Solidariteit en het INIMBY syndroom

23oktober1983-betoging.jpeg

Jan Blommaert 

Actiegroepen worden nogal dikwijls beschuldigd van het “NIMBY”-syndroom – “not in my backyard”. Ze zouden egoïstisch zijn in hun beweegredenen, kleinzielig en overgevoelig voor hinder die dan als de niet te vermijden prijs van de vooruitgang wordt voorgesteld. Twee dingen daarover.

Een: net zoals bij het “Wet-van-Godwin”-argument dat opduikt telkens wanneer men een hedendaags voorval vergelijkt met een episode uit de Nazi-geschiedenis, heeft het NIMBY-argument een bepaald effect: men kijkt niet meer naar het eigenlijke punt waarover het gaat. NIMBY, net als Godwins Wet, is letterlijk een “dooddoener”: het inhoudelijke debat wordt ermee kaltgestellt, en de inhoud van het debat wordt onterecht irrelevant verklaard.

Daardoor wordt alles uiteraard op een hoopje gegooid. Er is inderdaad veel dwaas verzet tegen onvermijdelijke dingen – de bemiddelde burgerij die vraagt om haar buurt te voorzien van slagbomen zodat enkel hùn auto’s de wijk binnen of buiten kunnen bijvoorbeeld. Of verzet tegen een speeltuin voor kinderen, een hondenweide, of een asielcentrum. Of de weerstand van Burgemeester Lippens in Knokke tegen “frigoboxtoeristen” in zijn knusse kustdorp. Men rekt het begrip “overlast” nogal eens tot zowat alles dat de huidige toestand dreigt te veranderen, en verzet daartegen is vaak ingegeven door platte en egoïstische motieven. NIMBY bestaat echt.

Maar er is ook verzet tegen dingen die gewoon in niemands achtertuin horen te liggen; en de naoorlogse geschiedenis staat bol van protesten tegen dingen zoals kerncentrales, chemische en militaire installaties en luchthavens. Het massale verzet van landbouwers in de jaren zeventig tegen de bouw van Narita nabij Tokyo is een goed gedocumenteerd voorbeeld. Het verzet tegen de sloop van Doel omwille van de uitbreiding van de Antwerpse haven is een goed voorbeeld ervan in eigen land. Wanneer men de kwaliteit het leven van een gemeenschap manifest en aanzienlijk aantast, of het leven ervan op een bepaalde plek gewoon bedreigt omwille van redenen van een “hogere orde”, zoals dat heet, dan liggen de zaken geheel anders.

Die “hogere orde” is immers doorgaans de economische orde, de belangen van het kapitaal, en wanneer die in conflict komen te staan met de belangen van een grotere gemeenschap dan spelen de morele en politieke argumenten doorgaans in het voordeel van die gemeenschap. Er zijn dan goede redenen om in verzet te gaan, niet omwille van not in my backyard maar omwille van zaken zoals politieke, sociale en economische rechtvaardigheid, vrijheid, menswaardigheid en levenskwaliteit, en verzet tegen machtsmisbruik.

Wie dus het NIMBY-argument gebruikt zonder te kijken waarover het debat precies gaat ontwijkt de discussie-ten-gronde daarover, en debatteert dus in wezen gewoon niet mee. Het is dan een dom argument.

Twee, en aansluitend bij het vorige punt: het verzet tegen dingen die in niemands achtertuin horen wordt vaak gesteund door zeer vele mensen die “objectief” geen last zouden hebben van datgene waar ze zich tegen verzetten. En maar goed ook. De grote anti-atoomraketten betoging van oktober 1983 is nog altijd de grootste uit de Belgische geschienis. Zowat 400.000 burgers kwamen de straat op tegen de plaatsing van nieuwe raketten in … Florennes en Kleine Brogel, plekken zeer ver verwijderd van de eigen achtertuin. Het verzet tegen de sloop van Doel – waar haast niemand meer woont – is evident ook niet ingegeven door de belangen van de eigen achtertuin.

Over een aantal thema’s ziet men echter dat mensen zich graag afzijdig houden omdat zij “geen last” hebben van datgene wat door anderen wordt aangeklaagd. Ik noem dit het INIMBY argument: “it’s not in my backyard”. Vermits ik niet zelf getroffen word door een maatregel zet ik me niet in beweging om ertegen te protesteren. Men hoort dit argument vaak als het over het BAM-tracé gaat: het is een Antwerpse kwestie en daarmee uit. Idem met de toegenomen overlast rond de luchthaven van Deurne: het kan me weinig schelen want ik word niet gewekt door het gebrul van een opstijgende jet. Degenen die er wél door getroffen worden moeten het zelf maar uitzoeken, want it’s not in MY backyard. De egoïstische houding die men via het NIMBY-argument toeschrijft aan zij die verzet voeren, karakteriseert net het INIMBY argument: dit is niet mijn probleem, dus waarom zou ik me daarvoor moe maken?

Volgens die logica is elke vorm van sociaal protest onmogelijk. Wie zich inzet voor vluchtelingen zonder zelf een vluchteling te zijn doet dan iets heel ongerijmd. Tenzij men natuurlijk zoiets als “solidariteit” erkent en er belang aan toedicht: men hoeft niet door een maatregel getroffen te worden om ertegen in verzet te gaan, men doet het uit solidariteit met zij die er wel rechtstreeks door worden getroffen. En die solidariteit vooronderstelt dan het eerste punt dat ik hierboven aanhaalde: dat men de inhoud van de zaak bekijkt, het concrete punt waartegen verzet ontstaat, en oordeelt of het solidariteit verdient of niet. Dat is een discipline die velen blijkbaar nog moeten aanleren.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s