De constructie van grenzen in het discours: een doordeweeks editoriaal uit De Standaard

vlaamse-leeuw-vs-waalse-haan

Jan Blommaert 

(Colloquium Racisme: een element in de relaties tussen Vlamingen en Franstaligen. Brussel 7 maart 1998)

Met moet voorzichtig zijn met woorden in een land zoals België. Elk epitheton dat men verleent aan groepen, acties of beslissingen kan op zijn beurt de inzet worden van een hoogoplopend conflict, ook al was het aanvankelijk bedacht als element in de analyse van een ander conflict. Ik wil mijn uiteenzetting daarom beginnen met een waarschuwing in verband met het woord ‘racisme’. Wat we vandaag doen is dit woord uit zijn geijkte context halen – de context van etnische minderheden, van blank-gekleurde verhoudingen – en transponeren naar een andere context waarin het tot nu toe vreemd was, die van de Vlaams-Waalse verhoudingen. Terzelfdertijd bewaren we echter de vaste eigenschappen die we aan het woord toeschrijven: negatieve en conflictuele eigenschappen die racisme tot een vorm van sociaal verankerd geweld maken. Ik interpreteer de titel van dit colloquium als een uitnodiging tot analyse, getuige het vraagteken. Ik zou niet willen dat de titel zelf de analyse vervangt.

Zelf heb ik bepaalde bezwaren tegen het gebruik van de term racisme in deze nieuwe context, en ik zal de term dan ook vermijden. Mijn bezwaren raken het feit dat termen zoals racisme, sexisme en holocaust hun mobiliserende kracht precies ontlenen aan de verankering in een bepaalde heel specifieke context. Racisme werkt maar als analytisch concept in de context van scheve machtsverhoudingen tussen etnisch geïdentificeerde minderheidsgroepen en een (doorgaans niet etnisch geïdentificeerde) meerderheid. Sexisme werkt enkel in de context van verdrukkende acties tegenover vrouwen (de uitbreiding ervan naar het domein van mannen als slachtoffers heeft nauwelijks effect), en holocaust werkt slechts als term voor een historisch en structureel zeer specifieke genocide tegen een endogene Joodse etnische minderheid.

Dit neemt niet weg dat de fenomenen die men laat schuil gaan onder termen zoals racisme structureel gelijkend kunnen zijn met andere fenomenen waarvoor men die term niet gebruikt. Maar men moet dan weten welke maatstaven men hanteert voor het includeren van die fenomenen in de term racisme. De retoriek kan identiek zijn, maar de globale socio-economische en politiek-historische context waarin die retoriek optreedt kan volkomen verschillen. Hebben we dan nog te maken met hetzelfde fenomeen? Of reduceren we racisme dan tot een epifenomeen? Ik laat deze vragen open en ga over tot de orde van de dag.

***

De huidige Vlaams-Waalse betrekkingen worden gedomineerd, enerzijds door een durée die bestaat uit het trage en gestage proces van staatshervorming en natievorming aan weerskanten van de taalgrens, en anderzijds door herhaalde snelle en intense incidenten (‘debatten’) die voor versnelling, vertraging of discontinuïteiten in het ruimere proces zorgen. De incidenten zijn vrij goed gedocumenteerd en trekken steeds de aandacht van vele waarnemers. Minder zichtbaar, maar zeker niet minder belangrijk, is de langzame transformatie die zich voltrekt tegen de achtergrond van die incidenten. De taalgrens is rustig aan, via een nauwelijks merkbaar en weinig spectaculair proces, ook een mentale, cognitieve en culturele grens geworden. Het is die langzame wording van een diepe breuklijn die ervoor zorgt dat wie thans denkt aan groepsbegrippen zoals ‘de jeugd’ zich daarbij enkel nog hetzij Nederlandssprekende hetzij Franssprekende jongeren voorstelt. En voor wie zich bekommert om het voortbestaan van België is vooral dit trage proces ontrustwekkend, onrustwekkender dan de periodiek opflakkerende incidenten waarin leiders van de verschillende kampen hun gulden sporen aanriemen en ten strijde trekken.

