Met Kabila van Zaïre naar Congo (1999)

Che Kabila

Jan Blommaert 

Vertrekpunt: de grap

Op één april 1999 blokletterde de grootste Engelstalige krant in Tanzania, The Daily Mail, dat de oorlog in Congo de dag daarvoor officieel beëindigd was. Volgens het voorpagina-artikel waren de Congolezen het vechten beu; ze waren de saaie oorlog moe en hadden besloten vrede te sluiten. De leider van de rebellie, professor Wamba-dia-Wamba, was toegetreden tot de regering van Kabila, en de Ugandese troepen die de rebellie hadden gesteund waren reeds in dichte drommen onderweg naar huis. Het artikel besloot met de melding dat president Kabila prompt een politieke meeting had georganiseerd, waarin hij zijn landgenoten op de hoogte bracht van deze overwinning en hen een fijne Fool’s Day en een zalig Paasfeest toewenste.

Het was een naar onze criteria ietwat smakeloze één april grap. Een gewapend en wreed conflict dat een hele regio dooreen schudt en dat vele levens kost is bij ons niet meteen stof voor één april grappen. Ter interculturele vergelijking: de één april grap van de VRT ging over het Atomium als bouwovertreding. Maar in Tanzania was Kabila’s oorlog de billenkletser. Of beter: een scenario voor het einde van die oorlog, met daarin verwerkt alle mogelijke stereotypen die in Afrika de ronde doen over Congo en de Congolezen. De Congolezen worden er afgeschilderd als wat doelloze luiaards die iets beginnen maar niet het doorzettingsvermogen hebben om het af te maken en die liefst van al drinken en muziek maken; hun land is een poel van chaos en verwarring waarin vandaag dit, morgen dàt als regel geldt; en Congolese politieke crisissen worden vaak nogal verrassend opgelost. De verwijzing naar Wamba’s plotse lidmaatschap van de regering-Kabila is natuurlijk een knipoog naar de Mobutu-jaren, waarin talloze politici een ganse loopbaan uitbouwden door afwisselend oppositiebewegingen te leiden en deel uit te maken van de regering in Kinshasa.

Interesting, interesting. Kabila’s staat wordt door Tanzanianen bij wijze van grap volledig geïdentificeerd met die van Mobutu. De hele structuur van de grap verraadt een beeld van continuïteit — het is altijd het zelfde in Congo. De Congolese politiek onder Kabila is even goed bron van vermaak en relativering als de Zairese politiek onder Mobutu. Kabila of Mobutu, Congo of Zaire: enkel de namen verschillen, de rest is onveranderd gebleven. Noteer dat dit patroon erg sterk is, en daardoor tot een goed één-april-effect kan leiden: dit bericht werd me door Tanzanianen doorgeseind als een belangrijk nieuw feit; enkel na grondige lezing van het artikel snapten we dat het om een grapje ging.

Kabila kan men vanuit een heel aantal hoeken bestuderen. Het ligt voor de hand dat er zich rond de figuur van Kabila in de toekomst ook een bonte onderzoekstraditie zal ontwikkelen. Zelf kies ik op dit punt voor een politiek-semiotische invalshoek. Kabila is allerlei zaken, hij stelt allerlei zaken voor, hij beeldt allerlei zaken uit, en wordt op allerlei manieren afgebeeld. Rond hem worden ingewikkelde semiotische patronen van perceptie en discursieve activiteit geweven. De één-april grap is een voorbeeld van zo’n afbeeldende discursieve activiteit, die vooral de klemtoon legt op Kabila-als-Mobutu, op Congo-als-Zaire. In wat volgt zal ik pogen een aantal elementen uit de politieke semiotisering van Kabila en het nieuwe Congo te schetsen en te becommentariëren. Ik heb daarbij geen these of punt dat ik ten allen prijze wenst te beargumenteren. Ik wil enkel een politiek meta-niveau markeren en documenteren, het niveau waarop politiek cultuur wordt en omgekeerd.

De Luipaard

We keren terug in de tijd, naar het begin van de opstand die Kabila uiteindelijk aan de macht bracht. We schrijven najaar 1996. Mobutu zit reeds ruim vijfendertig jaar op de troon van zijn Congo-Zaire. Hij is, ook in Afrika, een vertegenwoordiger van het politieke Kwaad, van die generatie Afrikaanse dictators en autocraten die doorheen de turbulente jaren zestig aan de macht kwam.1 Mobutu is een misdadiger die een hele resem moorden en bloedbaden op zijn geweten heeft: hij is de beul van Lumumba, Mulele, Tshombe en zo vele naamloze anderen. Hij is een man van de CIA en de westerse zakelijke belangen. In België associeert men hem met affairisten zoals Van den Boeynants en Decroo. Mobutu is dé neokolonialistische Afrikaanse leider, die hengelt naar de gunst van zijn voormalige koloniale patron en zich sterk associeert met het Koningschap van Boudewijn. Bij het laatste bezoek van Boudewijn aan Kinshasa bood Mobutu hem zijn land aan: Voici mon pays, que dis-je, votre pays. Met deze uitspraak verloor hij het laatste greintje respect en geloofwaardigheid onder progressieve Afrikaanse intellectuelen.

Mobutu was de man die zijn potentieel fenomenaal rijke land economisch de dieperik injoeg en het grootste deel van zijn bevolking in een staat van volledige onderontwikkeling wist te houden. Hij was de vleesgeworden cleptocratie die aan de begrippen corruptie en nepotisme een heel nieuwe envergure gaf. Hij goot er een politieke en culturele ideologie omheen: de absolute dictatuur van één man, de buitengewone accumulatie van staatsrijkdommen rond die man en zijn getrouwen, de afwezigheid van elke vorm van politieke dialoog en machtsdeling en de veruitwendiging van fenomenale rijkdom door de leider en zijn hovelingen — dat waren allemaal elementen van Afrikaanse authenticiteit. Wie de ingrediënten van dit systeem aanviel pleegde agressie tegen de Afrikaanse ziel, tegen de culturele drang van de Afrikanen om onderdrukt te worden, tegen het evidente karakter van machtsmisbruik en uitbuiting voor Afrikanen. Mobutu was één van diegenen die de moderne democratie theoretiseerde als fundamenteel on-Afrikaans, en die daar meteen zijn alternatief voor had: in een dorp is slechts één chef; de chef is hard en sterk; de chef incarneert de rijkdom van het land en moet dus rijk zijn; de chef wordt per definitie bemind door zijn volk en elke suggestie dat iemand anders wel eens een even goede chef zou kunnen zijn is een regelrechte belediging voor de mensen; de chef duldt palavers, maar zijn geduld is beperkt en soms moet hij de rest het zwijgen opleggen. “Hij laat zijn tanden zien en iedereen denkt dat hij lacht” — zo betitelt men de chef.2 De chef is een luipaard: mooi, kalm, sterk, verstandig, en alleen.

maxresdefault

De grootste politieke verwezenlijking van Mobutu is de constructie en de verspreiding van dit beeld. Mobutu had de gave van het woord, hij was een buitengewoon overtuigend prater met een flair voor ‘staging’ en regie. Zijn perverse theorie van dictatuur-als-Afrikaanse-democratie klonk goed, was coherent en leek bij gebrek aan diepgaande politieke analyses van zijn land en zijn regime bovendien nog met de realiteit overeen te stemmen. Velen hebben Mobutu’s theorie geloofd. Voor Belgische en andere politici bood ze een alibi voor het onbespreekbaar houden van kwesties zoals democratie en mensenrechten in de relaties met Zaïre; voor sommige wetenschappers bood ze een verklaring voor het feit dat de moderne democratische staatsvorm in Afrika niet bleek aan te slaan. Voor velen was Mobutu’s theorie een prachtig en autoritair eufemisme voor die oude koloniale waarheid dat de beste en meest normale manier om iets duidelijk te maken aan een Afrikaan bestond uit een stevige peut op z’n smoel. Interculturele communicatie in de koloniale periode bleek te draaien rond het gebruik van de minst ambigue taal: de taal van de vuist. Lumumba had tijdens zijn befaamde onafhankelijkheidstoespraak de kastijding met de chicotte aangehaald als ultieme vernedering, en de Belgen waren verontwaardigd. Mobutu beweerde nu dat die chicotte overeenstemde met diep-culturele Afrikaanse machtsconcepten.3 De Belgen waren verheugd, want deze postkoloniale staatsman bewees het grote gelijk van het koloniale systeem.

