De gevaren van het wederzijds respect.

media_xl_4515834

Jan Blommaert 

Recensie van Patrick Dewael, Wederzijds Respect: De gevaren van het Blok. (Antwerpen: Houtekiet 2001). Verschenen in OIKOS, 2002.

Daar waar politici vroeger enkel het genre van de memoires beoefenden zijn ze vandaag de dag producenten geworden van allerhande proza. Er is nog nauwelijks een vooraanstaand politicus te bedenken die zijn of haar overwegingen over het leven en het beleid niet aan commercieel verkocht papier heeft toevertrouwd. Zelden betrof het meesterwerken, en zelden vonden we er veel stimulerende bedenkingen in.

Patrick Dewael heeft zijn steentje bijgedragen tot het boeken-oeuvre van de politici. Maar in tegenstelling tot vele andere werkjes beoogt hij geen totaal-filosofie van samenleving en politiek. In Wederzijds respect begeeft hij zich in één welbepaald domein: dat van de strijd tegen extreem rechts, of preciezer, het Vlaams Blok. Het boekje geeft toelichting bij een aantal recente openlijke stellingnamen vanwege Dewael tegen het Vlaams Blok, waarin hij zich manifesteerde als een boegbeeld van de anti-Vlaams Blok oppositie in dit land.

Ik kan deze opstelling enkel toejuichen, en wil hier meteen ook aan toevoegen dat ik Patrick Dewael een politicus met kaliber vind, één van de weinigen die mij qua stijl en aanpak kunnen bekoren. Hij heeft begrepen dat het politieke centrum ook regelmatig het centrum van het publieke debat moet bezetten. Als het nodig is moeten leidinggevende politici een stap naar voor zetten en de teugels van het debat in handen nemen. Politici zijn enerzijds uiterst gespecialiseerde technici, mensen die zich met buitengewoon detaillistische en hermetische concrete materies bezighouden. Anderzijds zijn ze politici, dat is, mensen die gestalte moeten geven aan ideeën, waarden, ideologieën, Grote Verhalen. De overbeklemtoning van het eerste element – beleid – heeft geleid tot het terugdringen van het tweede – politiek. Ons politiek centrum is bang iets te zeggen dat buiten het haalbare valt, buiten het regeerakkoord, buiten de delicate en gevoelige consensus omtrent beleid. Maar daardoor raken politici niet meer tot in het hart van het politieke debat, waar de concrete haalbaarheid en het coalitiegevoel vaak absolute bijzaken zijn.

Dewael riskeert zich in dit boekje hier en daar buiten de ruimte die hij als beleidsman krijgt, en hij snijdt daarbij themata aan die moreel, politiek, ideologisch en cultureel van aanleg zijn. Hij spreekt dan niet als de meester-technicus die de Vlaamse Minister-President moet zijn, maar als iemand die best wel een (redelijk) Groot Verhaal heeft en kwijt wil. Bij het beoordelen van de verdiensten van dit boekje moet dit meetellen: we lezen hier de standpunten van een politicus, niet van een minister. Geen groot politiek visionair – neen, gewoon een degelijk, ernstig politicus. De schaarste aan degelijke, ernstige politici heeft er toe geleid dat we de neiging hebben de enkelingen die aan deze criteria beantwoorden meteen te bejubelen als waren ze staatslieden à la Churchill of De Gaulle of  politieke denkers à la Hobbes en Locke. Dit is gebeurd met Verhofstadt, Eyskens, De Batselier, Coppieters en enkele anderen, en het is onterecht. Samen met deze mensen hoort Dewael in de categorie van de degelijke, ernstige politici die iets te vertellen hebben. Daar moeten we tevreden mee zijn, want in het huidige politieke klimaat is dat al een enorme verdienste.

***

Dewael treedt buiten zijn veilige technische terreintje en gaat in dit boek de grote vragen niet uit de weg. Hij neemt stelling. Het boek moet duidelijkheid verschaffen (1) over de gevaren van het Vlaams Blok, (2) de mogelijke strategieën tegen het Vlaams Blok, en (3) de redenen waarom Dewael zelf zich hierin engageert. Een minister-president in functie gaat dus het grote thema van de verrechtsing te lijf en bekritiseert scherp, en passant, een deel van zijn parlementaire oppositie.

