Democratie en propaganda: commentaren bij de campagne ‘extreem rechts, neen bedankt!

images (1)

Jan Blommaert 

Tekst van een lezing op het colloquium ‘Van Blok tot Bouwsteen’, Brussel 10/12/2001.

De strijd tegen extreem-rechts is voor mij een strijd voor de democratie. Eén van de grote problemen die ik zie is dat men in het maatschappelijk debat hierover wel lippendienst bewijst aan de democratie, maar ter zelfder tijd democratie overslaat als het aankomt op grondig denkwerk en discussie. Dit is mij centrale bekommernis: de discussie omtrent democratie aanwakkeren, want extreem-rechts buit virtuoos de vanzelfsprekendheid – de niet-bevraging – van democratie uit in haar voordeel. Meteen is dit ook het vertrekpunt voor mijn uiteenzetting.

Als je vandaag aan duizend Vlamingen een definitie zou vragen van democratie zouden in hun antwoorden zeker de volgende elementen als constanten opduiken. Eén, democratie berust op inspraak, en twee, dit begrip staat voor de individuele burger die z’n zegje mag doen. Tegenover democratie zouden zeker de volgende dingen worden geplaatst: een overheid die oplegt of beveelt, een overheid die teveel neigt naar inmenging in de privézaken van de burger – een categorie die overigens steeds maar uitbreidt, en waarin bijvoorbeeld ook overtredingen van het verkeersreglement lijken te horen. Samengevat: democratie zou gedefinieerd worden als individuele vrijheid binnen een systeem van vertegenwoordiging. De overheid – de “politiek” zoals dat heet – zou vaak opduiken als een vijand, een beknotter, een anoniem orgaan waarvan de leidende functie sterk in twijfel zou worden getrokken.

We leven in een tijd waarin democratie niet meer gezien wordt in termen van woordvoerderschap, verantwoordelijkheid en leiderschap. We zijn niet meer gewoon te denken in een pyramidaal model waarin individuen niet rechstreeks als individu vertegenwoordigd worden, maar eerst gegroepeerd worden in grotere verzamelingen – belangenverenigingen, zuilen, organisaties, of stabiele sociologische groepen zoals jongeren en senioren. Dit model is in het begin van de jaren negentig verketterd geworden door onze huidige eerste minister. En ook al is er ten gronde in de feiten niet veel veranderd – ik kom daar straks op terug – wat effectief is veranderd is de wijze waarop mensen zich nu democratie inbeelden. Dit stelt problemen, en een bespreking van die problemen zal de hoofdmoot vormen van dit betoog. Maar eerst moet ik wat uitleg geven bij die herformuleringen uit het begin van de jaren negentig.

De herformuleringen zijn te vinden in de Burgermanifesten van Guy Verhofstadt. In deze boekjes schetste Verhofstadt een nieuw model van politiek, een politiek die de bestaande vervreemding tussen Burger en beleid moest tegengaan. Die Burger, en dit is belangrijk, werd gedefinieerd als een individu. En het doel van de vernieuwing was om het individu een grotere macht en betrokkenheid te verschaffen in de besluitvorming. Dat betekende vanzelfsprekend dat de intermediaire niveaus, de belangenorganisaties, maar eigenlijk de meeste vormen van collectiviteit, uitgeschakeld moesten worden uit het besluitvormingsproces. Verhofstadt vertrok van een ideaalbeeld van de Burger als mondig, hoog opgeleid mannelijk middenklasser, een uiterst scherpzinnig individu dat steeds rationeel te werk gaat en niet om de tuin te leiden valt door malafide beleidsmensen. Zulk een Burger had volgens Verhofstadt geen vakbonden, beroepsverenigingen of drukkingsgroepen meer nodig: hij zou perfect in staat zijn de eigen belangen te vertolken en te verdedigen. En die Burger zou dat vigoureus doen: het laatste wat politici nog mochten doen was de Burger zeggen wat hij moest doen. De politici moesten volgen, niet leiden. De politici werden managers, en de Raad van Beheer was vanaf nu samengesteld uit de Burgers.

