Geschiedenis, ethiek en schuld. Nota’s bij de Rwanda-processen (2001)

genocide-in-rwanda-skulls

Jan Blommaert 

1. Inleiding

In zijn befaamde de Rechter en de Historicus schrijft Carlo Ginzburg:

“Aan het begin van deze beschouwing hebben we er de nadruk op gelegd dat rechters en historici een bepaald werkterrein delen: dat van het natrekken van de feiten en dus van het bewijs. Langzaam maar zeker hebben we een reeks verschillen zien opdoemen, zoals het verschil tussen een juridische fout en een wetenschappelijke fout, dat op zijn beurt weer verwijst naar de kwestie van het vonnis (…). Nu blijkt ook de overeenkomst op het vlak van het natrekken van de feiten slechts gedeeltelijk op te gaan. De feiten die rechters en historici onder de loupe nemen zijn gedeeltelijk verschillend, vooral omdat beiden een verschillende houding hebben te aanzien van de context, of liever de contexten.” (Ginzburg 1992: 108)

Het is nuttig dit in het achterhoofd te houden in discussies over de Rwanda-processen of meer algemeen, over de processen die het gevolg zijn van de nieuwe Belgische wet die hier ter discussie staat. We staan hier immers voor een globalisatiefenomeen waarin rechtspraak gedelocaliseerd wordt en waarin gevallen van misdaad gedecontextualiseerd en gehercontextualiseerd worden. Het betreft hier een welbekend vertaalproces waarbij feiten en contexten uit één omgeving moeten omgezet worden naar een andere. Deze complexe processen kunnen niet zomaar gevat worden onder de term ‘uit de context halen’. Dat is maar één facet van de zaak, het andere, nog belangrijker, is het feit dat het feit of fenomeen terug in een nieuwe context geplaatst wordt. Ik zal in wat volgt enkele overwegingen formuleren die rechtstreeks aansluiten bij de waarschuwingen van Ginzburg, en die m.i. betrekking hebben op de Rwanda-processen.

2. Geschiedenis en schuld

2.1. Waarheid en historische context

Ginzburg’s boekje is een uitvoerige kritiek op een proces in Italië tegen Adriano Sofri. Sofri, een persoonlijke vriend van Ginzburg, werd in 1988 beschuldigd van aanzet tot de moord op een Milanese politiecommissaris in 1972, een beschuldiging die het gevolg was van een aangifte door een veronderstelde mede-complotteur. De vroege jaren zeventig waren een periode van grote instabiliteit in Italië en elders in Europa – de Rote Armee Fraktion en de Brigato Rosso zaaiden terreur in Duitsland en Italië, en de nasleep van mei 68 had extreem linkse groepen als Lotta Continua (waarvan Sofri lid was) vleugels gegeven. De crackdown was genadeloos zoals we weten, en Sofri en zijn companen konden ook in 1988 niet op clementie rekenen wanneer het aankwam op feiten uit die woelige periode. Sofri werd in 1990 veroordeeld tot 22 jaar gevangenisstraf.

Sofri’s proces vond plaats in een nieuwe fase in de evolutie in het Italiaanse politie-apparaat: die van de strijd tegen de maffia. Zowel de prima facie geloofwaardigheid van de aangifte door een pentito als de wijze waarop de argumentatie van de aanklacht werd gekaderd in ruimere politieke motieven kunnen enkel begrepen worden tegen de achtergrond van een verschuiving in opvattingen over wat moest en mocht binnen justitie, die het gevolg was van de nieuwe en bloedige krachtmeting met de georganiseerde misdaad. Het gevolg is echter een hercontextualisatie: Sofri’s vermeende daden werden niet meer geplaatst tegen de concrete historische achtergrond van de vroege jaren zeventig, en werden dus ontdaan van de politieke en ideologische dimensies die de acties van Lotta Continua definieerden, maar wel tegen die van on-ideologisch en brutaal maffia-geweld uit de jaren tachtig. De kogelregen die commissaris Calabresi in 1972 velde werd niet vergeleken met andere politieke moorden uit die tijd (Schleicher, Aldo Moro) maar wel met meer recente aanslagen van de maffia tegen politie-officieren en onderzoeksrechters die de ruggegraat van de maffia-organisaties wilden breken.