Dit gebeurt in twee fasen. In deel 1 van het boek geeft Dewael een ‘probleemstelling’; in deel 2 een aantal ‘voorstellen’. Deel 1 begint met een grotendeels autobiografische blik op het verleden, op de Holocaust (hoofdstuk 1, ‘de plicht van het verleden’). Dewaels grootvader Arthur Vanderpoorten kwam om in de Duitse kampen; dit heeft Dewael getekend en hij is van oordeel dat “wij het roer van de Laatste Getuigen (moeten) overnemen” (p28) en dus elke vorm van extremisme en onverdraagzaamheid bestrijden. Daar is reden toe, want in de volgende twee hoofdstukken documenteert Dewael extreem rechts, eerst in Europa (hoofdstuk 2), vervolgens bij ons in de gedaante van het Vlaams Blok (hoofdstuk 3). Dit zijn twee zeer degelijke hoofdstukken waarin best wel wat nuttige dingen staan. Maar na hoofdstuk 3 is het probleem geschetst: de Holocaust heeft ons geleerd dat we alle extremisme moeten bevechten, en nu moet dit meer dan ooit omdat we geconfronteerd worden met die moderne, goed geoliede extreem-rechtse politieke machine.

Dan gaat Dewael over naar Deel 2, de voorstellen. Jammer genoeg zijn de hoofdstukken niet doorlopend genummerd, dus tellen we weer vanaf hoofdstuk 1. Dit hoofdstuk heet ‘de vreemde mens’, en schetst de kern van Dewaels politieke visie op dit probleem: mensen zijn angstig, de echte problemen (migratie en asiel met alle afgeleiden, vanzelfsprekend) zijn taboe, de VLD heeft een goede visie hierop, en deze inburgeringsvisie zal leiden tot wederzijds respect. In hoofdstuk 2 bespreekt Dewael ‘de politieke verantwoordelijkheid’. Hier schuift hij terug in zijn rol als chef-technicus, en in dit hoofdstuk krijgen we voornamelijk een overzicht van het beleid van Dewaels regering. Die regering doet vanzelfsprekend al het mogelijke, maar hoe zit het met de burger? Die komt aan bod in hoofdstuk 3, ‘de civiele verantwoordelijkheid’ – een hoofdstuk dat draait rond het opnemen van individuele verantwoordelijkheden, het stimuleren van het middenveld, en het versterken van de democratie. Vervolgens komen de media aan bod (hoofdstuk 4), met als kern van de argumentatie een klemtoon op verantwoordelijkheidszin. Dan besluit Dewael met de verzuchting dat het wederzijds respect tussen burger en beleid dagelijks moet verworven worden, maar dat zijn regering die steun verdient.

Elk boek is triviaal wanneer het tot zijn essentie herleid wordt, want elk idee is in wezen simpel in diverse betekenissen van het woord. Als ik Dewaels verhaal nog wat verder tot zijn skeletstructuur terugvoer, dan krijgen we de volgende reeks stappen in een redenering.

  1. Ik ben persoonlijk getroffen door de Holocaust
  2. Die leert ons dat extremisme bestreden moet worden
  3. Dat is nodig, want extreem rechts is in opmars, ook bij ons
  4. Extreem rechts (het Vlaams Blok) heeft alle eigenschappen van extremisme, en moet bestreden worden.
  5. Extreem rechts voedt zich aan de angst van de mensen.
  6. Die angst is terecht en moet uit de taboesfeer komen
  7. De VLD stelt hiervoor inburgering voor
  8. Die inburgering levert wederzijds respect op, en dit is tegengif tegen extremisme
  9. Deze regering neemt haar verantwoordelijkheid op en voert een vernieuwend beleid
  10. De burgers moeten hun verantwoordelijkheid opnemen, het middenveld moet aangevuurd worden en de democratie moet versterkt worden.
  11. De media moeten eveneens hun verantwoordelijkheid nemen en burgerzin aan de dag leggen.
  12. Deze regering wil een nieuwe relatie van respect met de burger verwezenlijken.