Hij bewees meteen ook dat het neokolonialisme dezelfde machtsprincipes moet huldigen als het kolonialisme, maar dat het die anders moet verwoorden. Koloniale oppressie moet ‘geïndigeniseerd’ worden, ze moet ‘gerepatrieerd’ worden zodat Afrikaanse elites er nu het monopolie over hebben. Mobutu was de schepper van het culturele argument in de analyse van kolonialisme: eenzijdige macht en uitbuiting door blanken was koloniaal, slecht en cultureel onaangepast; diezelfde dingen uitgevoerd door Afrikanen waren cultureel aangepaste vormen van gezagsuitoefening. Die indigenisering liet hij gepaard gaan aan een reeks machtige syncretismen in de politieke vormentaal. Zijn hofhouding was eminent Europees maar vol van Afrikaanse etiketten en merknamen. Hij droeg een Nehru-baret in luipaardenhuid, een ebbenhouten gesculpteerde wandelstok die moest doorgaan voor een scepter; hij ontwikkelde de befaamde ‘abacost’ (à bas la costume): een klassiek pak dat het midden hield tussen Europese modellen en de ‘Kaunda-suit’ (de Afrikaanse versie van het Mao-pak, met ingesneden kraag). Zairese diplomaten in het buitenland moesten bij toasts een geut van hun champagne of whisky op de grond gieten als offer aan de voorouders, hetgeen kuisbeurten kostte van diverse dure tapijten en geboende parketten. Zijn staats-ceremonieel was Europees-militair gekleurd, vol pompeuze veelkleurige uniformen, vaandels en decoraties (Mobutu zelf was ‘Maarschalk’), en met heuse berenmutsen voor de paleiswachters. En de officiële taal was Frans — Zaire was volgens Mobutu het grootste Franstalige land ter wereld. Authenticité had ook een invloed gehad op het Frans: alle Belgicismen waren er uit gegooid, en in de plaats van ‘septante’ gebruikte Zaire de Frans-Franse term ‘soixante-dix’.4

Mobutu

Dit regime was door en door rot en pervers, maar terzelfder tijd was het een eiland van stabiliteit in Centraal-Afrika (een geliefkoosd argument voor vele pro-Mobutu figuren elders in de wereld). Mobutu overleefde vrijwel al zijn collega’s-generatiegenoten in Afrika, en zijn land leek immuun te blijven voor de crises en dramatische omwentelingen die de buurlanden teisterden. Mobutu zat rotsvast in het zadel; de stabiliteit van zijn regime berustte op een verregaande verarming en chaotisering van het land gekoppeld aan een diepgaande terrorisering en militarisering van het machtscentrum. Het regime en zijn retoriek waren pure farce en bedrog; maar ze waren buitengewoon efficiënt en goed uitgewerkt. Het gemak waarmee Mobutu zijn politieke semiotiek verkocht kreeg aan onze leidende klassen en publieke opinie, en de weigering van onze kant om hierop systematisch kritisch toe te zien, behoren tot de grote mysteries en de onbesproken schandalen van onze postkoloniale buitenlandse politiek.

De Rebellie en de revival van Lumumba en de Che

De achtergrond is nu geschetst. In 1996 breekt in het permanent gedestabiliseerde Zaire een nieuwe rebellie uit. In het oosten, nabij de grens met Rwanda, raken ‘oude’ Rwandese migranten van Tutsi-signatuur slaags met lokale pockets van gevluchte Hutu-milities. De eersten noemen zich — of worden genoemd — de Banyamulenge, de mensen van Mulenge. De Banyamulenge krijgen steun vanwege de Rwandese troepen, en op enkele weken tijd ontstaat een heuse rebellie in Oost-Zaire.

Rebellie is een belangrijk element in de postkoloniale geschiedenis van Congo-Zaire. Congo is sinds de onafhankelijkheid het toneel geweest van grote en belangrijke rebellieën: Mulele, de Simba’s, de Katangese Gendarmes, en tal van kleinere en minder bekende opstandjes.5 Telkens ging het om opstanden die een grote resonantie hadden in de rest van Afrika, en die internationale dimensies aannamen. Rebellie in Congo is steeds een groot geopolitiek event. Zo ook met de Banyamulenge. In de Vlaamse media werd lang het Banyamulenge-Hutu etnische en plaatselijke schema voor de opstand gebruikt als blauwdruk voor de berichtgeving; in de Engelstalige media dook echter vrij snel een ander patroon op. Beetje bij beetje kreeg men een beeld van een uit de kluiten gewassen, veel ambitieuzer opstand, die niet als doel had de lokale Hutu-milities te verpletteren, maar die het onmogelijke vooropstelde: à Kinshasa, à bas Mobutu.

Een beetje lacherig keek men naar degene die dat beweerde: Laurent Kabila, een dikke oudere Congolees met een socialistisch Kaunda-pak en een cowboyhoed. Kabila was uit het niets opgedoken, hij sprak Congolees Frans en vloeiend Engels met een Tanzaniaans accent, en hij gebruikte standaard Oostkust-Swahili als Afrikaanse voertaal. Hij werd binnen de kortste keren een indrukwekkende mediafiguur. De dikke met de cowboyhoed produceerde stevige en overtuigende politieke taal. Hij stond minzaam de buitenlandse journalisten te woord in het Frans of het Engels. Met lichtjes opgetrokken wenkbrauwen, afgemeten en met een buitengewone beslistheid meldde hij dat het regime van Mobutu op z’n laatste benen liep, dat de duizenden kilometers die de rebellie scheidden van Kinshasa geen obstakel waren, dat het volk aan de macht zou komen, dat de oude politieke klasse (incluis de collaborateurs van het UDPS) er een kruis konden over maken, en dat er geen enkele manier was waarop dit alles kon fout lopen. Hij bood beknopte en zeer radicale analyses van het Mobutu-bewind, en sprak opwindend-linkse taal. In de beginmaanden van de opstand was Kabila een politiek-communicatieve sensatie.