2.2. De verschillende facetten van de waarheid

Er is een punt waarop de details van de schuldvraag enkel beantwoordbaar zijn binnen de heel concrete situatie waarin ze optrad. Ginzburg wijst hierop wanneer hij het heeft over de verschillen in de behandeling van context tussen de rechter en de historicus: bij de rechter geldt context als mogelijke verzachtende of verzwarende omstandigheden (vaak herleid tot biografische factoren); bij de historicus raakt ze de aard van de feiten zelve en zijn kwalificaties van goed of slecht beoordelingen die contextgebonden en dus ook niet-stabiel maar historisch verschuifbaar zijn. We zijn hieraan gewend geraakt natuurlijk: nazibeulen verdedigden zich door te wijzen op hun ondergeschikte rang in een stalen hiërarchie, collaborateurs verdedigden zich door te wijzen op hun jeugd en de overtuigingskracht van leraars, priesters en andere rolmodellen, en STASI-agenten wezen op het feit dat wat ze deden volledig binnen een Oost-Duits kader moest geplaatst worden omdat ze per definitie fout waren vanuit een West-Duits kader.

Het kan soms ook genuanceerder zijn. Leden van de militaire arm van het ANC weigerden vaak te getuigen voor Tutu’s Waarheids- en Verzoeningscommissie (TRC) over de folteringen die ze ondergingen in de handen van de Zuid-Afrikaanse veiligheidsdiensten, niet omdat ze deze overtredingen wensten te legitimeren, maar omdat ze weigerden zichzelf als slachtoffer te zien. Ze waren strijders, en lijden was een onvermijdelijk ingrediënt van de strijd die ze overigens als overwinnaars hadden afgerond. In veel amnestie-verhoren in de TRC bleek dat mensen die gruwelijke daden hadden begaan ergens in hun leven ook slachtoffer van geweld waren geworden. Blanke veiligheidsofficieren die martelingen en moorden hadden begaan bleken zelf een dochter of nichtje te hebben die een been was kwijtgeraakt toen ze op een landmijn reed. Dit veroorzaakte immens leed en verdriet – slachtofferschap. Apartheid was duidelijk een oorlog en wie in de frontlijn stond deelde klappen uit maar kreeg er ook. Er was dan ook een dynamiek van retaliatie die veel geweld heeft veroorzaakt, maar die een complexe schuldvraag genereert: kan men de blanke veiligheidsofficier als finaal ‘schuldige’ aanduiden, waardoor men hem het statuut van ‘slachtoffer’ (en de legitimiteit van het eigen individuele lijden) ontzegt?

Het punt is dat geschiedenis in grote blokken werkt. Historische perioden kunnen opgedeeld worden in een oneindige reeks fragmenten. Elk van die fragmenten is z’n eigen context, en vanuit die concrete context kunnen schuld, daderschap en slachtofferschap toegekend worden aan de hand van wat Ginzburg de rechterlijke methode zou noemen. Terzelfdertijd zijn er grote historische fasen die verschillende fragmenten overspannen – bijvoorbeeld de Holocaust, het Apartheidsregime, het Mobutu-regime, de genocide in Rwanda, het Turks-Koerdische conflict, noem maar op. En ook die grotere historische fasen zijn een eigen context waarin schuld, daderschap en slachtofferschap kunnen toegekend worden, zij het aan de hand van een heel andere methode: niet een forensische methode die de feiten isoleert en op zichzelf beoordeelt, maar een methode die vanuit geschiedkundige kennis en evaluaties achteruitleest en feiten zowel als eigenschappen herordent.

In het kader van rechtspraak genereert dit verschil een spanningsveld tussen waarheid en rechtvaardigheid: de waarheid kan zijn dat blanke veiligheidsagenten in Zuid-Afrika schuldig zijn aan mensenrechtenschendingen omdat zij in het Apartheidssysteem systemisch en onderdrukkend geweld gebruikten, terwijl het geweld dat zij ondergingen achteraf als bevrijdend en restituerend geweld kon gedefinieerd worden. Dit is de waarheid, maar het valt aan te nemen dat de blanke veiligheidsagenten deze waarheid niet als rechtvaardig beschouwen.