Zo gelezen, komen de sterkten en zwakten duidelijk aan de oppervlakte. Dewael staat sterk waar hij hetzij beschrijft (punten 4, 9, 10, 11), hetzij een moreel discours ontwikkelt (punten 1, 2, 3, 12). Hij staat echter zwak daar waar causale verbanden worden gelegd en waar grondiger interpretaties moeten geboden worden (punten 5, 6, 7, 8).

***

Sterk en zwak: Wederzijds respect is geen eenstemmig werk maar zit vol merkwaardige spanningen. Dat geldt op het stilistische vlak: sommige delen zijn swingend geschreven in een vlotte joernalistieke stijl; andere delen zijn korter, abrupter, armer en minder uitgewerkt. De pen is gehouden door verschillende handen, dat is duidelijk. Maar interessanter nog is de spanning op het inhoudelijke, politiek-ideologisch vlak. Daar ziet men hoe rechts en links, hard en soft, law-and-order en sociaal bestendig met elkaar aan het knokken zijn. Dit zijn de boeiendste plaatsen in het werk, en het is hier dat men merkt dat Dewael de grenzen van zijn functie en partijbelangen overstijgt.

Enkele voorbeelden. Dewael kastijdt zijn partijgenoot Ward Beysen die het Vlaams Blok niet ongenegen was, en hij verheugt zich over de “betere inzichten” die Beysen als gevolg van de affaire-Sauwens lijkt te hebben (p63). Hij wijst ook op “het gebrek aan moed vanwege bepaalde programmadirecteurs, hoofd- en eindredacteurs en presentatoren” in de media en leest deze (‘vrije’) media uitvoerig de levieten (p129). In dezelfde context zegt hij over zijn eigen kaste: “Politici beschouwen de media te vaak als een middel om hun eigen populariteit op te vijzelen” (p133). Als voorbeeld hiervan haalt hij – alweer een partijgenoot – Herman Decroo aan. Over de hedendaagse politiek zegt hij ook markante dingen. “Kiezers hebben niet altijd gelijk” (p70) zegt Dewael, en bovendien loopt de Burger te pas en te onpas naar de politicus “met de vraag om hem op zijn wenken te bedienen in een persoonlijke aangelegenheid, vanuit een opeisende mentaliteit” (p71). Dat horen we niet vaak in deze tijden van Burgerdemocratie. Net zomin als “De politiek kan tal van hedendaagse maatschappelijke problemen niet oplossen” (p109; de voorbeelden die Dewael geeft slaan echter allemaal op de ‘sfeer’ in de samenleving) en de Burger moet dus zelf de handen uit de mouwen steken. We lezen een snijdende kritiek op de cocoonende en hypochondrische tweeverdienende ouders (p112-114), culminerend in een toch wel zeer merkwaardige uitspraak voor een Blauw minister:

“De gemeenteverkiezingen van oktober 2000 brachten dit egoïsme van de (hogere) middenklasse aan het licht. Het is het protest van hoger opgeleiden die materieel een rijkelijk leven leiden. Ze wonen in zogenaamd residentiële gemeenten vol groen en bescherming.” (p114-115)

En tenslotte lezen we een warm pleidooi voor “de activering van het middenveld” als belangrijk wapen tegen extreem-rechts (met zalvende nuances aan het adres van Verhofstadt, p115).

Ja, Dewael schrijft niet vanuit een VLD-doctrine. Zijn boekenplank is ook niet bepaald rechts te noemen. Men vindt geen verwijzingen naar Hayek, Fukuyama of de neoliberale economen, wel naar Amartya Sen, György Konrad, Zygmunt Bauman, en Vlaamse ‘linkse’ figuren als Mark Elchardus, Chris Kesteloot, Manu Claeys, Filip Rogiers en Dirk Voorhoof. Meer nog, dit boekje is één van de weinige plaatsen waar ik een politicus de structurele theorie van racisme – racisme als eigenschap van het kapitalisme – heb zien belijden. Dewael schrijft op p.40:

“Los daarvan lijken sommige vormen van racisme tegelijk een smoes om het eeuwenoude probleem van de verdeling van de rijkdom in een bepaalde richting te forceren.”

Degelijke linkse praat hoor, dit soort uitspraken. Uit de mond van een VLD-aanvoerder bovendien hoopgevend, toch?

