Commerciele correctheid en politieke correctheid: Over pers en politiek

Mcarthylist2

Jan Blommaert

(Een tekst uit januari 2008, geschreven als respons op een lange recensie van “De Crisis van de Democratie” door Karl Van den Broeck in RektoVerso)

Ik dank Karl Van den Broeck voor de grondige en sympathieke bespreking die hij wijdt aan mijn boek De Crisis van de Democratie. De redactie van Rekto:Verso vroeg me om in deze ‘polemiek’ te treden. Ik vind dit echter geen polemiek, eerder een bedachtzame en constructieve analyse die geen provocerende maar enkel stimulerende bedoelingen heeft. Dat siert Van den Broeck in deze tijden waarin men slechts publiek kan gaan met radicale standpunten. Ik heb dan ook geen zin om hier te polemiseren, wel zin om mee te doen aan de gedachtenwisseling.

In zijn befaamde biografie van de Amerikaanse Senator en Communistenjager Joe McCarthy beschrijft David Oshinsky de relatie van McCarthy met de pers.[1] McCarthy beoefende een uiterst grof populisme waarin hij elke tegenstander beschuldigde van lidmaatschap van een Communistische Partij of spionage voor Moskou, incluis President Truman, Minister van Buitenlandse Zaken Acheson en Minister van Defensie Marshall (van het Marshall-Plan). Argumenten had hij doorgaans niet, of als hij ze had waren ze flinterdun, scheefgedraaid of gefabriceerd. Maar in de context van de oorlog in Korea, de Communistische machtsgreep in China en de ontwikkeling van kernwapens in de USSR was een Communistisch complot iets wat vlotjes naar binnen ging. McCarthy had ook geen argumenten nodig. Hij werkte via de media. Hij stelde zich uiterst open en genereus op tegenover journalisten die steeds op zoek waren naar sappige headlines en goed lopende verhalen, en McCarthy gaf hen alle voer dat ze nodig hadden. Waar hij verscheen werd hij dan ook gevolgd door drommen journalisten. Tijd en middelen om McCarthy’s complot-theorieen te checken hadden ze niet: er moesten deadlines gehaald worden. Volslagen ongefundeerde aantijgingen belandden zo op de voorpagina’s van de kranten, en werden daar snel een genre dat gretig door het publiek werd verslonden. Wanneer redacties probeerden iets kritischer te rapporteren over de toeren van Sterke Joe, of z’n verhalen van de voorpagina wilden halen, kregen ze bakken kritiek van hun lezers en daardoor ook van hun media-bazen.

Er waren over McCarthy flink wat discussies onder journalisten. Ze wisten doorgaans maar al te goed dat Joe leugens en roddels voor waarheden sleet. Maar McCarthy was een belangrijk man, en hij beschuldigde andere belangrijke mannen, dus dat was nieuws. De journalisten werkten immers binnen een volledig gecommercialiseerde journalistieke cultuur, waarin van hen geen ‘duiding’ verwacht werd maar ‘nieuws’, waarin ze dus enkel ‘voorvallen’ mochten rapporteren maar geen aanwijzingen mochten geven over de mogelijke interpretaties van die voorvallen. Ze werkten binnen een markt-model waarin hun product ‘feiten’ waren, en die feiten moesten verkopen. De grote columnist Richard Rovere verwoorde het in 1954 scherp:

“Het is niet de zaak van de pers om de mensen te zeggen welke ‘feiten’ echte ‘feiten’ waren and welke niet. Als ze dat zou doen zou ze haar rol in een vrije samenleving ver te buiten gaan”[2]

Klink dit ons niet bijzonder bekend in de oren? Journalisten en hun bazen waren van oordeel dat ‘de mensen’ verstandig genoeg waren om zelf hun besluiten te trekken; de media waren er om een spiegel te zijn van de samenleving, en zich daarbij te onthouden van elke morele of politieke interpretatie. Journalisten ‘schreven op’ en ‘zonden uit’ wat er gebeurde, en hun enige richtsnoer was de mysterieuze gave om zaken te ontdekken die intrinsiek ‘nieuwswaarde’ hadden. De gevolgen waren er naar. McCarthy gaf in de jaren vijftig, na de relatief ‘linkse’ decennia van de New Deal, de VS een enorme kwak naar rechts waarvan het land een halve eeuw later nog niet bekomen is en nog steeds de gevolgen draagt. Zijn media-populariteit zorgde ervoor dat top-politici (waartoe hij aanvankelijk zeker niet toe behoorde) een groot ontzag, zelfs angst, voor hem kregen, en het duurde dan ook jaren vooraleer hij geroyeerd werd als Senator.

