe, gingen de onderzoeks-journalisten op jacht naar details over de ex-bisschop, werden mensen hierover aangesproken, en debatteerde het parlement over dit thema.

Zo ontstaat een draagvlak: het wordt vervaardigd en als het er is zullen er steeds politici zijn die deze schijnbaar democratische springplank zullen gebruiken om als grote democraten naar voor te treden. Een derde voorbeeld kan dit duidelijk maken. Begin mei 2011, enkele weken na de apocalyptische hype rond Vangheluwe, raakte bekend dat de ex-vrouw en medeplichtige van Marc Dutroux, Michèle Martin, vervroegd zou vrijkomen. Alweer kregen we hetzelfde: het hele media-apparaat spitste zich dagenlang toe op dit ene gegeven. Jan en alleman werden gevraagd om hun mening, de oude geschiedenis van de zaak-Dutroux werd opgefrist, en ja, alle Vlaamse partijen eisten in het parlement een verstrenging van de wet op de vervroegde vrijlating. Ze deden dat laatste enkel en alleen als gevolg van de mediaheisa die erover was ontstaan; inhoudelijk of technisch werd er geen minuut stilgestaan bij de mogelijke effecten van een dergelijke wetswijziging. Een verblijf in de gevangenis is een buitengewoon kostelijke aangelegenheid – gevangenissen zijn qua dagkost te vergelijken met super-de-luxehotels; iemand zoals Martin een aantal jaren meer in de gevangenis houden is dus een zeer duur voorstel. Als men daarbij de meerkost voor alle gevangenen telt die door die wetswijziging worden getroffen, dan staat men voor een budgettaire last waarvoor allicht moeilijk een ‘draagvlak’ zou te vinden zijn. Cipiers staken nu al vanwege de stiefmoederlijke bugettaire behandeling van gevangenissen in dit land.

Dit soort politiek noemt men vandaag ‘strovuurpolitiek’: politici die de waan van de dag aangrijpen om met groot vertoon van emotie en passie met allerhande absurde voorstellen naar de media te trekken – en dat doen omdat ze ervan uitgaan dat de mediaheisa een ‘buikgevoel’ bij ‘de mensen’ weergeeft. In realiteit spelen ze enkel in op het buitgevoel van de verslaggevers, die beslist hebben dat dit bepaalde thema (en niet een ander) vandaag de waan van de dag zal worden. Hier zien we Schinkels ‘democratische droom’ aan het werk: de politicus springt op de rijdende trein van de media in een zoektocht naar een perfecte unisono tussen zijn/haar voorstellen en de gevoelens en verlangens van ‘het Volk’. Onnodig te zeggen dat het hier telkens gaat om zaken van een opperste irrelevantie, om voorstellen die kant noch wal raken, om een buitengewoon slechte kwaliteit van het politieke werk. In het strovuur rond Vangheluwe hoorde ik bijvoorbeeld een melding van diverse zelfmoorden door priesters in het bisdom Brugge. Dat laatste – mogelijk een veel belangrijker feit als we de problematiek van misbruik in de Kerk en de positie van priesters daarin goed willen begrijpen – kreeg nauwelijks aandacht in de media. Men putte zich uit in emotionele uitdrukkingen van verontwaardiging en woede over dat ene individu, Roger Vangheluwe.

We hebben gezien dat de Tocqueville precies op dit gevaar wees: het despotisme van de massa en de potentieel gevaarlijke rol die de media hierin spelen. De kranten, zo zei de Tocqueville, zijn nuttig omdat ze de creatie van grote associaties – middenveldorganisaties – mogelijk maken. Ze scheppen echter ook het risico dat individuen de eigen houding gaan afstemmen op datgene wat ze via die kranten ervaren als de stem van de meerderheid, de stem van alleman. En op dat moment stort men de democratie in de armen van de wispelturige en onredelijke massa die er een nieuw soort van verlammend despotisme over gaat uitoefenen: enkel datgene wat we vandaag vinden is ook morgen belangrijk; en datgene wat duizenden mensen schreeuwen moet wel wààr en waardevol zijn.

Zijn we nog democratisch?

Onze politiek doet zeer selectief beroep op democratie: wie de Tocqueville tegen het licht van de dagelijkse politieke praktijk van tegenwoordig houdt, kan moeilijk om die bevinding heen. De legitimiteit die in een democratie ontstaat door de band tussen politicus en volk blijkt in zeer vele gevallen niet te bestaan. Ze is in de praktijk vervangen door een selectieve en bedenkelijke aanspraak op een draagvlak, en van dat draagvlak hebben we gezien dat het op vele momenten volkomen antidemocratisch is. De Tocqueville wees ons erop dat de belangen van een associatie steeds moeten wijken voor het Algemeen Belang. Dat geldt naar mijn mening voor Fitch, Standard & Poor’s, het IMF of de OESO, enzovoort. Wanneer men draagvlak met democratie probeert te verbinden – wat geen onredelijke eis is wanneer men aan een democratie denkt – dan bestaat voor de voorstellen van deze actoren geen draagvlak in de samenleving.

Ik maak daarvan op zich minder een probleem dan vele anderen. Waarvan ik wel een probleem maak, is dat men “draagvlak” als een selectieve vereiste voor besluitvorming neemt. Concreet: er bestaat geen draagvlak voor het verlagen van de levensstandaard van mensen. Wie dat niet gelooft daag ik uit om het empirisch te testen. En in alle terreinen, van verlaging van de pensioenen tot verhoging van de tarieven in het openbaar vervoer. Meer nog, voor een neoliberaal austeriteitsbeleid bestaat geen draagvlak bij de massa – niet hier, en evenmin elders, en dit om overduidelijke redenen.

Voor beleid dat deze richtingen kiest hebben overheden dus blijkbaar geen draagvlak nodig, want er wordt een soort hoger belang ingeroepen (“onze economie” en zo verder). Alternatieven die vanuit niet-overheidskringen worden aangedragen – gaande van Ringland tot vakbondsstandpunten in het sociaal overleg – botsen dan weer op de muur van het “draagvlak”. Het gebrek aan massale steun blijkt geen obstakel voor het ene, en het hebben van die massale steun blijkt geen argument in het andere. En dat kan niet. Want iets is een argument, of is er geen. Een democratische logica à la carte is geen logica, en evenmin democratisch. Waarmee één van de ziekten van onze reëel bestaande democratie meteen geïdentificeerd is.

Dit is een herwerkt fragment van een oudere en langere tekst, die hier te vinden is.

by-nc

 

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s