016012011145606000000laurendésiremort

Kabila werd bijgestaan door een militaire organisatie die er al even vlekkeloos-revolutionair uitzag. Kalashnikovs (dat onmiskenbare embleem van links en arm), simpele fatigues, geen protserige officiers-uniformen, geen gedoe. We don’t just look efficient. Eén van de top-officieren, ‘Le Commandant Jean-Pierre’, werd geïnterviewd. In de plaats van ‘oui’ en ‘non’ gebruikte hij ‘affirmatif’ en ‘négatif’ — een no-nonsense soldaat die zei waar het op sloeg. En die militairen bleken inderdaad efficiënt. Het agglomeraat van Congolese emigranten in de buurlanden, van lokale recruten, van Rwandese en Ugandese stoottroepen en allicht ook wel van Amerikaanse en Israëlische adviseurs verrichtte een militair exploot dat in Afrika zijn weerga niet heeft (en waarbij zelfs de heroïsche koloniale oorlogen tegen de ‘slavenhalers’ verbleken). In luttele maanden rolde het doorheen het ganse land, nam het stad na stad schijnbaar zonder slag of stoot, en veroverde op 17 mei 1997 de hoofdstad Kinshasa.6

Was Kabila aanvankelijk een grote onbekende, dan ontwikkelde zich spoedig een hele biografie rond zijn persoon. Eén etiket stak daar boven uit: LINKS. Kabila kwam uit het maquis van de jaren zestig, waar hij aan de zijde had gevochten van Soumaliot, Gbenye, Mulele en andere helden uit de post-Lumumba rebellies. Na de ultieme nederlaag in 1965 was hij een maquis blijven vormen in de Kivu, met als basis (en woonplaats voor Kabila) het van revolutionaire activiteit gonzende Dar es Salaam in Tanzania. Kabila had een uitgesproken links-revolutionaire pedigree, en zijn retoriek bij het begin van de rebellie was onmiskenbaar die van de Lumumbistische en linkse bewegingen van de jaren zestig.

Wat een potentieel, wat een perspectief op verandering! Na drie decennia verloedering bracht Kabila ons terug naar de onafhankelijkheidsstrijd. In hem reïncarneerden zich de legendarische strijders voor Afrika: Fanon, Okello, Nkrumah, Biko, Nyerere, Babu. Hier was iemand die de Lumumbistische agenda kwam uitvoeren: ware onafhankelijkheid en ontwikkeling on their terms binnen een ideologie van gelijkheid, eenheid en vooruitgang. Hij had er de geloofsbrieven voor, want hij kwam uit het oorspronkelijke Lumumbistische kamp.

Het werd nog beter. De New Left review van november-december 1996 bracht een artikel van Richard Gott, getiteld ‘Che Guevara and the Congo’.7 In dit artikel werd melding gemaakt van het mysterieuze Afrikaanse dagboek van de Che, en daarin bleek Kabila nogal prominent te figureren. Kabila en de Che hadden samen gestreden in het maquis van Oost-Congo. En ook al deelde Kabila in de algemeen lage indruk die El Comandante had van de Congolese revolutionairen, toch kon dit tellen. De leider van de nieuwe Congolese rebellie was niet enkel een Lumumbist van het eerste uur, hij was bovendien een wapenbroeder van Mister Revolution, van de grote Che.

Che in Congo

De opmars van Kabila had dan ook een merkwaardig effect. Ter linkerzijde werd hij sterk geassocieerd met Lumumba en de Che, en beide figuren werden als het ware uit de geschiedenis van de dode helden gelicht en terug tot leven gewekt. De connecties met de Che werden pas vrij laat in Vlaanderen aangekaart, maar vanaf dat ogenblik waren ze het voorwerp van intense palavers in de pers en de cafés.8 Dit was immers pure politieke romantiek. De band met Lumumba was het object van ernstiger beschouwingen, en gaf aan Kabila een grote respectabiliteit. Kabila werd nu gezien als degene die de taak van Lumumba en Guevara tot een goed einde zou brengen: corruptie, verdrukking, neokolonialisme en wild kapitalisme uit het hart van Afrika bannen, ware bevrijding realiseren voor de Congolezen, er een progressieve en ideologisch goed ontwikkelde moderne eenheidsstaat rond bouwen, en dit alles via een waarachtige volksopstand die van geen compromissen weten moet. Het flamboyante en artistieke werk van de Che gekoppeld aan het serene en visionaire werk van Patrice Lumumba: Kabila stond voor een nieuwe dekolonisatie, voor een terug-naar-1960 waarin de kaarten van de geschiedenis anders zouden liggen. Het hele spel dat in 1960 zo dramatisch fout was gegaan zou in 1997 kunnen overgespeeld worden, maar ditmaal met een perspectief van een uitkomst die elke ‘tiersmondist’ ter wereld in vervoering kon brengen.

De Internetsurfer en de Tamtamklopper

Dit leek 1960 wel, de dekolonisatie van Congo leek gewoon opnieuw van start te gaan. Maar dit was vanzelfsprekend 1997. Het rebellenleger van Kabila was niet dat van Mulele of van de Che; de politieke techniek van Kabila was niet die van Lumumba. Kabila’s opstand was hypermodern en geglobaliseerd.

In tegenstelling tot de ambachtelijkheid waarmee Lumumba, Mulele, Soumaliot en tijdgenoten hun politieke beweging structureerden — de sfeer van de massameetings, de notaboekjes, de getypte communiqués, de bakelieten telefoons — ging de opstand van Kabila gepaard met een elektronisch informatie- en mobilisatie-offensief via het internet. Men kon de opmars van Kabila’s Alliantie dag in dag uit op de voet volgen op een aantal verzorgde internet-sites; de Zairese intelligentsia in de diaspora, en vooral in de Verenigde Staten, werd gemobiliseerd en aangespoord tot betrokkenheid en participatie via e-maillijsten en electronische discussiefora. Informatie circuleerde fantastisch snel. Communiqués die in Goma of Kisangani om drie uur werden vrijgegeven door de commandanten van de Alliantie werden een uur of twee later in Brussel en Parijs doorgegeven. De fax had zijn werk gedaan.

In velerlei opzicht was de rebellie beter georganiseerd en uitgerust dan de modale Afrikaanse staat. Daar waar snelle informatiecirculatie één van de vele problemen is die Afrikaanse regeringen moeilijk opgelost blijken te krijgen, was de rebellie van Kabila in staat bliksemsnel en doeltreffend een massa informatie en eigen beeldvorming de wereld rond te sturen. Kabila is trouwens niet de enige opstandeling die de waarde van internet en ander hedendaags informatietuig heeft ingezien. Men vindt op het wereldwijde web talloze verzorgde internetsites van verzets- of afscheidingsbewegingen uit Afrika. Maar in de context van de Congolese rebellie zorgde het voor een zeer merkwaardig fenomeen. Daar waar informatie over Centraal-Afrika doorgaans zeer schaars en fragmentair was en we in de regel enkel via archaïsche vormen van berichtgeving aan gegevens raakten — de correspondent ter plaatse, met zijn eigen kleine horizon en handvol informanten genre y a-t-il quelqu’un qui parle français ici? — kregen we nu up-to-date informatie van een Afrikaanse direct betrokken bron via dat supermedium van onze tijd, die epigoon van hyper- en postmoderniteit en globalisatie, het ‘web’.

lumumba-et-kabila

Kabila had ons enerzijds terug in de tijd gevoerd, naar de romantische jaren van de onafhankelijkheidsstrijd. Anderzijds had hij ons voor wat betreft berichtgeving en informatieverspreiding een time warp in de andere richting bezorgd. Hij had een kloof van decennia aan schaarse, oubollige, gebrekkige berichtgeving in één ruk dichtgereden, en hij had zijn opmars naar Kinshasa meteen op de tijdsschaal van de informatiemaatschappij geplaatst. Zo kregen wij, de mature burgers van de late twintigste eeuw, een perfecte politieke maaltijd voorgeschoteld, gekookt uit jeugdherinneringen maar geserveerd met het informatie-consumptiegemak van deze tijd. Che Guevara dans son jus de Windows.