Zoals gezegd, wanneer we een decennium later terugkijken op die teksten en beseffen dat we inmiddels ook de auteur van deze denkbeelden tot eerste minister van dit land hebben verkozen, dan zien we dat de Burgermanifesten weinig reële invloed hebben gehad. Ze hebben de politiek niét ten gronde veranderd. Wat ze wel hebben veranderd, evenwel, is het beeld van de politiek en van politici, en dit ogenschijnlijk voornamelijk in de ogen van de politici zelf. Eén van de zaken die we doorheen alle vernieuwingsoperaties in de jaren negentig hebben gezien is de zeer grote terughoudendheid van partijen en beleidsmensen om zichzelf te definiëren als stabiele belangengroepen en als leidinggevende actoren in elke zin van het woord. Partijen zijn zichzelf gaan zien als bedrijfjes die een product aanbieden en vermarkten aan een consumentenpubliek, waarvan ze hopen dat het en masse valt voor dat product. In de logica van dit model moet het product ook bestendig aangepast worden aan de wensen en verlangens van het consumentenpubliek, en dit door middel van marktstudies – opiniepeilingen.

Dit ging ver. De huidige burgemeester van Leuven, een man die in eigen midden nochtans niet bekendstond als bang van macht en machtsuitoefening, verklaarde als Minister van Binnenlandse Zaken dat de tijd voorbij was waarin beleidsmensen zegden wat de burgers moesten denken. Hij was ook degene die voortdurend wees op de afwezigheid van een ‘maatschappelijk draagvlak’ voor zaken zoals stemrecht voor migranten. Inderdaad, in de jaren negentig leek de tijd om waarin politici leiding moesten geven, desnoods onpopulaire maatregelen moesten nemen, en af en toe hun mensen moesten gaan zeggen dat ze fout zaten. Dat alles was niet langer democratisch.

Een belangrijke factor hierbij was de opkomst van een ondemocratische partij. Het Vlaams Blok was de macht die Verhofstadt deed spreken over de vervreemding, de kloof. En het Vlaams Blok was samen met de VLD de partij die voortdurend haar ongebondenheid benadrukte: wij zijn geen zuil, wij hebben geen ziekenfonds, wij zijn een partij van vrij beslissende, bewuste Burgers (met een hoofdletter, de Verhofstad-iaanse Burgers). Die partij ontwikkelde een formidabele beeldvorming rond haarzelf als door-en-door democratisch, met slogans zoals ‘de wil van het volk’ en ‘wij zeggen wat U denkt’. Ze speelde dit voortdurend uit als argument tegen de andere – ‘democratische’ – partijen: jullie zitten in de zak van de vakbonden, jullie geven jobs aan mensen die voor jullie stemmen, jullie begaan favoritisme en gefoefel, en bovenal: jullie hebben geen contact met het volk, jullie weten niet wat de mensen willen, jullie zijn geen democraten.

Op het einde van de jaren negentig is vox populisme dan ook een feit. De NPC heet ‘Burgerdemocratie’ of ‘directe democratie’, en ze werkt via een verabsolutering van de individuele wensen en verzuchtingen van individuele mensen, doorgegeven en opgepikt via marktonderzoek, of beter nog, via websites, televoting of referenda. Lobbywerk, propaganda, overleg met belangenorganisaties, gestructureerde inspraak van het middenveld: dat alles is OPC, Oude Politieke Cultuur en staat haaks op die Burgerdemocratie. De partij die dit geheel aan beelden en opvattingen het sterkst benadrukt en er het meest profijt uit haalt, is het Vlaams Blok. Volgens de nieuwe dogma’s van de jaren negentig is het Vlaams Blok de meest democratische partij van dit land.

***

Tot zover mijn inleiding. Het plaatje is geschetst en nu kunnen we ons wenden tot de problemen. Hoezo problemen? Zijn er problemen? Wel, wanneer het Vlaams Blok volgens de huidige gangbare definities de meest democratische partij is, dan moeten we dringend die huidige gangbare definities eens van naderbij bekijken.