***

Helaas. De structurele theorie van racisme, waarbij racisme niet in de hoofden van individuele mensen, maar in de structuren van welvaartsverdeling (dus van ongelijkheid) wordt gesitueerd, wordt welgeteld één pagina verder vervangen door een heel andere. Op p41 krijgen we de klassieke psychologische theorie van racisme: angst, onzekerheid, gevoelens van bedreiging, de gebruikelijke nonsens die het systeem vrijpleit van racisme en racisme als een logisch gevolg ziet van migratie en indringing (waardoor de indringers de eigenlijke schuldigen zijn). Dewael is radicaal tegen het Vlaams Blok en geeft ons goede argumenten om hem daarin te volgen, maar dat hoeft niet te betekenen dat hij een klare kijk heeft op die materies die het Vlaams Blok als voedingsbodem hanteert.

Van zodra we het deel over ‘Voorstellen’ openslaan belanden we in een tekst die blijkbaar door iemand anders geschreven is. Drie figuren duiken nu op als voorbeelden voor Dewael: de Mechelse (uiterst rechtste) VLD-burgemeester Bart Somers, het Nederlandse (uiterst rechtste) VVD-kopstuk Frits Bolkestein, en Guy Verhofstadt, wienst ‘inburgerings’-ideeën van 1992 gewoon klakkeloos worden overgenomen. Heel het rechtse kader is er, incluis het afwijzen van ‘taboes’ in de bespreekbaarheid van de manieren waarop migranten een probleem zijn (niet hebben), iets wat door ‘politieke correctheid’ in stand wordt gehouden, en ertoe leidt dat “wie over de problemen van het samenleven van vreemde culturen durft spreken” op z’n donder krijgt (p75-76, met Bart Somers als voorbeeld). Bolkesteins verdienste was het om die “problemen over het samenleven” – concreet: zeggen dat migranten aansprakelijk zijn voor die problemen – “uit de taboesfeer” te halen (p77). Dewael geeft Bolkestein gelijk en bejubelt hem om zijn multicultureel kaliber. Immers, Bolkestein behandelt migranten niet als “gasten” voor wie men gastvrijheid moet opbrengen, maar als “huisgenoten” die zich aan de regels moeten houden. Intussen zijn ook de oorzaken van migratie snel even gedefinieerd: “Het zijn de migranten geweest die, ongetwijfeld uit economische noodzaak, maar ook uit vrije wil” besloten te migreren (p77).

Om een lange kritiek kort te maken: niets is zo weinig een taboe geweest in dit land als het blameren van migranten voor de zogeheten samenlevingsproblemen. Meer nog, het ware taboe bestond erin (en nu nog) te argumenteren dat deze samenlevingsproblematiek minstens ook een element van autochtone verantwoordelijkheid heeft. Het echte taboe in dit land is racisme. Politieke correctheid? Het politiek correcte – in de zin van het politiek toonaangevende – is in dit land altijd rechts geweest als het op migranten aankwam. Gek genoeg slaat ‘politiek correct’ in uitspraken als deze altijd op een linkse pro-migranten opstelling die sociaal-economische ongelijkheid beklemtoont en daardoor, volgens mensen als Dewael, Coveliers en ook Yves Desmet en Marion Van San, cultuurverschillen, islamfundamentalisme en migrantencriminaliteit zogezegd ontkent. In zoverre deze attitudes al bestààn zijn ze absoluut niet politiek correct. Ze zijn altijd volkomen marginale minderheidsstandpunten geweest, nietig qua impact in vergelijking met de dominante discours die verschillen beklemtonen en ongelijkheden ontkennen. Ter zelfder tijd zijn ze juister als standpunt, in de zin van beter gefundeerd in concrete analyses. Ze hanteren dus geen taboes, ze beargumenteren dat ongelijkheid belangrijker is dan cultuur- of religieus verschil, en dat criminaliteit een symptoom is van een kwaal, niet de kwaal zelf. Die kwaal, dàt is waarover deze samenleving, Dewael incluis, ijverig taboes uitspreekt.