De Alliantie maakte gebruik van de meest moderne informatietechnieken voor de politieke mobilisatie van de eigen intelligentsia in het buitenland en van de ruimere publieke wereldwijd. Men heeft de neiging om, zoals de televisie in haar beginjaren, het internet een vrij grote betrouwbaarheid als informatiedrager toe te dichten. De snelheid en het chaotisch-vrije karakter van het internet (waardoor elke leugen wel door een andere bron zal rechtgezet worden) geven velen de indruk dat internet iets helemaal anders is dan bijvoorbeeld door de staat of grote commerciële concerns gecontroleerde televisiestations of kranten. Op het internet vindt men de waarheid — of men vindt er vele, en kan dan zelf wel de ene tegenover de andere afwegen. Dit waarheidsgetrouwe imago van het internet heeft ongetwijfeld een rol gespeeld bij de mobilisatie van de Congolese diaspora. Men kon makkelijker dan vroeger ‘waarheden’ en ‘feiten’ opvangen, en loze geruchten hadden niet de kans om lang te woekeren. Men kon snel en efficiënt de opinie zoeken van vrienden, kennissen of prominenten. In de elektronische ruimte ontstond dan ook vrij snel een consensus over het feit dat Kabila’s opstand de juiste zaak diende; dat het hier wel degelijk om iets nieuws ging, en dat men dit best au sérieux nam; en men kreeg snel het gevoel dat vele landgenoten over de hele wereld die mening waren toegedaan. De rebellie werd zo iets delokaals; het was niet je zoveelste lokale conflictje in zwart-Afrika. Het was een mondiale gebeurtenis met alle kenmerken van geglobaliseerde events: ze was allicht beter bekend en toegankelijker voor mensen tienduizend kilometer daar vandaan, zittend achter hun computerscherm, dan voor Congolese dorpelingen op tien kilometer van het front.

Nu staat dit alles wel in schril contrast met enkele andere kenmerken van de beeldvorming omtrent Kabila en zijn rebellie. Een eerste opvallende zaak is wel dat de rebellie grotendeels onzichtbaar was. We kregen slechts een zeer schaars aanbod van beelden uit de oorlogszone, geen beelden van inslaande raketten of rechtstreekse verslagen van gevechten. Tijdens de Rwandese genocide van 1994 stonden journalisten rechtsreeks de moordpartijen te filmen.9 De opmars van de Alliantie was daarentegen een zaak die zich op een landkaart afspeelde. Vanaf de opstand van de Banyamulenge tot en met de tegen-rebellie van 1998 in het Oosten van Congo werden we geconfronteerd met een bijzonder groot informatie-deficit. Elementen die gedurende enkele dagen in de berichtgeving opdoken verdwenen even plots als ze waren gekomen: de Hutu-milities, vermeende slachtpartijen en massale arrestaties in de bevrijde gebieden, de aanwezigheid van Kroatische huurlingen bij de pro-Mobutu strijdkrachten, de acties in het Noorden en het Noord-Westen van het land: allemaal grijze zones waarover we nauwelijks informatie uit de media kregen. Het internet-offensief ging niet gepaard met een grootschalig en gevarieerd informatie-aanbod via andere kanalen. Zeker de Vlaamse media gaven ons geen overdosis aan informatie.

Ten tweede: de berichtgeving behandelde Kabila en zijn opstand op basis van zeer traditionele patronen van berichtgeving over Afrikaanse politieke gebeurtenissen. Het basisschema dat werd geactiveerd voor de berichtgeving inzake de rebellie was dat van de opstanden uit de jaren zestig. Ook hier leek een teletijdmachine aan het werk te zijn. We werden geconfronteerd met een beeld waarin aan de ene kant een ‘legitiem’ bewind stond (zij het wat minimaal ingevuld als ‘een bewind dat internationaal erkend is’), met als inzet een gecentraliseerde staat waarover dit bewind centraal gezag wil uitoefenen, met als finaliteit de ‘soevereiniteit’ en de ‘territoriale integriteit’ van deze staat, en met als hulpmiddelen de instrumenten van de moderne gecentraliseerde staat: de wet, de regering, de diplomatie, het leger en het volk. Aan de andere kant stond een gewapende rebellie waaraan wat koordjes naar de buurlanden hingen, met aan het hoofd een nieuwe ‘chef’ en daar rond wat ‘krijgsheren’ (Jean-Pierre ‘négatif’). De inzet van het conflict was confuus en wellicht doordrenkt met tribalisme: sommigen zagen in Kabila een Luba-heerser die het zwaartepunt van Congo naar de Kasai en Katanga wou verleggen. Voorts werd de klemtoon gelegd op een ander oud model voor berichtgeving over Congo: dat van de grote industriële belangen, van de mijnbaronnen en de diamantairs.10

Men slaagde er niet in een beeld te schetsen van de gebeurtenissen dat rekening hield met enkele unieke karakteristieken van het voorval. Het betrof hier niet een zoveelste opstand tegen Mobutu, uitgaande van een kleinschalig links front, maar een goed uitgebouwde, internationaal gesteunde post-Koude-Oorlog opstand in de nadagen van het Mobutu-imperium, en niet los te zien van de enorme crisis in het Grote-Meren gebied. Hier zat meer in dan ten tijde van de Simba’s. Dat Kabila stevig georganiseerd was en serious as cancer moet vele waarnemers zijn opgevallen. Alleen sijpelde dat niet door in de berichtgeving: de opstand werd intertextueel gemaakt met allerlei dingen waar het hoegenaamd niet mee te vergelijken was. In de plaats van de moderne internetsurfer kregen we het vertrouwde beeld van de Afrikaanse tamtamklopper.

Media lijken de wereld te domineren. Maar wanneer men dit grondiger bekijkt lijkt het er vaker op dat de wereld de media domineert. De opstand van Kabila werd in een oud en bekend patroon van berichtgeving over Afrikaanse politiek en Afrikaanse conflicten gegoten. Dingen die er niet mee in overeenstemming waren werden hetzij weggelaten — het moderne en georganiseerde karakter van de rebellie bijvoorbeeld — of werden hetzij bronnen van speculatie en wantrouwen — de slaagkansen die Kabila ontleende aan zijn organisatie en internationale steun bijvoorbeeld. De internationale media leken doelloos en onbegrijpend op zoek naar het juiste verhaal: er was een verplichting om tot berichtgeving te komen, maar de mentale en intellectuele middelen om dit goed te doen waren niet voorhanden. Deze gebrekkige aanpak van de internationale media contrasteerde met de flitsende informatiecampagnes die intussen door de opstandelingen zelf op het web werden gevoerd, en die zeer efficiënt bleken in de mobilisatie van de internationale Congolese gemeenschap.

Het is een beetje gek in onze huidige samenleving: om het gevoel te krijgen geïnformeerd te zijn kon men niet tevreden zijn met de reguliere, onafhankelijke mediaberichtgeving, maar moest men te rade gaan bij de betrokken partij. En deze laatste gaf ons steeds het gevoel dat we open en genuanceerd ingelicht werden, veel wisten, en juist wisten. Wie zichzelf in zo’n positie van informatieve superioriteit tegenover de reguliere media weet te manoeuvreren is een hypermodern strateeg. Of misschien is hij gewoon slim, snapt hij de discrepantie tussen wat hij écht doet en wat anderen als gewenst beeld daarvan hebben, en buit hij die discrepantie uit.

De morele revolutie

Kabila kwam aan de macht op 17 mei 1997. Die dag hield hij zijn intocht in Kinshasa, riep hij de nieuwe republiek uit, en herdoopte die — pace Lumumba en de Che — in Congo. Het oude Congo was terug in ere hersteld, het Congo van de eerste elf dagen na de onafhankelijkheid. Een nieuwe tijdrekening was begonnen, we waren terug in juli 1960. De architect van alles wat daartussen lag, Mobutu, vluchtte samen met zijn getrouwen het land uit. De oude, zieke en vernederde Luipaard stierf kort daarop in ballingschap, zoals dat zo mooi heet. Op vele plaatsen in de wereld was dit alles aanleiding tot feesten. Na Baby Doc en Marcus was de wereld een derde smerige dictator kwijt. Good riddance, en geen moment te vroeg.