Het is dan ook nuttig een onderscheid te gebruiken tussen forensische en historische schuld-toekenning. Forensische schuld-toekenning beperkt zich daarbij tot het achterhalen van lokale waarheid en feiten, waarheden en feiten die binnen een zeer beperkte context – die van het concrete geval – optreden en als zodanig kunnen vastgelegd worden. Historische schuld-toekenning moet ruimer zijn en waarheden of feiten construeren die rekening houden met verschuivende waarden en normen in samenlevingen. Beide types van schuld-toekenning kunnen samenvallen in bepaalde beoordelingen, maar het verschil tussen beide is belangrijk. Historische schuld-toekenningen zijn systemisch en moeten daardoor voorbijgaan aan de individuele casuïstiek die forensische schuldtoekenningen karakteriseert. Daardoor moeten ze ook voorbijgaan aan de individuele toedeling van rechtvaardigheid die eveneens de forensische schuldtoekenning karakteriseert.

3. Universele rechtvaardigheid en het contextprobleem

3.1. Een materieel en logistiek probleem

Dit brengt ons bij een volgend punt. De Rwanda-processen zowel als de aanklachten tegen Pinochet, Sharon, Arafat en anderen leiden tot forensische schuldtoekenningen gebaseerd op enerzijds de Belgische juridische traditie en anderzijds op een enorm ontwikkelde capaciteit om waarheid en feiten te achterhalen en te onderzoeken. Dit laatste wordt vaak onderschat: de wijze waarop rechtssystemen op wereldschaal ongelijke machten hebben inzake de vervolging van misdadigers. Om een eenvoudig voorbeeld te gebruiken: er zijn flink wat landen in de wereld waar fotocopies een luxe zijn. Men kan zich inbeelden hoe het proces-Dutroux of de Bende-processen daar zouden moeten aangepakt worden, wetende dat het centrale instrument in deze processen een papiermassa is van monumentale omvang. Zelfs op dat laagste materiële niveau blijkt de verzekering van rechtspraak niet vanzelfsprekend zijn. We zwijgen dan ook best over de mogelijkheden om betrouwbare getuigenissen te verzamelen in omgevingen waarin geletterdheid een schaars goed is, en dus de aanwezigheid van betrouwbare, schriftelijke documentatie over feiten zowel als de mogelijkheid tot verificatie van processen-verbaal door getuigen eveneens schaarse goederen zijn. En we zwijgen zeker over de mogelijkheden om beroep te doen op zeer geavanceerde forensische technologie, grote internationale databanken of DNA-analyses, psychologische daderprofielen en zo meer.

Wij hebben weinig problemen met dit alles, wij zijn in staat een buitengewoon krachtig instrumentarium voor forensisch onderzoek te ontketenen, en we zijn dan ook in staat makkelijker, meer en beter te vervolgen. Deze capaciteit is een belangrijke factor in de delocalisatie van de rechtspraak die we nu meemaken. De onbekwaamheid (of onwil) om in één plaats te vervolgen wordt gecompenseerd door de mogelijkheid (of de wil) om elders te vervolgen. Dit schept natuurlijk een bepaald beeld: dat vervolging in één plaats net zo goed kan gebeuren als in een andere, en dat de crux van de zaak de mogelijkheid is om te vervolgen. Concreet, dit schept een beeld waarin de Rwandese onbekwaamheid om snel en accuraat te vervolgen kan opgevangen worden door de Belgische bekwaamheid om te vervolgen.

3.2. Een intellectueel probleem

Het intellectuele kader waarin dit beeld geplaatst wordt is die van een universele rechtvaardigheid: de mensenrechten, de nieuwe rechtsorde gebaseerd op een stabiel concept van misdaden tegen de menselijkheid. Weinig teksten hebben zo veel terechte en onterechte kritiek gegenereerd als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar weinig teksten zijn zo immuun gebleken voor kritiek als deze, tenminste in het centrum van het wereldsysteem: het rijke Westen. Er heerst een bijzonder sterk geloof in de mogelijkheid dat er een ideologisch, ethisch, cultureel en politiek nulpunt kan bestaan dat ongevoelig is voor context en situatie en dat met maximale transparantie kan toegepast worden op elke instantie van wat dan als mensenrechtenschending gecatalogeerd wordt. En hier duikt andermaal het context-probleem op. Uiterst complexe hercontextualiseringen kunnen onzichtbaar worden gemaakt door de schijnbare duidelijkheid van het apparaat waarmee men hercontextualiseert: die fenomenale technologie van de vervolging gekoppeld aan dat grote geloof in universele standaarden van ethische, politieke, culturele en ideologische aard.