Op dit punt zien we dus de klasieke rechtse gemeenplaatsen doorbreken in het boekje, en blijkt Dewael zich nauwelijks te onderscheiden van andere rechtse polemisten die hun pen beproefden op het migrantenthema. Hij beklemtoont dan ook alle klassieke punten van het beleid dat tot nog toe door diverse regeringen gevoerd werd (en dat we dus de ‘politiek correcte’ visie kunnen noemen): inburgeringstrajecten voor de nieuwkomers als “afdwingbare voorwaarde … aan bepaalde rechten in de sociale zekerheid”, beperking van de instroom door een streng asielbeleid en het afschaffen van de financiële steun aan nieuwkomers (wat “het voor mensenhandelaars minder aantrekkelijk maakt om filières naar België op te zetten”), en vanzelfsprekend ‘integratie’, d.w.z. “arbeidsbereidheid, taalkennis en de bereidheid om de fundamentele principes te erkennen die onze westerse democratische samenleving schragen” (p79). Er mag geen nieuwe migratiegolf komen en hoogstens kunnen we een “gecontingenteerde immigratie … bovenop de asielprocedures” overwegen. “Zo krijgen potentiële vluchtelingen een kans om op een menswaardige manier de grote reis te maken en weten ze duidelijk hoe, wanneer en waar ze zullen terechtkomen” (p81). Dewael betreurt ook de recente discussie over het migrantenstemrecht en opteert voor de naturalisatie (p81), al zegt hij elders dan weer dat we aan migranten “het recht (moeten geven) om als een volwaardig burger mee te mogen beslissen over zijn eigen toekomst” (p84), allicht na allerhande inburgeringsproeven en naturalisatieprocedures.

Men vraagt zich bij momenten af of sommige mensen wel op dezelfde planeet wonen als wij. Datgene wat men hier ‘het asielprobleem’ noemt is een nieuwe migratiegolf die al ruim een decennium bezig is. Die ongewenste nieuwe migratiegolf is er al, het is geen kwestie van mogen of niet, en een goed beleid zou erin bestaan dit aan te pakken, niet door een asielbeleid maar door een migratiebeleid. Zo’n migratiebeleid zou mensen tenminste het (op zich nauwelijks te benijden) statuut van migrant geven, en ze zouden minstens als mens (en daardoor als iemand die rechten heeft) bestaan. In het huidige asielbeleid wordt ruim 90 percent van de migranten weggetoverd van zodra ze ‘uitgeprocedeerd’ zijn. Daardoor houden ze op te bestaan en zijn ze perfecte slachtoffers voor iedereen die hen wenst uit te persen. Ze zijn niemands probleem meer, en worden ieders prooi. Het grootste probleem met ons asielbeleid is dat het een migratie moet aanpakken en daar volstrekt ongeschikt voor is. Intussen zeggen dat we tegen migratie zijn en dus een kordaat asielbeleid moeten voeren komt neer op een weigering om beleid te voeren in het licht van een belangrijke sociologische realiteit.

Gecontingenteerde migratie die potentiële vluchtelingen een menswaardige migratie bezorgt: betekent dit gecontingenteerde vlucht? Quota opleggen aan mensen die in het wilde weg hun land uitvluchten omwille van geweld? Hoe gaat men iets zo ordeloos en onberegelbaar als vlucht contingenteren? Neen, dit komt neer op het helpen van de mensenhandelaren, die inderdaad duidelijk zullen weten ‘hoe, waar en wanneer’ hun slachtoffers zullen migreren. Die mensenhandelaars straft men vanzelfsprekend niet met het leven van hun slachtoffers mensonwaardig te maken. Als men ziet hoe slachtoffers van mensenhandel migreren – denk aan de containerdoden – dan mogen we vermoeden dat de handelaars zich daar weinig aan gelegen laten. Men straft het slachtoffer, niet de dader, en zo wordt men ook een dader.

We zien dus hoe Dewael de voedingsbodem van het Vlaams Blok gaat aanpakken met precies dezelfde analyses van migratie en voorstellen tot aanpak ervan. Van die analyses en remedies kennen we de uitkomst: ze hebben de migrantenproblemen niet opgelost maar verergerd, en ze hebben het Vlaams Blok groot gemaakt. De rechtse doctrine speelt al ruim een decennium proefondervindelijk in de kaart van het Blok – al zal men nu zeggen dat ik ‘politiek correcte’ uitspraken doe.