Kabila startte meteen met het markeren van verschillen. Hij omringde zich met personeel dat er heel anders uitzag dan de entourage van Mobutu. Geen gouden uurwerken, donkere zonnebrillen, hopen lintjes op het uniform, zijden hemden en peperdure maatpakken meer; de Kabila-mensen zagen er eenvoudig uit, liepen in battle-dress of in simpel hemd en broek. Ook Kabila zelf leek een toonbeeld van matigheid en eenvoud: buiten de wat exuberante cowboyhoed droeg ook hij eenvoudige pakken of jasjes. De tijd van feesten en geld uitgeven was gedaan voor de Congolese elite. Hier werd een ethiek geprezen van nationale heropbouw, van bloed, zweet en tranen. Het oude Retroussons Les Manches van Mobutu was een verrijkingsoperatie gebleken voor de leider en zijn hovelingen; onder Kabila leek het menens.

Dat het uit was met feesten werd nog op andere manieren duidelijk. De sobere, eenvoudige vechtjassen van Kabila’s leger leken het niet erg te hebben voor de frivole klederdracht die de mooie meisjes van Kinshasa soms plegen aan te trekken. Bedek de boezem en de knieën, dit is geen bordeel, was de boodschap. En ernstig was de basistoon: ook in de diaspora brak een tijd aan van plannen maken, van ernstige discussies, van grote projecten. Kabila had immers meegegeven dat de oude politiek met alles erop en eraan had afgedaan. De hele politieke cosmos die rond de planeet Mobutu draaide, van de MPR tot en met de oppositiepartijen en de Nationale Conferentie, moest worden afgebouwd en vernieuwd. Het hele volk moest politiek worden heropgevoed, en de Congolese beroepspolitici waren werkloos. Partijen werden niet verboden; maar naar analogie met wat één van Kabila’s sponsors, Museveni, in Uganda had gedaan, werden ze op ‘non-actief’ gezet. Kabila zelf nam het roer in handen, werd president, en stelde verkiezingen in het vooruitzicht op een moment dat de nationale wederopbouw en het politieke bewustzijn van de bevolking dit toelieten. Internationale steun hangt vast aan woorden en signalen, en dit soort nuances was belangrijk.

Van bij de aanvang van de rebellie had Kabila gewag gemaakt van een sociaal-economische omwenteling. Hij had gezegd dat het Congolese economische potentieel ten bate moest staan van de Congolese bevolking. Maar dit zou hij niet doen via grootschalige nationalisaties — dat soort links doet het niet meer. Neen, privé-ondernemingen bleven meer dan ooit welkom in Congo, zij het dat er nu bepaalde spelregels zouden zijn. De overheid zou een ‘stabiel investeringsklimaat’ verzekeren, d.w.z. een anti-inflatiepolitiek voeren, een goede en doorzichtige administratieve structuur opzetten, en de veiligheid van de bedrijven verzekeren. In ruil moesten de bedrijven zich dan houden aan hun belastingsplicht (alles moest vanaf heden ‘in het wit’ gebeuren) en ze moesten iets doen aan de arbeidsvoorwaarden van het personeel. Mensen moesten een salaris krijgen, een contract en andere dingen die men associeert met de bescherming van de werknemer. Het leek te werken: al tijdens de opmars dienden zich bedrijven en lobbyisten aan voor onderhandelingen met het nieuwe bewind. En lang voor dat Kabila Kinshasa binnentrok waren er al grote contracten getekend, en lag het economische project in het Oosten en het Zuiden van de Congo reeds vast.

Kabila

We stonden hier voor een modern soort socialist. De Che leek zich na een laptop nu ook een abonnement op de Financial Times te hebben aangeschaft. Gedaan met de cleptocratie, gedaan met de economische jungle van Centraal-Afrika. Maar ook: geen rode ster bovenop de glasfabriek. De hedendaagse revolutionair sticht een samenleving waarin de moderne Samaritaan, de ondernemer, samen met de guerillero aan de gelijkheid van de mensen werkt. Er waren precedenten genoeg. De eens ultra-linkse Museveni had in Uganda het zelfde recept uitgeprobeerd, en Uganda was er wel bij gevaren: het was in enkele jaren tijd van een zeer marginaal land opgeklommen tot het lievelingsland voor heel wat buitenlandse donoren, de Belgische staat op kop, en de economische groeicijfers waren indrukwekkend. In Zuid-Afrika was deze mix van socialisme en vrij ondernemerschap de sleutel waarmee de ‘communistische terrorist’ van weleer, Nelson Mandela, aan de macht kon komen. Je laat de industrie floreren, maar je propt de opbrengsten ervan niet in maar enkele zakken, je verdeelt ze over een grotere groep. De moderne vrijheidsstrijders van Afrika hebben begrepen dat men nog steeds moet oppassen met het etiket van communist; ze hebben ook begrepen dat men in de geïndustrialiseerde wereld het socialisme van Blair en Schröder al meer dan revolutionair genoeg vindt.

In het algemeen bracht de aantrede van Kabila iets in Congo, wat er in het lokale en buitenlandse populaire bewustzijn gedurende decennia volslagen afwezig uit was: ethiek, regels. Als er één kwalificatie was die men niet op het Zaire van Mobutu kon toepassen, dan was het die van ‘moreel’. Mobutu had een samenleving gebouwd die geen enkele ethische richting had; het was de far-west, een bikkelharde, meedogenloze wereld waarin de sterkste en de machtigste de prijzen wegkaapte. Alles mocht zolang de chef akkoord was (of het niet wist). Zaire was een toonbeeld van hoe cynisch de wereld wel kon zijn. Kabila bracht er meteen verandering in: regels hier, fatsoen daar, erecode ginder. De revolutie die hij bracht bestond uit het afstoffen van de regels en geplogenheden die in een samenleving moeten gelden, en die gaan van respect voor de universeel toegepaste wet, over het zich houden aan de tijd — negen uur is negen uur — tot en met correcte kledij.

Ook in zijn internationale verhoudingen markeerde Kabila de verandering. De Belgen hadden hem niet echt toegejuicht maar hadden hem ook niet bestreden; hij deed het zelfde met hen: geen geprivilegieerde relaties, wel van harte welkom zoals iedereen. Tegenover de Verenigde Staten, die zijn opmars fors hadden gesteund, liet hij vlug merken dat hij niet een zoveelste vazal zou worden in centraal-Afrika. Dit gold voor zowat al zijn bondgenoten van tijdens de opstand: in de eerste maanden na zijn overwinning slaagde Kabila erin met ongeveer elk van hen hommeles te krijgen, telkens vanuit het principe: ‘ik ben geen vragende partij’. Kabila maakte duidelijk dat er aan hem geen koordjes hingen waarmee men hem zou kunnen doen bewegen. De nieuwe Congo was niemands dienaar, niemands slaaf.

In vergelijking met Mobutu was dit een hele verademing, en velen waren echt hoopvol. Een links bolwerk in Centraal-Afrika, dat er eventueel zou in slagen ook een sterke economie en een degelijk sociaal weefsel uit te bouwen, met een echt ontwikkelingsmodel dat grote massa’s van de bevolking ten goede zou komen: dit zou de hele kaart van Afrika hertekenen. Kabila had nieuwe regels en vooruitzichten geïntroduceerd in de voormalige Belgische kolonie, en hij had daardoor zijn land eindelijk terug onafhankelijk gemaakt. En daar waar Congo in de postkoloniale geschiedenis nooit zijn potentieel als economische en politieke grootmacht in Afrika had waar gemaakt — daar had Mobutu voor gezorgd — leek dit nu een realistisch perspectief. Kabila’s revolutie was een goeie revolutie.