Men moet aandacht hebben voor de ‘blik’ die hierdoor ontstaat: een forensische blik die zich richt op individuele schuldvraag, maar die terzelfdertijd vrijwel onvermijdelijk rekening moet houden met context-factoren – de historische criteria voor shuldtoekenning – waarvoor die forensische blik eigenlijk niet gemaakt is. Ginzburg’s kritiek op het proces-Sofri richt zich precies hierop: het feit dat de rechtbank op een bepaald ogenblik buiten zijn eigenlijke domein treedt en politieke overwegingen inroept. De rechter gaat m.a.w. op een bepaald ogenblik over van een ‘rechterlijke’ behandeling van context naar een ‘historische’ benadering van context, en dit op het ogenblik waarop het historische kader van de strijd tegen de maffia wordt ingehaald als een argument in de verklaring van de feiten (p.100-101). Dit leidt tot een ernstige rechterlijke fout, en die heeft venzelfsprekend belangrijker gevolgen dan een fout begaan door een historicus (p. 109). Er bestaat een gevaar dat het grote vertrouwen in universele mensenrechten precies de aandacht voor deze dingen uitvlakt, temeer gezien de enorme kracht van ons forensisch instrumentarium dat ons het gevoel kan geven dat we snel tot feiten en waarheden komen.

3.3. Grenzen aan de zekerheid

In het geval van de genocide in Rwanda zijn er teveel contextuele grenzen die overschreden worden om dit soort snelle sprong naar waarheid en feit toe te laten. De spanning tussen historische en forensische schuld-toekenning is bijzonder scherp hier, en in zoverre men poogt te komen tot de forensische beoordeling van concrete gevallen zal men moeilijk om die andere factoren heen kunnen.

Er zijn de grenzen van de historische verplaatsing: 1994 was terzelfdertijd een fase in een veel langer genocidair proces en volstrekt uniek in z’n schaal, omvang en impact. Belangrijk is dat het een genocide betrof van na de Koude Oorlog, dus in een historische ruimte die heel nieuwe regels oplegde aan conflicten en conflictbehandeling. Er zijn de politieke en socioculturele grenzen: men moet snappen hoe mensen ‘geplaatst’ waren in een sociaal, cultureel en politiek systeem om hun bewegingsvrijheid als zelfstandig beslissend subject te kunnen inschatten. Men moet ook inzien dat de genocide een ‘ingebed’ fenomeen was, op verscheidene manieren verbonden met een lange historiek van politieke onevenwichten, discriminaties, en meer concreet de burgeroorlog die woedde ten tijde van de genocide en die nadien zijn beslag kreeg met de overwinning van de troepen van Kagame. Naast het specifieke probleem van de genocide – iets wat in termen van misdaden tegen de menselijkheid wordt gezien – is er dus ook het probleem van gruwelen begaan in de oorlogshandelingen – oorlogsmisdaden. Wat dit laatste betreft wordt de ‘community of crime’ uitgebreid. Daar waar de genocide een ‘nationale’ zaak was, is de oorlog een zaak waarin ook de buurlanden een rol speelden, hetgeen zowel het lijstje van de concrete actoren uitbreidt als het lijstje van de motieven en middelen, en dit binnen een poel van feiten en voorvallen waarin de grens tussen genocide en oorlog vaak moeilijk te trekken valt.