De directe democratie is geen democratie. De reden daarvoor is vrij eenvoudig, maar fundamenteel. De reden is dat de Burger niet bestaat. De zwaar geïdealiseerde notie van Burger die sedert het begin van de jaren negentig in diverse vormen van  nieuw individualisme werd gepredikt is een notie die uitgaat van de fundamentele gelijkheid van alle individuen. In onze samenleving is iedereen ten gronde gelijk, verschillen zijn niet noodzakelijk problematisch of onoplosbaar. De samenleving is een optelsom van al deze gelijke individuen, en een democratische meerderheid is de helft plus één van deze individuen. Deze individuen drukken zichzelf uit door middel van een publieke opinie, die alweer een optelsom is van individuele opinies. Al deze individuele opinies zijn evenwaardig want elke Burger is zoals gezegd uitmuntend geïnformeerd, rationeel en ernstig, en bij machte z’n eigen belangen te verdedigen. Het is dus niet nodig kwaliteitsverschillen in ogenschouw te nemen. Eenvoudig zij het ietwat vulgair voorgesteld: binnen dit denkkader is de opinie van mijn moeder over de toekomst van de Belgische luchtvaart evenwaardig aan die van Rik Daems of Etienne Davignon.

Hoe dit simplisme de sociale wetenschappen, de media en de politiek is binnengeslopen blijft me een raadsel. Het is immers volslagen fout, en gevaarlijk fout. Een humanistisch principe of streefdoel wordt verheven tot feit: de principiële gelijkwaardigheid van mensen wordt plots de feitelijke gelijkheid van mensen. Het gevolg ervan is dat het hele streven naar gelijkwaardigheid op de helling komt te staan, want mensen zijn al gelijk. Weinig zaken zorgen voor zoveel discriminatie en onrecht als de stelling dat iedereen gelijk is. In een samenleving zoals de onze zijn mensen immers niét gelijk, en is ongelijkheid net de hele essentie van het politieke proces. Niet ieder individu in dit land is even goed geïnformeerd, even rationeel, even zakelijk, even ernstig, even goed bij machte de eigen boontjes te doppen. En niet ieders standpunt of opinie is gelijkwaardig: de opinie van mijn moeder over de luchtvaardindustrie zal waarschijnlijk minder economische gevolgen hebben voor die industrie dan die van Davignon. Men kan dit alles betreuren, maar men kan dit niet ontkennen. En eerder dan een vlucht achter het principe van de gelijkwaardigheid bestaat humanisme uit een strijd tegen reële ongelijkheid. Dit heeft een aantal gevolgen voor politieke actie, en ik kan die gevolgen samenvatten als: oude politiek is beter en democratischer dan nieuwe politiek.

Historisch is de ‘oude’ democratische structuur gebaseerd op een actief middenveld. De intermediaire niveaus waren ruimten waarin mondige en onmondige burgers elkaar vonden, en waarin de eersten de verantwoordelijkheid namen om de laatsten te vertegenwoordigen of te steunen. Een vakbond ontstond omwille van de onmacht en de onmondigheid van de individuele arbeider. Het groeperen van die arbeider was de eerste stap, maar daar bleef het niet bij. Die arbeider werd opgeleid, leerde lezen en schrijven. En rond die arbeiders werden intellectuele, professionele kaders ontwikkeld, die op hoger niveau aan belangenverdediging deden en bovendien instonden voor de vorming en – hou U vast – de leiding van die arbeiders.

Schakelt men dit middenveld uit, dan reduceert men de onmondigen, de niet-zo-goed-opgeleiden, de mensen die geen AN spreken, niet goed kunnen lezen of schrijven, zich geen kranten kunnen veroorloven, geen hoge scholingsgraad bereikt hebben, geen jobs met verantwoordelijkheid en vrijheid hebben – dan reduceert men al deze mensen tot machteloze, mondeloze individuen, en atomiseert men de ongelijkheid in de samenleving. Enkel de mondigen nemen dan deel aan dat feest van de democratische inspraak – iets wat men nu reeds ziet. De hoog opgeleiden, de mensen met toegang tot het internet, een stevige intellectuele bagage, vrije tijd en toegang tot goede informatiebronnen, die kunnen naar hartelust deelnemen aan de directe democratie. Zij zullen steeds een minderheid zijn, maar in een directe democratie zijn zij de enig overgebleven stem. Net zoals voor de invoering van het algemeen stemrecht zullen zij echter weer in de plaats van de armere, minder mondige en minder gelukkige meerderheid spreken. Hun individuele verzuchtingen zijn publieke opinie. Paradoxaal genoeg wordt de nieuwe politiek zo één grote lobbymachine, waarin een kleine groep individuen erin slaagt zijn eigen belangen bovenaan de agenda te zetten omdat zij als enigen toegang hebben tot de kanalen van de macht, die steeds technischer en ingewikkelder worden.