$$$

Ik vertel dit verhaaltje als een soort parabel in verband met de relatie tussen pers en politiek. Wanneer politici de spelregels van de pers doorhebben en goed weten te bespelen, en wanneer de pers ervan uit gaat dat ze alleen maar ‘objectief’ te rapporteren heeft en dat ‘de mensen’ zelf wel zullen denken, dan dreigt de pers snel de propaganda-afdeling van die politici te worden. In mijn boek bespreek ik de wijze waarop Filip Dewinter dat virtuoos doet. En wanneer ik Jean-Marie Dedecker aan het werk zie kan ik de parallel met Joe McCarthy moeilijk onderdrukken. Dedecker gooit zoals eertijds McCarthy met wat modder, vind het niet nodig daarbij argumenten of bewijzen te geven (waardoor hij dan, tot zijn eindeloos ongenoegen, veroordeeld wordt in het doping-proces), en spreekt systematisch in superlatieven en overdrijvingen. De journalisten doen echter nauwelijks moeite om zijn kromspraak aan de kaak te stellen, hem het vuur aan de schenen te leggen of zijn hyperbolen af te zwakken. Integendeel, guess what: wanneer de Oostendse Misthoorn loeit is het voorpagina nieuws.

Het is het makkelijkste soort politiek dat er bestaat: je lost een losse flodder die wat eerstelijns plausibiliteit lijkt te hebben (“de corruptie van de PS kost Vlaanderen bakkenvol geld!”). Het publiek knikt, “ja, daar zeg je me wat!” en de pers doet de rest: ze rapporteert dit ‘standpunt’ als een ernstige waarheid, lokt commentaren uit, trekt de logica door van dat standpunt in de richting van ‘gevolgen’, zoekt wat ‘deskundigen’ die hierover hun mening kwijt willen en, voila, je hebt een ‘maatschappelijk debat’. De populist gebruikt die legitimiteit dan om aan te geven dat hij ‘democratische steun’ heeft voor z’n standpunt, en op de rug van die publieke legitimiteit rijdt hij dan verder richting de politieke top.

Mensen als Dewinter en Dedecker hebben ook onze samenleving een stevige kwak naar rechts gegeven. Het feit dat zogeheten linkse knapen zoals Stevaert en Janssens diezelfde recepten overnamen is deel van de grote invloed van die nieuwe rechtse populisten: ze zijn erin geslaagd het hele politieke veld te ‘ont-linksen’ en hun eigen populisme op te leggen als norm voor politiek succes. Dat alles schrijf ik in mijn boek, en dat grote proces vormde ook de thematiek van Ik Stel Vast en Populisme. Wat nu de rol van de media betreft is het nuttig dat ik mijn besluiten even in alle duidelijkheid meegeef.

Ik zeg nergens dat de verrechtsing de schuld van de media is. De verrechtsing gaat niet uit van de media, maar van politiek rechts. De verrechsting van de VS was niet de schuld van de Amerikaanse media, maar ging uit van nieuw-rechtse populisten zoals McCarthy (en na hem, Nixon, Reagan, Bush, en noem ze maar op). Wat ik zeg is dat de media thans binnen een bepaalde journalistieke cultuur bewegen, waarin ze net hetzelfde beweren als wat Rovere destijds aangaf: de media zijn ‘vrij’ en ‘objectief’, dat wil zeggen dat ze enkel ‘nieuws’ brengen en zich verre houden van educatieve taken. Die laatste, zo hoort men her en der, behoorden tot de ‘opgestoken vingertjes’ cultuur van eertijds, toen media verzuild en dus niet objectief waren. We zijn, naar ik meen, meer dan voldoende vertrouwd met deze argumenten. Die media-ideologie is een ideaal vehikel voor figuren zoals Dewinter, Dedecker of, elders, Bush en Sarkozy. In die zin vergemakkelijken de media dit proces van verrechtsing, omdat het hun eigen logica uitbuit. De media zijn daardoor een zeer onkritisch instrument voor die populisten, die weten hoe ermee om te gaan.

De hoofdstukken over Dewinter en Bush in het boek geven dit aan: ze laten allebei de media in hun plaats spreken. Hun politieke boodschappen worden door de media opgepikt en omgezet in media-boodschappen en beelden, waardoor ze nog meer impact beginnen krijgen. Ze zijn dan immers niet langer meer de stem van Dewinter, maar de stem van de ‘vrije’ en ‘objectieve’ media, die zoals ik eerder aangaf allerhande uitroeptekens, ondertitels en voetnoten plaatsen bij de woorden van Dewinter.