Er zijn nog andere sociale en culturele grenzen die te maken hebben met hoe mensen verhalen over zichzelf en hun wereld opzetten: een hooggeletterde in Afrika is een ander soort sociaal persoon als in West-Europa, een ongeletterde eveneens. De verhalen van een hooggeletterde hoeven niet meteen volgens precies dezelfde codes opgebouwd te worden als die van hooggeletterden van bij ons. Daar komt nog bij dat genocide een cultureel fenomeen is dat gebruik maakt van een (vaak ad hoc ontstane) reeks waarden, aanvaardbare gedragsvormen en ideologieën. De genocidaire praktijk hanteerde bijvoorbeeld ‘body maps’: een reeks fysisch-morfologische kenmerken (de vorm van de kuiten en van de neus, de lengte van de vingers enzovoort) die als onbetwistbaar kenmerk van de vijand werden beschouwd. Mensen zijn vermoord omdat hun kuiten een bepaalde vorm hadden. Daardoor sloot de genocide van 1994 aan bij een lange traditie van (fysische) racialisering van het Hutu-Tutsi conflict, en gaf ze daar bovendien verder vorm aan (we zagen diezelfde rassentheorie later opduiken in Kinshasa, toen er pogroms ontstonden tegen de ‘Hamieten’ uit Rwanda). Zo staan we – paradoxaal – voor een fenomeen dat irrationeel is en enkel als zodanig begrepen kan worden maar terzelfdertijd op diverse niveaus vormen inhoudt van wat Zygmund Bauman als een rationele technologie van de vernietiging zou bestempelen. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop men intentionaliteit kan en mag inschatten, en daardoor heeft het gevolgen voor de wijze waarop men aan daders ‘voorbedachte rade’ mag toeschrijven. Lang niet eenvoudig.

En doorheen dit alles loopt de grens van de onkennis: onze juristen zijn niet noodzakelijk deskundigen in deze contextfactoren, en ze zullen dus wellicht niet altijd even zeker zijn van de kwaliteit van de aangehaalde argumenten. Is het waarschijnlijk dat een burgemeester gedwongen kon worden deel te nemen aan pogroms? Is het waarschijnlijk dat mensen zich niet de familienaam herinneren van personen die ze als verwanten bestempelen? Op al deze zeer complexe vragen moeten ter plekke antwoorden verzonnen worden, en als er één ding waarschijnlijk is, is het dat onze juristen hierbij hun eigen culturele, sociale en politieke ‘common-sense’ gaan hanteren als leidraad. Ons juridisch systeem wordt hierdoor niet enkel voorgesteld als cultuurvrij en volkomen neutraal; het wordt ook voorgesteld als ultiem perfect vertaal-instrument, iets wat alle mogelijke contextverschillen snel en accuraat kan wegwerken door reducties tot de procedure. Het vertaalprobleem blijft echter, het is nijpend, en het houdt alweer een reusachtig rechtvaardigheidsvraagstuk in.

Niemand zal de gruwel van de genocide betwisten, niemand zal ook betwisten dat hier recht moet geschieden, en het ligt ver van mijn bedoeling een relativistisch en verontschuldigend kader te schetsen voor dit soort gruwelen. Maar het feit blijft dat een casuïstisch oordeel over de concrete betrokkenheid van één individu in dit grote geweld een buitengewoon moeilijke oefening is, en die moeilijkheidsgraad is een opdracht voor zij die recht willen laten geschieden.

4. Besluit: types van waarheid en het rijk van de onzekerheid

4.1. Types van waarheid

Zoals hierboven al aangehaald doken dergelijke problemen om de haverklap op in de Zuid-Afrikaanse waarheidscommissie. Schuldtoekenning was iets wat verschillende niveaus bleek te hebben. Historisch lagen de zaken vrij duidelijk, met het Apartheidsregime en z’n lakeien als ultieme daders en de niet-blanke gemeenschappen als ultieme slachtoffers. Concreet, geval per geval, en zeker wanneer men op zoek ging naar rechtvaardigheid, bleek alles flink wat minder duidelijk en vaak gewoonweg vol met paradoxen. De TRC kwam dan ook in haar eindrapport tot de bevinding dat minstens vier types van waarheid moesten onderscheiden worden: (1) de feitelijke of forensische waarheid, (2) de narratieve of individuele waarheid, (3) de sociale waarheid en (4) de restoratieve of helende waarheid.

Deze vier types kunnen samenvallen, maar in de regel doen ze dat niet. De feitelijke waarheid kan helemaal niet restoratief zijn: het feit dat ook ANC-leden zich schuldig maakten aan wreedheden draagt niet bij tot de uitbouw van de nieuwe natie waarin komaf moet worden gemaakt met de erfenis van Apartheid. Ze kan ook niet de sociale waarheid zijn: het feit dat iemands neergeschoten zoon uiteindelijk een verklikker bleek te zijn doet geen afbreuk aan het feit dat die zoon als een lokale held moet kunnen worden vereerd. En ze hoeft zeker niet de individuele waarheid te zijn: het feit dat een veiligheidsofficier een verzetstrijder standrechterlijk heeft geëxecuteerd doet geen afbreuk aan de inschatting van die veiligheidsagent dat het hier een communistisch terrorist betrof.