Deze rechtse visie weerhoudt Dewael er niet van enkele pagina’s verder de hele kwestie te definiëren als een zaak van gelijkheid: “iedereen moet gewoon als een gelijke beschouwd worden” (p85). Vanzelfsprekend zou ik zeggen, maar intussen heeft hij financiële steun aan asielzoekers ontzegd, stemrecht aan migranten afgewezen, contingentering opgelegd aan toekomstige migranten, sociale rechten gekoppeld aan dingen zoals kennis van het Nederlands en (onmeetbaar) respect voor onze waarden. Eenvoudig samengevat: hij heeft alle mogelijke ongelijkheden voorgesteld, om dan te zeggen dat het een kwestie is van gelijkheid en van wederzijds respect.

***

We zien in dit moedige boekje hoe Dewael het Vlaams Blok krachtig wil bestrijden. We zien echter terzelfdertijd hoe hij alle probleemformuleringen van het Vlaams Blok overneemt (als ‘echte problemen’ waarop een ‘taboe’ rust). Het is het oude verhaaltje van de juiste vragen en de foute antwoorden. En welke antwoorden biedt Dewael dan zelf? Enkele zinnige dingen gemengd door een soepje dat deze samenleving enkel nog meer zurigheid kan bezorgen. De veroordeling van het Vlaams Blok als een antidemocratische partij en de oproep tot wederzijds respect zijn allebei nuttig, maar ze zijn absoluut onvoldoende. Immers, ze bevinden zich allebeid louter op het niveau van de individuele ethiek en politieke opstelling. De kern van de afwijzing van het Blok is moreel, de kern van de oplossing van het migrantenvraagstuk eveneens.

Wederzijds respect als koninginnestuk gebruiken van een antiracistische of antifacistische strategie is dan ook gevaarlijk. Het gaat er immers vanuit dat iedereen in dezelfde positie verkeert en dus op gelijke manieren respect kan opbrengen, daar dus evenveel reden toe heeft. Niets is minder waar: respect vooronderstelt gelijkheid en dat in een context waarin ongelijkheid de regel is. Hij verzet zich tegen stemrecht – tevens een Vlaams Blok standpunt; hij bepleit een migratiestop – tevens een Vlaams Blok standpunt; hij looft de beslissing om OCMWs geen financiële steun meer te laten geven – tevens een Vlaams Blok standpunt; hij bepleit de afdwingbaarheid van inburgeringstrajecten door ze te koppelen aan sociale rechten – tevens een Vlaams Blok standpunt; we kunnen nog even doorgaan met dit lijstje. Maar in tegenstelling tot het Vlaams Blok bepleit hij respect, burgerzin en ernst in deze zaken. Ziehier de wijze waarop de hedendaagse politieke correctheid ineenzit: men neemt de overgrote meerderheid van de rechtse standpunten inzake migranten over, en men voegt daar een individuele oproep tot beter en verstandiger gedrag aan toe.

Dewaels boekje poogt een electoraal probleem op te lossen door het migrantenprobleem zo slecht mogelijk op te lossen. Ik blijf dan ook zitten met een vraag. In dit land leven duizenden vreemde mannen, vrouwen en kinderen van voedselpaketten en soepbedelingen. Ze hebben geen enkel statuut – ze zijn illegaal – en ze zijn het voorwerp van negentiende-eeuwse vormen van uitbuiting. De kwaliteit van die voedselpaketten is abominabel, en sommige van die paketten bevatten weinig meer dan snoep en koeken. Mensen – kinderen incluis – moeten er van leven, en ze moeten hierbij bedenken dat dit het gevolg is van een overheidsbeleid dat beweert met dit soort vormen van bewuste marginalisering van migranten de opstoot van extreem-rechts tegen te gaan. Immers, deze behandeling is een afstraffing van de criminele netwerken die onze samenleving verzieken. Nu komt mijn vraag: hoe gaan we bij deze mensen het wederzijds respect bepleiten? Hoe gaan we hen uitleggen dat ze ons respect moeten beantwoorden? Hoe gaan we hen aantonen dat wij respect hebben voor hen wanneer ze hun voedselpakketje openen en er de gulheid van onze samenleving in hebben geconstateerd?

Wie daarvoor de ogen dichtknijpt maakt van respect één van de grote ziekten van deze tijd.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s