Unité nationale of Nous les Bantous?

Maar niet iedereen leek het daarmee eens. De nogal uitgesproken onafhankelijke koers die Kabila voer stoorde de bondgenoten. Er waren beloften gemaakt, en die werden door Kabila niet nagekomen. De Rwandezen maakten zich druk over het feit dat Kabila geen komaf maakte met de Hutu-milities; Museveni wond zich op over het feit dat Kabila geen grote kuis hield in het grensgebied met Uganda, waar anti-Museveni rebellen hun acties ongestoord konden voorbereiden. De Amerikanen waren boos, de Fransen waren boos, de Zuid-Afrikanen waren misnoegd, de Angolezen ook. Het Westen vroeg voortdurend opheldering over slachtingen die zich tijdens de opmars naar Kinshasa zouden hebben voorgedaan; Kabila reageerde korzelig en deed moeilijk, en trapte zo op die hedendaagse zere teen van de internationale relaties, de mensenrechten. Daar waar Kabila tijdens zijn mars naar Kinshasa een ongekende internationale coalitie achter zich had weten verzamelen, was hij erin geslaagd deze buitengewone alliantie binnen de kortste keren naar de bliksem te helpen.

Ook binnenshuis kwam de ontnuchtering vrij snel. Toen Kabila aantrad mag men rustig zeggen dat dit door een groot enthousiasme van de meerderheid van de bevolking werd gedragen. De Alliantie had wel degelijk een mandaat vanwege de Congolezen. Maar ook al was Kabila’s hofhouding verschillend van die van Mobutu, toch was het een hofhouding met alle kenmerken van dien. De radicale jongeren die de linkse kaart trokken, de Rwandese en Ugandese militairen die Kabila nu adviseerden, de nieuwe hovelingen uit de sociaal-economische milieus, enkele buitenlandse adviseurs, en enkele leden van de ‘oude’ politieke klasse die door Kabila waren opgevist: al deze fracties hadden verschillende politieke agendas. En toen bleek dat de oude maquisard, die zich zo een meester van de situatie had getoond tijdens de glorieuze opmars naar Kinshasa, die een ongekend wapenfeit had afgeleverd, die zoveel steun had weten te werven voor zijn beloftenvol bewind, die op zoveel krediet kon rekenen bij zijn aantreden — dat die man onvoldoende politicus was om deze situatie naar zijn hand te zetten. Kabila begon zich bezig te houden met aan de macht te blijven. Hij kwam zijn huis niet uit, kwam niet tot ernstig beleid, en deed precies wat Mobutu destijds met zoveel zwier en brio tot politieke kunst had verheven: interne reorganisaties van de regering, aanhoudingen, figuren ontslaan en opnieuw benoemen, het opvissen van onbekenden of vroegere tegenstanders om ze in een machtspositie aan zich te binden. Enkele belangrijke figuren uit de eerste dagen van de alliantie verdwenen plots uit de regering, vooral de figuren die de band met Rwanda in stand hielden kregen het zwaar te verduren. Kabila’s politiek-ideologische school lag mijlen verwijderd van die van Mobutu; zijn politiek-praktische school was Mobutu.

De pacificatie was geen feit geworden met de verovering van het grondgebied. In het Oosten begon een evolutie die men enkel als door en door ironisch kan karakteriseren. In het gebied waar Kabila zijn rebellie was begonnen, onder de bevolking die zijn eerste machtsbasis was, ontstond een nieuwe rebellie, een anti-Kabila rebellie. We zagen precies dezelfde beelden, precies dezelfde opmars, en we hoorden precies dezelfde taal en slogans als een jaar tevoren: deze rebellie verzette zich tegen de autocratie van de leiders in Kinshasa, die ‘het volk niet vertegenwoordigden’, incompetent en verspilzuchtig waren. En weer was het een alliantie van buitenlandse militairen — Rwandezen en Ugandezen — met lokale opstandelingen van allerlei slag, en weer haalde men uit Dar es Salaam een oude held uit de nationalististiche en linkse Congolese politieke strijd: professor Wamba-dia-Wamba, een oude vriend van Kabila, die door Kabila herhaaldelijk gevraagd was om mee aan het nieuwe beleid te werken. Dit was alweer een linkse rebellie met een poot in het respectabele verleden van de anti-Mobutu dissidentie.

Eén grote mimesis: Wamba werd Kabila en Kabila werd Mobutu. De reactie van Kabila was precies die van Mobutu: hij beklemtoonde het feit dat zijn land het slachtoffer werd van buitenlandse invasies, en zwoer dat hij de soevereiniteit en de territoriale integriteit van de Congo zou handhaven ten alle prijze. Het argument was even fictief als ten tijde van Mobutu: geen van beide kon beweren dat het nationale grondgebied ook maar in de geringste mate onder controle van het centrale gezag viel; Zaire en Congo waren allebei administratieve omschrijvingen die enkel samenhingen op een landkaart. De integriteit van het grondgebied was een hersenschim. Maar net als in het verleden was het een nuttig argument voor Kabila: plots dienden zich bondgenoten aan wiens medewerking op grond van internationale rechtsbeginselen gemotiveerd kon worden. De Angolezen waren helemaal niet gediend met de opstand in de Beneden-Congo (een afsplitsing van de Oostelijke rebellie), en de oude Hyena Mugabe uit Zimbabwe — geen toonbeeld van progressieve democratie thuis — vond dat ook zijn land die grove schending van het internationaal recht in hartje Afrika niet kon dulden. Zimbabwe had zich nooit bemoeid met de door Zuid-Afrika georganiseerde destabiliserende burgeroorlogen in het buurland Mozambique of in het verder gelegen Angola; maar een Rwandese inval in de Congo bleek onduldbaar voor Robert Mugabe.

Een tweede reactie van Kabila had een zo mogelijk nog hoger Mobutu-gehalte. Hij ‘tribaliseerde’ of etniseerde het conflict, of erger nog, hij ‘racialiseerde’ het. Hij definieerde de opstand als een Rwandese inval en gaf hem de vorm van een invasie van Niloten in Bantu-land. De Rwandezen waren plots allemaal Tutsi, en de Tutsi waren volgens Kabila en de zijnen plots niet-Bantu (ondanks het feit dat Tutsi een Bantu-moedertaal spreken); alle Congolezen werden plots Bantu.(ondanks het feit dat er in grote delen van het land geen Bantu-talen gesproken worden, bijvoorbeeld in de streek van Mobutu). Hiermee haalde men een oude en sinds lang gediscrediteerde raciale theorie uit de Afrikanistiek van onder het stof, die stelde dat de Grote-Meren slenk in Oostelijk Afrika bewoond was door een ‘ras’ dat vanuit het Noorden in Bantu-gebieden was geïmmigreerd en zich als veroveraars en feodale heersers had genesteld temidden van de Bantu. Dat het een ‘ras’ betrof zag men aan het uiterlijk: stereotype Tutsi zijn groot, slank, hebben een lang hoofd, een fijne neus, dunne lippen. (De meerderheid van de Tutsi voldoet niet aan deze morfologische criteria — maar een rassentheorie werkt met types, niet met tokens). Dit agressieve heersersras wou nu de Bantu uit de Congo onderwerpen.