Een democratie kan dan ook niet zonder organen die groeperend werken, en die daardoor compenserend werken, de verschillen tussen mensen niet wegvegen, maar ze opvangen. Meer precies, onze moderne democratie kan niet zonder lobby’s: georganiseerde en gelaagde groepen waarin mondelozen naast hoog opgeleiden zitten en via deze laatsten hun stem en opvattingen kunnen laten horen. De hoog opgeleiden spreken dan niet in de plaats van de anderen, maar samen mét de anderen, en niet vanuit paternalisme maar vanuit participatie. In een nieuwe democratie heeft men meer dan ooit lobby’s nodig, en de OPC-associaties die men rond lobby’s weeft zijn volslagen onterecht. Wie het meent met inspraak, en wie echt wil dat àlle burgers hun belangen vertegenwoordigd zien in beleid – wie met andere woorden een echt democraat wil zijn – die zal meer lobby’s moeten verdragen en zal ze zelfs moeten stimuleren. Het is een groot probleem van het antiracisme in dit land dat het nooit de vorm heeft aangenomen van een stevige, professioneel georganiseerde en zakelijk opererende lobby. De campagne die hier ter discusie staat is daar een eerste aanzet toe.

***

Een democratie kan ook niet zonder een ander ingrediënt van Oude Politiek: leiderschap. Daar zijn diverse redenen voor. De eerste is principieel. Om een democratie te garanderen moet er een duidelijke verhouding zijn tussen bevolking en leiders. Die relatie moet een duidelijke sanctioneringmogelijkheid voor de bevolking inhouden. In de directe democratie is de beleidsmens slechts de uitvoerder van datgene wat doorheen referenda en opiniepeilingen wordt aangegeven vanuit de bevolking. Gevolg: het volk heeft altijd gelijk, beleidsmensen leiden niet meer en kunnen dan ook het volk blameren voor vergissingen. De verantwoordelijkheidsrelatie die centraal staat in onze democratie wordt omgekeerd, en beleidsmensen zijn vanaf nu uitvoerders van ‘de wil des volks’. Het volk kan zichzelf niet bestraffen. Daarom mag het ook niet toestaan dat leiders zich verstoppen achter het scherm van de volkswil.

Een tweede reden is van een andere orde. Zoals eerder gezegd, niet iedereen is een ideale rationele en opgeleide burger. Niet iedereen is even goed geïnformeerd, en wat publieke opinie betreft, niet iedereen hééft een opinie over alles. De grote overwinning van het Vlaams Blok bestaat niet uit het feit dat ze zegt wat de mensen denken, maar dat ze de mensen heeft leren denken op basis van wat het Blok zegt. Het Blok heeft duizenden Vlamingen in de meest letterlijke zin van het woord leren praten over de eigen buurt, de omgeving, de eigen situatie, de relatie met anderen. Daardoor heeft het in de hoofden van die mensen ideeën geplant die er tevoren niet waren, maar die er nu als absolute waarheid blijven in zitten omdat men er een jargon en een discours over heeft.

De historische overwinning van het Blok bestaat erin, samengevat, dat het precies het tegendeel heeft gedaan van wat het zei en van wat het anderen oplegde. Het Blok was de voorvechter van de nieuwe politiek, en het dreef de andere partijen steeds verder in de richting van een zoektocht naar de wil van het volk. Terzelfdertijd deed het Blok net het omgekeerde: het gaf leiding, het nam het voortouw, het beoefende als geen ander de oude en zeer efficiënte ambacht van de propaganda. Waar de Burgemeester van Leuven de strijd om de geesten van de mensen opgaf ging Gerolf Annemans zonder einge scrupule op jacht naar die geesten. In de jaren negentig is het Vlaams Blok de partij die overwinning na overwinnig boekt door middel van een briljant uitgewerkte ouderwetse propagandastrategie, afgekeken van de arbeidersbeweging, het fascisme en de soviet Agitprop.