$$$

Dit is een recent fenomeen, en het is het gevolg van de grote transformatie van de media-cultuur in onze samenleving. Op dit punt wil ik heel even een prik geven aan Van den Broeck. Hij bestempelt mijn uitgangspunten als ‘ouderwets links’. Ik hoop dat daarmee niet bedoeld wordt ‘verouderd en vooringenomen’, want de analyse die ik bied is bijzonder actueel en feitelijk. Vijftien jaar geleden was die analyse simpelweg niet mogelijk, want de media-omgeving zag er toen nog heel anders uit: een staatsmonopolie op de audiovisuele media, en een hegemonie van de levensbeschouwelijke zuilen over de gedrukte media. Sinds de vroege jaren 90 is dit panorama diepgaand en uiterst grondig veranderd, en het is een eenvoudig feit dat nagenoeg alle media thans in handen zijn van kapitaalsgroepen, niet van maatschappelijke zuilen of politieke partijen. Zelfs de grote baas van de VRT is nu geen ‘ambtenaar’ meer die overheidsbeleid uitvoert, maar een ‘topmanager’ die zijn overheidsbedrijf beheert volgens de logica van de markt, niet van het parlement. De media beantwoorden nu aan managements- en marketing-wetten, en journalistiek verloopt binnen een commercieel model. Dit, neem ik aan, is een eenvoudige en zeer actuele waarneming.

Het is tevens een eenvoudig feit dat deze transformatie hand in hand is gegaan met een deprofessionalisering van de journalistiek. Dit is bepaald onprettig voor journalisten nu, die in vaak zeer ondankbare hoge-drukgehieden moeten werken, en vaak gereduceerd worden tot schrijvende of pratende stukwerkers of dagloners. Dit is een effect van de grote transformaties in de media en van de managements-logica waarin ze nu leven, waarin kostenbeheersing en winstmaximalisatie centraal staan. Karl Van den Broeck geeft goede voorbeelden hiervan in zijn artikel. Het is voor hedendaagse journalisten vaak moeilijk toe te geven dat de vorige generatie journalisten doorgaans wat meer aan journalistiek kon doen en wat minder als huurling moest leven. De platgedraaide gemeenplaatsen over ambtenaarschap, partijkaarten en zo meer doen daar geen afbreuk aan: de vorige generatie had eveneens een professionele deontologie en een journalistieke integriteit, en veel hedendaagse journalisten traden de mediawereld binnen met rolmodellen uit de vorige generatie in hun hoofd. De suggestie dat die vroegere journalisten gewoon de diktaten van partijvoorzitters uitzonden is simpelweg onnozel. Laat ons deze dwaze tegenstelling tussen ‘niet objectieve’ media vroeger, en ‘objectieve’ media nu maar begraven, samen met de gedachte dat ‘commerciele correctheid’ – datgene produceren wat best verkoopt – intrinsiek objectiever zou zijn dan politieke correctheid.

$$$

Ik zie dus niet goed in waarom mijn standpunt ‘ouderwets links’ zou zijn, want de analyse is niet ouderwets en evenmin intrinsiek links. Ik zie het gebruik van dergelijke bepalingen als een symptoom van een van die dingen die ik in De Crisis van de Democratie beschrijf: het feit dat elke mening in dit land een kleurtje moet hebben. Dat kleurtje duwt het standpunt in een bepaalde hoek, en belet deels dat het puur op z’n merites wordt beoordeeld. Mijn antwoord is dan telkens: weerleg het standpunt, niet de politieke tendens die het in zich zou houden.

Nu heb ik persoonlijk niet de geringste moeite om mezelf links te noemen, net zo min als ik moeite heb met een zelfomschrijving als intellectueel. Ik besef heel goed dat beide omschrijvingen me meteen definieren als een welbepaalde producent van welbepaalde standpunten, en dat is net mijn democratische claim. Een democratie bestaat niet uit een vlak veld van uniforme mensen – traditioneel is dat de ideale dictatuur. Ze bestaat uit een allegaartje van welbepaalde mensen die behoren tot groepen met heel andere karakteristieken. De media vlakken thans die verschillen af, en ze suggereren een uniformiteit die er enerzijds gewoonweg niet is, en anderzijds meteen ook talloze welbepaalde groepen uitsluit. Linkse intellectuelen reken ik tot die laatste categorie, en vandaar mijn nuchtere vaststelling dat iemand zoals ik niets kan gaan doen in de massamedia. Ik ben immers geen ‘mens’ in de zin die Stevaert gaf aan ‘de mensen’: ik ben in velerlei opzichten een minderheid – zoals iedereen in onze samenleving. Ik roep dan ook geen staking uit van intellectuelen tegenover de media: ik trek de logische conclusies van een analyse over de wijze waarop de media ruimte laten (of afnemen) voor intellectuelen.

Ik vind die conclusie niet absoluut pessimistisch, ze is nuchter en feitelijk. En ze kan maar ongedaan worden gemaakt wanneer, zoals ik in het boek schrijf, de hele samenleving er zich tegenaan gooit, en de suggesties die Van den Broeck hierover doet zijn een zeer goede aanzet daarvoor.

[1] David Oshinsky, A Conspiracy so Immense: The World of Joe McCarthy. New York: Oxford University Press, 2005.. Zie vooral pagina’s 186-190.

[2] Geciteerd in Oshinsky, p. 187.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s