De Bantu-Niloten rassentheorie was reeds eerder gebruikt: in Rwanda en Burundi. Ze was een cruciaal onderdeel van de genocidaire ideologie die er tot zoveel herhaalde slachtingen had geleid. Hutu en Tutsi hadden elkaar leren zien als niet enkel sociaal en cultureel verschillend (ze deelden à propos dezelfde taal), maar ook raciaal — fundamenteler kan een verschil niet zijn. Ras, geschiedenis, sociale stratificatie: een gruwelijke ideologische cocktail die zijn doeltreffendheid al afdoende bewezen had, en die van zodra hij door de autoriteiten van Kinshasa werd geserveerd ook meteen het gewenste effect had. Er waren pogroms tegen Rwandezen (Hutu of Tutsi deed niet ter zake), waarbij men gebruik maakte van de welbekende ‘body maps’ die in Rwanda en Burundi tijdens genocides gehanteerd werden. Mensen werden fysiek gemonsterd: staan de ogen recht, hoe ziet de neus eruit, de tenen, de palmen van de handen? Wie aan de Niloten-checklist voldeed had prijs.11

In zijn extreme vulgariteit en perversiteit deed dit raciale argument denken aan de laagste truuks die Mobutu had uitgehaald. Voor iemand die een jaar tevoren nog hoge noten zong in verband met de irrelevantie van etniciteit en de constructie van een egalitaire en ééngemaakte Congo was dit een terugval naar het laagste soort verdeel-en-heers politiek. Dit was bovendien rechtse politiek, neen, ultra-rechtse politiek waarin macht en staatsgeweld gekoppeld worden aan rassentheorie. Terzelfder tijd heeft dit beroep op een rassentheorie wel een natievormend effect. Plots hadden de Congolezen een gemeenschappelijke identiteit: ‘nous les Bantous’. En daar waar eertijds vooral kristallisaties van regionalisme en etniciteit (zoals in Shaba, in het Noord-Oosten of in de Beneden-Congo) centrifugale krachten tegen de nationale eenheid vormden, werd er nu een nationaal bindmiddel gevonden in dit fenomenale ideologische oorlogstuig: ras. Kabila heeft zijn volk weten te unifiëren in de strijd tegen de Niloten; de prijs die daarvoor zal moeten betaald worden, valt te vrezen, zal schrikwekkend zijn.

Blijdschap om een Cowboyhoed

Dit hele verhaal is een verhaal van metamorfosen, van geleidelijke of dramatische gedaanteveranderingen en transformaties binnen een durée die probeert het beeld van de geschiedenis wat te vertragen en uit te rekken. Het stelt de concepten in vraag waarmee we de overgang van Mobutu naar Kabila lezen: wat is links, wat is rechts, wat is goed en wat is kwaad, wat is revolutie en was is reactie, wat is politiek, wat is oorlog, wat is conflict? Zoals zo vaak in Afrika liggen de antwoorden op deze vragen in een veld vol analytische en conceptuele wolfijzers en schietgeweren.

De huidige toestand van de Congo begint in de jaren zestig. Het is dan dat ambities inzake de betekenis van politiek in de postkoloniale staat, en inzake de betekenis van Afrika in de wereld worden geformuleerd. Het is dan dat mensen zoals Mobutu, Kabila, Museveni, Kagame, Mugabe, Mandela, hun modellen voor beleid, bestuur en vooruitgang ontwikkelen. En vanaf dat moment ontstaat een reusachtige stroom van politieke en ideologische intertextualiteit, waarin feiten en beslissingen verwoord en geïnterpreteerd worden op basis van de ontwikkelde modellen en van een symbolentaal die er gestalte aan geeft. Continuïteit in discours en in parafernalia zijn overal belangrijke ingrediënten van politieke actie doorheen de tijd. Verhalen die men over zichzelf doet en verhalen die men over anderen vertelt moeten die discours en parafernalia bevatten en bestendigen. Kabila heeft in zijn aanloop naar de macht en zijn periode aan de macht systematisch twee reeksen van symbolen en politieke semiotiseringen gehanteerd: één die verband hield met guerilla en revolutie, met Che Guevara en internationalisme, en één die het model van Mobutu als voorbeeld nam. Beide reeksen zijn, zoals blijkt uit dit verhaal, fundamenteel aan elkaar tegengesteld.

Een revolutie zoals die van Kabila in Congo is een zeldzame historische gebeurtenis. De omvang, de puike organisatie, de ultramoderne informatie-omkadering van de militaire actie maken ze nog uitzonderlijker. Ze halen de Kabila-revolutie tevens uit het tijdperk van de romantiek en pinnen ze vast in het hic et nunc, het laat-twintigste eeuwse universum van politiek handelen, gekenmerkt door technologisering, Realpolitik, en marketing-techniek. Het zou ons moeten duidelijk maken dat Kabila de Che niet kàn zijn, en dat hij evenmin Lumumba kàn zijn. Historisch moet hij iets anders zijn, en moeten we zijn revolutie anders lezen dan een restauratie van linkse en Afrikaans-nationalistische projecten uit de jaren zestig.

De evolutie die het beleid van Kabila aanneemt sedert de nieuwe rebellie in het Oosten (die ondertussen ook ter rechterzijde is vervoegd: rijke Mobutisten zoals Bemba hebben er nu ook een deel van uitgevoerd) hoeft met dit moderne karakter van de Kabila-revolutie niet in tegenstrijd te zijn. Het behoort tot de cultuur van dit tijdsgewricht beroep te doen op ‘barbarisme’ als politiek middel, zegt Eric Hobsbawm.12 Zeer geavanceerde politieke instrumenten bedienen zich van de meest brutale, ongesofistikeerde en achterlijke ideologische tropen en motieven zoals nationalisme of racisme. Dit hoeft niet allemaal volgens een vast plan te verlopen: racisme kan zich op een bepaald ogenblik aandienen als de beste olie voor de machtsmachine, als het best verkopende product in de winkel. Het effect dat dit alles echter heeft op hedendaagse staatsconcepten met al hun afgeleiden — burgerschap, rechten, legitimiteit — begrijpen we wellicht nog onvoldoende. We voelen wel aan dat dit een effect zal hebben en dat dit effect niet minnetjes zal zijn.13

Kabila was een modern staatsman in velerlei betekenissen van het woord. Zijn marketing mag er wezen; op korte tijd werd hij één van het handjevol staatshoofden wiens naam wijd en zijd gekend is. Bovendien kon men er vaak nog een gezicht op plakken ook — die cowboyhoed natuurlijk. En zijn beleid kwam neer op een repli sur soi même, een politiek die draait rond de figuur, rond de persoon van de leider, zijn uitzicht zijn woorden. Hitler! Zal U zeggen — neen, Clinton is het vergelijkingspunt. De manier waarop Kabila de macht rond zich liet draaien hangt samen met de manieren waarop hij als embleem gebruikt werd van zijn land, maar ook met de wijze waarop hij de verhalen over zichzelf en de representatie van zichzelf als politiek wezen hanteerde. Telkens men Kabila zagt dacht men aan de Che en aan Lumumba, en zag men het verschil met Mobutu. Net zoals Bill Clinton het stadje Hope uit zijn eigen biografie doet oplichten (en oplichterij is het inderdaad), knuffelde Kabila zijn revolutionaire autobiografie en zijn historische betekenis. Dit was een voorsprong die hij had op Mobutu — de voormalige sergeant-klerk van de Force Publique kon hoogstens pochen over zijn rol als informant van de buitenlandse veiligheidsdiensten. Bij Kabila markeerden ook de outfit en de cowboyhoed allerlei zaken. Hij zag er niet uit als een potentaat: geen luipaardenvellen, geen wandelstokken, geen blinkende uniformen, maar een eenvoudige outlook bekroond met een in het oog springende cowboyhoed — niet meteen iets wat men op het hoofd van Chirac zou verwachten, en iets wat Dehaene of Jeltsin enkel onder bepaalde omstandigheden van débauche zouden opzetten. Bij Kabila had dit een effect van verwondering, van fascinatie: het is een vreemde man die vreemde dingen doet en zegt. Die onvoorspelbaarheid naar buiten uit, die volslagen tegenstrijdigheden die we merkten in zijn evolutie en zijn doen en laten tijdens crisissen, die konden de basis van zijn macht uitmaken.