Het Blok had dus goed door dat sommige mensen nog moeten leren denken over politiek, dat niet iedereen een afgewerkte, mature opinie heeft over dingen, maar dat net daar een geweldig jachtgebied ligt omdat andere partijen die didactische – volksopvoedende – ambities opgeven en vervangen door dat absurde geloof in die ideale Burger. De door het Blok aangeleerde praatjes die uit de monden van de Burgers rollen nemen ze aan als ware verzuchtingen, die men niet mag ontkennen of aanvechten, maar waarop men antwoorden moet verzinnen. Het Blok grijnst en moedigt aan: “juist, luister naar de Burger! Enkel dan ben je democraat!”

Het Blok heeft door dat precies de huidige samenleving nood heeft aan duiding, aan aanwijzingen, aan mensen die onderscheiden markeren tussen wat juist is en wat niet. Een generatie geleden voorzag de BRT in die duiding: er was maar één TV-kanaal voorhanden, en elke Vlaming bekeek precies dezelfde programma’s. Het gevolg daarvan was enorm, niet enkel voor het scheppen van een soort algemene basiscultuur in de bevolking, maar eveneens voor de schepping van een soort algemene consensus over wat er nu een probleem was in de samenleving en wat niet, over welke dingen men blij moest zijn en over welke droef. Die duidelijkheid is volledig weg, en wat overblijft is geen overvloed aan informatie, maar een schaarste aan informatie in de zin van onderscheiden tussen wat relevant is en wat niet. Het gevolg is paradoxaal: precies in die informatiemaatschappij ziet men dat men meer leiding, voorlichting en opvoeding nodig heeft. Precies wanneer men denkt dat mensen zichzelf kunnen informeren en waarheid van leugen kunnen achterhalen, merkt men dat ze geïnformeerd moeten worden. Precies wanneer men denkt dat propaganda volledig fout is merkt men dat propaganda meer dan ooit nuttig en essentieel is. Een democratie die zich baseert op een geïnformeerd burgerschap is nu meer dan ooit een democratie die vanuit het centrum moet informeren. De leiders van de samenleving hebben meer dan ooit de plicht om te leiden, en aan hun mensen te zeggen wat juist is en wat niet. Leiderschap is nu meer dan ooit een opvoedende opdracht. Gramsci’s theorie van hegemonisch leiderschap ging op voor samenlevingen die een schaarste aan informatie hadden; ze gaat echter ook op voor samenlevingen met een overvloed aan informatie.

***

Tot zover het theoretische deel van mijn uiteenzetting, nu de empirie. Het onderzoek dat Albert Martens, ikzelf en onze medewerkers destijds in Mechelen opzetten leidde tot een hele reeks aanbevelingen. De centrale aanbeveling was dat in Mechelen het beleid in het centrum van de maatschappelijke discussie moest gaan staan en aan de bevolking moest duidelijk maken waar het voor stond. Geen enkele maatregel zou werken zolang het beleid geen duidelijkheid zou scheppen in het grote verhaal dat alles domineerde. Het beleid moest leiden, het moest zijn nek uitsteken. De huidige burgemeester, toen oppositieleider, verwierp op weinig fijnzinnige wijze onze voorstellen om dit centrale voorstel daarna als burgemeester uit te voeren. Ik ben het volledig oneens met de richting die hij is ingeslagen, maar het principe is juist. De bouwsteen waarmee men het Blok kan tegengaan is hegemonie: controle over de geesten van de mensen, propaganda omtrent de eigen standpunten, duidelijkheid omtrent datgene wat toegelaten is en wat niet. Doet men dat niet, dan mag men zeker zijn dat de tegenstander het wel zal doen. In vele Vlaamse steden is precies dat gebeurd.

Nog wat empirie. Op dit ogenblik onderzoeken we met een groep onderzoekers de inplanting van asielcentra in diverse plaatsen in het land. Het onderzoek is nog maar net opgestart, maar één element is al zichtbaar. Er zijn plaatsen waar het gemeentebestuur van bij het begin een duidelijk positieve houding aannam tegenover de inplanting van het centrum en dit ook op diverse manieren, voortdurend en zonder tweeslachtigheid liet weten aan de bevolking. Die plaatsen komen niet in het nieuws want de inplanting van het centrum verliep er zonder veel obstakels. In andere plaatsen nam het gemeentebestuur een weifelende houding aan, liet zich voeden door extreem-rechtse drukkingsgroepen of winkeliersverenigingen, en kon dan ook rekenen op veel tegenstand en moeilijkheden bij de inplanting van het centrum. Een duidelijke houding vanwege het politieke centrum maakt dus effectief een verschil.