Ik moet een zeer lang verhaal erg kort maken, en moet me dus beperken tot simpele affirmaties. Een zeer belangrijke rol in dit trage proces wordt gespeeld door de pers. John Thompson observeerde reeds dat er in een samenleving zoals de onze geen enkele ideologische analyse mogelijk is zonder daarbij de rol van de media aandachtig te onderzoeken. En laat me preciseren: ik heb het over de media in de generische zin, en niet enkel over duidelijke stokebranden zoals Pallieterke, Trends of De Standaard (om me tot de Vlaamse zijde te beperken). De transformatie inzake mediaberichtgeving die we de laatste decennia hebben meegemaakt is algemeen en zeer diepgaand. Geen enkel medium aan Vlaamse zijde laat nog op vanzelfsprekende wijze Franstalige stemmen aan het woord. Het Frans is niet langer van ons, en van een tweetalig volk zijn we eentalig geworden. Wanneer Jambers zijn diepgravende analyses van onze samenleving geeft, dan beperkt hij zich tot vreemdsoortige Vlamingen. Elk begrip dat courant gebruikt wordt in het bespreken van onze samenleving (termen zoals ‘bejaarden’, ‘landbouwers’, ‘werklozen’) heeft als reikwijdte nagenoeg uitsluitend Vlaamse referenten. Er is een vanzelfsprekende scheiding ontstaan in het denken over onze samenleving, die heeft geresulteerd in een beperking van de horizon tot de deelstaten. Enkel onze deelstaat is vanzelfsprekend, de andere is vreemd.

***

Hoe dit precies in zijn werk gaat is alweer een lang verhaal. Ik kan hier enkel een kleine illustratie bieden van een meer algemeen mechanisme, dat erin bestaat het rapporterende mediadiscours zo te organiseren dat er een etisch, ruimtelijk en politiek universum ontstaat dat gebaseerd is op een scherpe grens tussen ons en de anderen. Als materiaal neem ik een doordeweeks en al bij al onopvallend editoriaal, één uit een lange reeks, uit De Standaard van vrijdag 6 februari 1998. Het editoriaal is van de hand van Dirk Achten en handelt over de toen vrij hevige twist inzake de faciliteiten in de Brusselse Rand. Ter herinnering: een circulaire van Vlaams Minister Leo Peeters had aangekondigd dat de Franstaligen in de faciliteitengemeenten vanaf nu jaarlijks een aanvraag moeten indienen om administratief in het Frans bediend te worden. Zoals steeds speelt de Standaard kort op de bal, en nemen de editorialen van deze krant het voortouw in de articulatie van de Vlaamse standpunten.

De oefening die ik zal uitvoeren is vrij eenvoudig. Ik selecteer drie reeksen uitspraken uit de tekst. Een eerste reeks slaat op de Vlamingen: hun aard, hun acties, hun capaciteiten. Een tweede reeks slaat op de Franstaligen, en een derde reeks op de contacten en relaties tussen beide. Naderhand leg ik deze drie reeksen naast mekaar. Onnodig te zeggen dat dit een zeer beperkte analyse is, en dat veel meer kan verteld worden over dit soort teksten. Maar toch.

 

Reeks 1: Vlamingen

1-(Vlaamse regering) eindelijk werk maakt van

2-een strikte toepassing van de faciliteiten

3-Gestaag en systematisch

4-circulaires die het voor Franstaligen in de zes faciliteitengemeenten overduidelijk maken dat ze in Vlaanderen wonen.

5-nauwelijks opwinding

6-niet omstreden

7-in alle redelijkheid verwachten

8-niets te maken met etnische zuiverheid.

9-fundamenteel respect voor het land waarin je verkiest te wonen

10-Geen Vlaming haalt het in zijn hoofd allerlei voorrechten te eisen in Waver of Geldenaken

11-Vlaamse regering blijft op haar standpunt en ziet het probleem niet

12-Het Frans is in het Vlaamse onderwijs nog steeds tweede taal, maar moet in de praktijk voor de jongere generaties de plaats ruimen voor Engels

13-kordatere koers in de Vlaamse Rand combineren met een doordacht beleid tegenover Brussel

14-een zelfbewust en economisch welvarend Vlaanderen

15-Vlaanderen heeft die middelen en kansen wel

16-het komt erop neer die intelligent te gebruiken.