En waar staat de arme Congo nu? De blijdschap om de cowboyhoed is wellicht al wat bekoeld. Het land is samen met de andere voormalig Belgische gebieden in Afrika in het lijstje beland van de meest problematische landen van Afrika. Van alle kolonisatoren moet België wellicht het grootste postkoloniale fiasco erkennen. We hebben uitgeblonken — en alweer is dit een kwestie van durée, veel verder dan de laatste veertig jaar — in onkennis voor wat betreft Afrika, de Afrikaanse belangen, de Afrikaanse leiders. De neergang van Congo, Rwanda en Burundi kan natuurlijk allemaal het gevolg zijn van toeval en veel brute pech; maar het kan net zo goed zijn dat we daar vergissing op vergissing hebben gestapeld, onvoldoende denkwerk hebben geproduceerd, en bovenal heel erg hebben geloofd in onze eigen waarheid en interpretatiekaders. Naar de huidige toestand moet men dan ook niet gewoon staan kijken zoals een puit op een kluit. Men moet deze anticlimax aangrijpen voor een herziening van wie wij zijn in relatie tot Afrika.

Noten

  1. Er bestaat een ruime literatuur over de postkoloniale politieke geschiedenis van Congo/Zaïre, met daarin zeer grote kwaliteitsverschillen. Mijn eigen selectie zou zeker de volgende werken inhouden. De eerste tien jaar na de onafhankelijkheid worden goed (zij het niet onpartijdig) weergegeven in Walter Geerts, Binza 10: De eerste tien onafhankelijkheidsjaren van de democratische republiek Kongo (Gent: Story-Scientia 1970); lezenswaardig is eveneens de (streng ge-autocensureerde) autobiografie van Jef Van Bilsen, Kongo 1945-1965: Het einde van een kolonie (Leuven: Davidsfonds 1993). Over de tumultueuze Congo-crisis van de vroege jaren zestig vervangt het werk van Ludo De Witte alle vorige: Crisis in Congo: De rol van de Verenigde Naties, de regering-Eyskens en het Koningshuis in de omverwerping van Lumumba en de opkomst van Mobutu (Leuven: Van Halewyck 1996). De structuur van het Mobutu-regime wordt indringend beschreven in Colette Braeckman, De dinosaurus: Het Zaïre van Mobutu (Berchem: EPO/NCOS 1992). Een uitvoerige politieke lofzang op Mobutu, voor de liefhebbers, is Francis Monheim, Mobutu, le point de départ (Brussel: Didier Hatier 1985). Een algemeen standaardwerk over de postkoloniale geschiedenis van de Congo is Crawford Young & Thomas Turner, The rise and decline of the Zairean state (Madison: University of Wisconsin Press 1985). Goede overzichten van de dekolonisatie en de eerste onafhankelijkheidsjaren in heel Afrika zijn Ali Mazrui & Michael Tidy, Nationalism and new states in Africa (Nairobi: Heinemann 1984) en Immanuel Wallerstein, Africa the politics of independence (New York: Random House-Vintage Books 1961). Populariserend maar degelijk is Basil Davidson, Afrika en de vloek van de natie-staat (Amsterdam: NOVIB-Mets 1994).
  2. ‘Hij laat zijn tanden zien en iedereen denkt dat hij lacht’ is een uitdrukking voor ‘de chef’ uit de seintromtaal van de Batetela (Kasai).
  3. De chicotte is alleszins een belangrijk symbool geworden van de Belgische koloniale onderdrukking, getuige de talloze Congolese schilderijen waarop Afrikanen gegeseld worden door koloniale ordehandhavers. Zie de bespreking van een dergelijk schilderij in Johannes Fabian, Remembering the present: painting and popular history in Zaire (Berkeley: University of California Press 1996). Zie ook Marie-Benedicte Dembour, ‘Whipping as a symbol of Belgian colonialism’, Canadian Journal of African Studies 26: 205-225.
  4. Voor een goed overzicht van de culturele dimensies van Authenticité, zie Michael Meeuwis, ‘Flemish nationalism in the Belgian Congo versus Zairian anti-imperialism: continuity and discontinuity in language ideological debates’, in Jan Blommaert (red.) Language ideological debates, 381-423 (Berlijn: Mouton de Gruyter 1999).
  5. Men kan zich wenden tot de werken van Benoît Verhaegen voor details: Rébellions au Congo (vol. 1: Brussel, CRISP 1966; vol. 2: Brussel, CRISP 1969).
  6. Een fascinerend werk dat de roddels, geruchten en opwinding in Kinshasa beschrijft in de periode voor de intocht van Kabila is Charles Djungu-Simba, En attendant Kabila: Kinshasa, fin de règne (Berchem: EPO). Een degelijk overzicht van de opmars van de Alliantie en de ineenstorting van het Mobutu-regima is Erik Kennes, ‘Du Zaïre à la R.D. du Congo: La vieille termitière terassée par le vent de la savanne’. Afrika Focus 13 (1997): 31-77.
  7. Richard Gott, ‘Che Guevara and the Congo’. New Left Review 220 (November/December 1996): 3-35. Een vrijwel integrale versie van dit Congo-dagboek van de Che werd nadien voor publicatie klaargemaakt door de Cubaanse generaal William Galvez en verscheen als Le rêve africain du Che (Berchem: EPO 1998).
  8. Ik ga er graag van uit dat de eerste melding hiervan in Vlaanderen werd gemaakt door Jan Blommaert & Michael Meeuwis, ‘Laurent Kabila en de Banyamulenge, over onze kennis van Centraal-Afrika’. Samenleving en Politiek 4/2 (februari 1997): 20-27.
  9. Vandaar dat men berichtgeving kreeg die vrijwel volledig de vorm aannam van ooggetuigenverslagen, zoals die van Els De Temmerman in Vlaanderen.
  10. Voor een bespreking van dit soort beelden, zie Jan Blommaert, Michael Meeuwis & Chris Bulcaen, ‘Politiek en crisis in (onze kijk op) Congo en Rwanda: Over Ludo De Witte en de traditie van Vlaamse Afrika-boeken’. Vlaams Marxistisch Tijdschrift 31/1: 28-40.
  11. Liisa Malkki, Purity and exile (Chicago: University of Chicago Press 1995) beschrijft dit soort ’body maps’ en de genocidaire logica waarin ze ingebed zijn op basis van onderzoek bij Hutu-vluchtelingen in Tanzania. Zie ook Colette Braeckman, De wortels van het geweld: Burundi, Rwanda, Congo-Zaïre (Berchem: EPO).
  12. Eric Hobsbawm, ‘Barbarism: A user’s guide’. Hoofdstuk 20 van On history (London: Abacus).
  13. De Franse Afrikanisten wijdden een indringend debat aan deze en andere paradigmaverschuivingen in Afrika: J-F. Bayart, J-P. Chrétien, G. Prunier en F-X. Verschave, ‘L’Afrique et la fin de l’ère “postcoloniale” – Table ronde’. Esprit Juin 1998: 61-80. Dergelijke fundamentele bevragingen zijn bij ons blijkbaar nog niet aan de orde.

Gepubliceerd in Herman Asselberghs en Dieter Lesage (red) 1999: ‘Het museum van de natie: van kolonialisme tot globalisering’

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s