Belangrijk hierbij is het niveau van de algemene principes, het Grote Verhaal achter de vele maatregelen en argumenten. In de strijd tegen extreem rechts volstaat het niet ‘concrete antwoorden’ te bieden op de ‘juiste vragen’ die het Vlaams Blok aanbrengt. Men mag niet enkel ingaan op de anecdoten, de gegevens en de concrete fenomenen. Het gaat hem vooral om een gevecht om het wereldbeeld, het algemene patroon dat coherentie verschaft voor een hele boel zaken in de samenleving. Het baat bijvoorbeeld niet ‘de democratie te versterken’ door allerlei ingrepen gaande van nieuwe electorale omschrijvingen tot het cordon sanitaire, als mensen geen uitleg hebben gekregen over democratie. Bij gebrek daaraan zien zij die ingrepen niet als democratisch maar als anti-Vlaams Blok en dus als antidemocratisch. Want het Vlaams Blok hééft een Groot Verhaal dat precies uitgaat van de visie dat zij de partij het Volk is en dus volstrekt democratisch kan zeggen ‘eigen volk eerst’. Wie het Grote Verhaal niet aanvalt en vervangt door een ander kan nooit winnen met de kleine verhaaltjes.

De ontwikkeling van een groot verhaal over democratie – of beter, de herontdekking van democratie als Groot Verhaal, als ideologie – is dan ook de eerste opdracht, en ‘Van Blok tot Bouwsteen’ wou hiertoe een aanzet zijn: een betrekkelijk eenvoudig maar uiterst consequent principieel modelletje van hoe een democratische samenleving werkt, welk soort ‘software’ ze gebruikt en hoe dit kan aangewend worden om pluralistisch samenleven mogelijk te maken en te sturen. Gek genoeg merkte ik in de respons op Van Blok tot Bouwsteen dat de discussie ging over concrete maatregelen zoals de verkiezing van een migranten-schaduwkabinet. Over de grote principes werd gezegd dat ze geen enkel probleem stelden, dat iedereen er wel akkoord mee kon gaan. Dat zal wel, alleen houden ze een hele reeks opdrachten in: men moet die principes als principes hanteren, ze met andere woorden in werking zetten, er werk van maken, anders lukt er niets.

***

Nu, en bij wijze van slot, naar de campagne ‘extreem rechts, neen bedankt!’.[1] Ik ben nogal gecharmeerd door de campagne, en één van de redenen is het feit dat ze zich volledig baseert op de propaganda van het Vlaams Blok. En die propaganda is klassiek, dat wil zeggen: (1) ze verloopt in golven en beperkt zich dus niet tot één moment, (2) ze is multimodaal en beperkt zich dus niet tot één formaat, (3) ze is gelaagd en beperkt zich dus niet tot één ongedifferentieerde doelgroep. Voetnoot: men zal nu zeggen, maar dit is een reclamecampagne! Precies: de hedendaagse professionele reclame verschilt op geen enkele manier van wat vroeger propaganda heette.

Maar laat me wat verder gaan in mijn uitwerking. De campagne modelleert zich volledig op Vlaams Blok campagnes en werkt dan ook minstens op twee niveaus: één, een niveau van vorming, gericht naar kaders uit een brede waaier van organisaties uit het maatschappelijke middenveld. Twee, een niveau van brutale beeldvorming gericht naar een ruimer publiek. Cruciaal is de connectie tussen de twee: men beperkt zich niet tot de schok van de vulgaire boodschap, die zelfs een initiële verwarring toelaat over het feit of het hier al dan niet om Vlaams Blok propaganda gaat. Neen, men zoekt naar een niveau van blijvende vorming binnen een netwerk aan actoren in Brussel en ongetwijfeld daarbuiten. Vanuit één centrum ontwikkelt men dan ook sub-centra voor verdere beïnvloeding en blijvende actie.