 

Reeks 2: Franstaligen

1-In rep en roer staat de Franstalige pers

2-een feit dat ze bijzonder graag willen vergeten

3-een Franstalige die in Vlaanderen komt wonen…kan na enige tijd het Nederlands gebruiken in zijn contacten met de overheid {zoals dat ook wordt verwacht van een Spaans- of Engelstalige}

4-Blijkbaar is dit allemaal compleet onaanvaardbaar voor een bepaalde Brusselse Franstalige opinie

5-Aan Franstalige kant wordt bijzonder heftig gereageerd

6-Onkelinckx vindt het vreselijk jammer dat zij niet voluit kan intervenieren in Vlaanderen om die Franstaligen te hulp te snellen.

7-Onkelinckx is bevoegd, maar niet hier

8-In Franstalig Belgie krijgt nog maar de helft van de leerlingen in het onderwijs te maken met het Nederlands, dat daar herleid is tot een eenvoudig keuzevak.

9-Zelfs de minder verlichte Franstalige Brusselaars zullen na een tijdje doorhebben dat een gesprek (…) perspectieven biedt.

10-Een sukkelend Wallonie onder PS-hegemonie is niet alleen weinig aantrekkelijk. het heeft gewoon de middelen niet om te wegen.

 

Reeks 3: contacten en relaties

1-Moeilijk gesprek [titel]

2-een dovemansgesprek in het ministeriele overlegcomite dat zich moet buigen over dergelijke conflicten

3-Om die bemoeizucht te vermijden zijn er staatshervormingen geweest

4-Eens te meer gaapt er een diepe kloof tussen Franstalige en Vlaamse logica en gevoeligheden.

5-Het gesprek wordt steeds moeilijker, omdat leefwereld en referentiekader dermate verschillen. [gevolgd door een vergelijkende passage: reeks 1, 12 en reeks 2, 8]

Laten we nu enkele van de meest opvallende elementen even op een rijtje zetten. We beginnen met reeks 1, over de Vlamingen. Wat daarin opvalt is dat haast alle uitspraken (16 in totaal) georganiseerd zijn rond twee beelden van de Vlamingen:

(1) doortastend, kordaat, duidelijk, rechtlijning: uitspraken 1, 2, 3, 4, 9, 11, 13, 14, 15 en 16.

(2) redelijk, bezadigd, kalm: uitspraken 5, 6, 7, 8, 10, 12, 13.

Uitspraak 13 combineert beide beelden: daar worden de Vlamingen enerzijds geassocieerd met een ‘kordate koers’ en anderzijds met een ‘doordacht beleid’. Uitspraak 12 heeft eveneens een apart statuut. Deze moet vooral gelezen worden in contrast met uitspraak 8 uit reeks 2 (beide uitspraken vergelijken het statuut van de tweede landstaal in het onderwijs) en kan dus evengoed in reeks 3 geplaatst worden als een exemplum van de Vlaams-Waalse verschillen. We komen daar straks nog op terug.

Even opvallend in reeks 1 is de afwezigheid van termen en omschrijvingen die intenties en wilsuitdrukkingen aanduiden. Dit staat precies in schril contrast met de uitspraken over de Franstaligen in reeks 2. Reeks 2 bevat een aantal termen die evaluatieve uitspraken doen over de intenties of de emoties van de Franstaligen. In uitspraak 2 staat Adie ze willen vergeten, uitspraak 6 is een beschrijving van de gemoedstoestand van Onkelinkcx (zij vindt het vreselijk jammer), en in uitspraak 9 worden bepaalde Franstalige Brusselaars omschreven als minder verlicht. Equivalenten aan Vlaamse zijde zijn er niet, dit soort verwoordingspatroon geldt enkel voor de beschrijving van de Franstaligen. Globaal genomen worden de Franstaligen in contrast geplaatst met de Vlamingen door het toeschrijven van onredelijkheid en heftigheid aan de Franstaligen (zie uitspraak 1, 2, 4, 5 en 6), tegenover de Vlaamse redelijkheid en kalmte. Andere uitspraken uit reeks 2 slaan op wat Franstaligen eigenlijk zouden moeten doen (ware het niet dat zij onredelijk zijn) (uitspraak 3), en op de beperkingen van de Franstalige macht en invloed (uitspraken 7 en 10). En passant wordt ook het Waalse politieke en economische systeem samengevat in uitspraak 10 (een sukkelend Wallonie onder PS-hegemonie). Noteer dat uitspraak 3 uit reeks 3 eveneens een uitspraak doet over de Franstaligen: de staatshervorming is er gekomen omwille van hun bemoeizucht.