Wat de TRC daarmee heeft bereikt is niet gering. Er is een erkenning dat ‘waarheid’ iets is dat gebonden is aan gemeenschappen (en gemeenschappen als zodanig ook identificeert en opbouwt), en daardoor ook kan evolueren. Men kan terzelfdertijd gelijk en ongelijk hebben, het gaat immers om diverse gecontextualiseerde versies van de feiten – een zeer nuttig idee als het gaat om oneindig ingewikkelde morele kwesties. En dit is dan een vraag die men zeker moet stellen in verband met de rwanda-processen en de andere aanklachten in dit Belgische kader: is de forensische waarheid die men hier bereikt (àls men ze bereikt) een waarheid die geldt op die andere niveaus, niet in België maar in Rwanda, Israël of Chili? Is dit een waarheid, bijvoorbeeld, die kan ingepast worden in de reconstructie van de geteisterde Rwandese samenleving? Of gaan we hier vervolgen op gronden die al lang hun relevantie hebben verloren in de gemeenschap waaruit de feiten voortkomen. Simpel gesteld: voor wie spreken we recht? Voor wie delen we rechtvaardigheid uit?

4.2. Het rijk van de onzekerheid

In de context van Zuid-Afrika is herhaaldelijk gewezen op het belang van de TRC in de reconstructie van een nieuw collectief geheugen. Een zeer belangrijk element hierin, dat echter vaak over het hoofd wordt gezien, is vergevensgezindheid. Wellicht is dit element de TRC binnengeslopen via desmond Tutu’s eigen religieuze aanpak van de werkzaamheden: de idee dat mensen, ook al waren ze schuldig aan zeer zware misdrijven, in een nieuwe natie een tweede kans moeten krijgen, en dat ze die kunnen krijgen door een publieke biecht, door hun bijdrage tot het archief van het verleden. In Pretoria staan nog steeds de emblemen van de Apartheid: het Voortrekkermonument, de standbeelden van diverse Apartheidspresidenten en eerste ministers. Deze monumenten zijn niet neergehaald, ze zijn nu gehercontextualiseerd. Het Voortrekkermonument is niet meer het symbool van de Afrikaner suprematie; het is een gedenkplaats voor een specifieke historische periode, die van de Grote Trek. De gemeenschap herdefinieert hier meteen ook criteria, niet zozeer van schuld en onschuld – die mensen zijn historisch zeker schuldig – maar wel van de wijze waarop schuld en onschuld zich verhouden tot rechtvaardigheid. Rechtvaardigheid is geschied door de overwinning van de meerderheid op de minderheid. Schuld en onschuld nemen daardoor nieuwe, veel beter behandelbare vormen aan.

Ook dit is context, en wie de rechtspleging dissocieert van deze processen binnen de gemeenschap riskeert anachronistisch te werk te gaan. We krijgen dan een rechterlijke fout zoals Ginzburg ze beschrijft in het geval Sofri, en hier niet enkel met gevolgen voor het individu maar ook met gevolgen voor de gemeenschap. De rechter wordt hier niet enkel politicus, hij of zij wordt een heel slecht en onhandig politicus. De vraag naar de constituency voor het recht dat we hier willen spreken is dan ook nijpend en onvermijdelijk. Aan een proces zoals datgene dat gevoerd is tegen de Rwandese beklaagden moet dan ook haast noodzakelijk een ruimere, TRC-achtige oefening worden gekoppeld, waarin de verschillende historisch, sociaal, cultureel, politiek gecontextualiseerde versies aan bod komen. Zoniet riskeert men dit ene ding over het hoofd te zien: dat ‘feiten’ vinden in de regel geen eindpunt is, maar een vertrekpunt voor een hele reeks nieuwe vragen en problemen. Niets is zo onbetrouwbaar als een schijnbaar duidelijk feit.

(Deze tekst is een commentaarstuk in een themanummer van het tijdschrift Orde Van de Dag over de Rwanda-processen in Brussel. Manuscript november 2001)

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s