Dit is goede propaganda en het leidt weinig twijfel dat deze campagne effect heeft, al hoeft dit niet meteen en onmiddellijk electoraal vertaalbaar te zijn. Belangrijker dan het onmiddellijke effect van de krant is het effect van de vorming van kaders binnen de organisaties. Het is dit netwerk dat met zijn vele vertakkingen hoop geeft op beterschap. Maar hieraan zijn enkele voorwaarden verbonden.

Ten eerste, ik heb daarstraks al gezegd dat deze campagne een aanzet tot lobbyvorming is. Ik zei dit tegen de achtergrond van een visie op lobby’s als fundamenteel democratische instrumenten die belangenvertegenwoordiging waarnemen. Het lijkt me een nuttig doel voor deze campagne om deze weg verder te exploreren: verder te bouwen aan een informatienetwerk dat in beide richtingen werkt. Er zijn weinig dingen waaraan zo’n behoefte bestaat vandaag als aan fijnmazige menselijke netwerken van informatie die zich uitstrekken tot op het niveau van de wijk of de straat, en die zowel informatie verspreiden naar onder als naar boven. De publieke opinie is een levend iets, en niets is zo betrouwbaar inzake publieke opinie als wat in CIA jargon bekend staat als ‘human intelligence’. Je hebt buurtbewoners nodig die met mensen uit hun buurt spreken en daar opvangen wat er leeft. Verdere structurering als lobby en als infonetwerk lijkt me dan ook een voor de hand liggende opdracht. We hebben meer democraten nodig in meer buurten.

Ten tweede, maar aansluitend hierbij. De campagne moet niet bang zijn voor propaganda, voor opinievorming. Ik merk een zekere schuchterheid wanneer het aankomt op het opvoedende aspect van de campagne. Men hanteert neutrale begrippen als informatie, feiten en zo meer, en dit vaak vanuit een idee dat echt pluralisme bestaat uit de juxtapositie van standpunten. Mijn advies is: ga verder en wees niet bang van het belerende aspect van dit werk. Men mag in alle vrijheid tegen mensen zeggen dat ze fout zijn en dat jullie het beter weten. Dit werkt vaak beter dan te zeggen dat hun versie misschien wel juist is, maar dat er ook een andere manier bestaat om dit te zien. Zoals ik eerder aangaf: men mag de nood aan duiding en leiding niet onderschatten, en het scheppen van een alternatieve versie van de werkelijkheid zonder evaluatie of waarheidsaanspraak kan averechts uitdraaien. Als je overtuigd bent van je gelijk, zeg dan dat je gelijk hebt. Maar dat brengt me tot punt drie.

Men moet binnen die beter gestructureerde beweging werken aan het grote verhaal. De focus op extreem rechts wordt verantwoord door te wijzen op leefbaarheid en democratie. De inhoud en de structuur van die dingen mag meer in focus staan, zeker in het vormingsaspect. Ik ga er immers van uit dat het doel van deze organisaties niet enkel bestaat uit een daling in de verkiezingsuitslag van het Vlaams Blok, maar dat het bestaat uit een blijvende her-democratisering van de samenleving. Dit ruimere project is een langzaam project dat andere technieken vereist en daardoor zonder twijfel minder spectaculair en begeesterend is. Maar als je het overslaat dan is de uitkomst voorspelbaar: het Blok verliest de volgende verkiezingen, maar binnen enkele jaren zitten we hier weer, over onze baarden wrijvend en ons afvragend hoe we extreem rechts gaan blokkeren. Deze beweging moet dan ook, als lobby, meer druk op de politieke partijen nastreven. Als meest effectieve anti-rechtse campagne moet ze haar gezag hanteren om de partijen voeding te geven en te dwingen op te schuiven in haar richting. Ze moet, met andere woorden, haar rol als lobby uit het middenveld ernstig nemen, en ook hier niet teveel schuchterheid betonen. Het middenveld is er niet om te volgen, om applaus te voorzien, of om als excuus voor beleid op te treden. Het middenveld moet een woelwater zijn, een ontevreden klant, een vechtmachine waarmee men rekening moet houden. Zoniet is er geen democratie.

—————

[1] Deze campagne ging uit van de organisatie Kunst en Democratie en werd opgestart in 2001.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s