Daarmee komen we bij reeks 3. Alle uitspraken uit deze reeks schetsen de Vlaams-Waalse verhoudingen in een somber licht, enerzijds door middel van beschrijvende frasen (uitspraken 1, 2 en 4) anderzijds ook door middel van een verklarende passage (uitspraak 5, gekoppeld aan de twee uitspraken inzake het statuut van de tweede landstaal). In deze laatste passage wordt een hele theorie geactiveerd: er gaapt een diepe kloof tussen Vlamingen en Franstaligen omwille van het verlies van aandacht voor elkaars taal. Daarmee zijn we bij de typisch Vlaamse cultuurtheorie die alle zegen en vloek relateert aan taal. Noteer dat in die passage ook een attitudineel verschil wordt aangeduid tussen Vlamingen en walen in dit verband. Bij de Vlamingen is het Frans nog steeds de tweede taal, en is het een spontane sociale dynamiek die het Engels naar de voorgrond duwt; bij de Franstaligen wordt het Nederlands herleid tot een eenvoudig keuzevak. Dat ook de Vlaamse regering bijdraagt tot de verhoging van de status van het Engels als tweede taal (alle propaganda is tweetalig in het Nederlands en het Engels – Vlaanderen – Flanders) wordt even terzijde gelaten.

***

Tijd om tot conclusies te komen. In dit doordeweekse editoriaal zien we hoe een totaal verschillende retorische ‘framing’ – een ‘inkadering’ – wordt gehanteerd voor Vlamingen en Franstaligen. Tertzelfdertijd zien we hoe de Vlaams-Franstalige dialoog (en het is nog steeds een dialoog in dit editoriaal) daardoor kan getekend worden als een haast onmogelijke confrontatie tussen leden van twee verschillende werelden. Het mechanisme via hetwelke dit verloopt is zelfs niet subtiel te noemen, het valt van de teksten af te scheppen (in deze oefening hebben we enkel het lexicale niveau onderzocht). En het interessante is dat deze sterk verschillende ‘framing’ volkomen onopvallend geworden is. Hij wordt niet enkel gehanteerd door Dirk Achten. Wie tijdens crises zoals die rond de faciliteiten de radio openzet of ‘s avonds naar Ter Zake kijkt, of de moeite neemt even een bezoekje te brengen aan het Vlaams Parlement, hoort dozijnen echo’s van dezelfde retoriek. Het is een standaardpatroon geworden (vergeef me de woordspeling) waarmee de Vlaamse mediaconsument de politieke verhoudingen tussen de gemeenschappen decodeert en interpreteert. Op een andere manier hierover praten is bijzonder moeilijk geworden. Wie het probeert constateert vrij snel dat hij of zij, om Bourdieu te parafraseren,‘zijn woorden niet vindt’ tegenover de dominante retoriek.

Ik heb in het begin aangekondigd dat ik het woord racisme zou vermijden in mijn uiteenzetting, en ik hou me daaraan. Toch even dit: het discours over Vlamingen en Franstaligen in de Vlaamse media schept een ‘normaal’ beeld van diepe verschillen, gapende kloven tussen beide gemeenschappen. Wanneer we dit overplaatsen naar het domein van het migrantendebat stemt dit evenwel niet overeen met de retoriek van extreem-rechts. Veeleer sluit het aan bij de retoriek van de welmenende, conditioneel-multiculturele goegemeente. Het mag ons niet verbazen. Ten grondslag van de hier onderzochte retoriek, zowel als van die van de tolerante en integratiegezinde meerderheid die zich opstelt tegenover migranten, ligt een etnisch ingevuld nationalisme. En hiermee kan men slechts een beperkt aantal richtingen uit.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s