Over Henk Meert, sociaal zijn en sociaal bewustzijn

Henk Meert

Jan Blommaert 

Een Hommage aan een vriend en collega, geschreven na zijn plotse overlijden in 2008.

Sinds Marx zijn befaamde woorden schreef over sociaal zijn en sociaal bewustzijn is er een wereld opengegaan van materialistische vraagstukken en onderzoek over de menselijke samenleving. Sommigen hebben een beter kompas dan anderen voor die wereld, een kompas dat scherper is afgesteld en precieser trajecten aangeeft. Terwijl anderen moeizaam van het ene punt naar het andere strompelen, lopen sommigen haarscherp in de juiste richting. Soms kruisen die twee mekaar, en als de strompelaar dan al wat verstand in het hoofd heeft, volgt hij degene met het betere kompas. De dag dat ik begon samen te werken met Henk Meert en zijn team had ik het gevoel dat ik zo’n strompelaar was, dat ik alles te leren had wanneer ik hen zou volgen, en dat mijn eigen gevoel voor oriëntatie en richting daar goed bij zou varen. De dag dat hij overleed had ik het gevoel dat ik uit koers geslagen was en dat het me veel moeite zou kosten om de juiste richting weer terug te vinden. Wat volgt zijn dan ook de beschouwingen van iemand die net dingen aan het leren was, maar nog lang niet geleerd was. Ik wil een verslag doen van wat ik heb geleerd van Henk Meert, en hoe dat een effect heeft gehad op mijn denken over een hele reeks thema’s.

De ruimte en de stad

Ik was niet helemaal een onbeschreven blad. Ik had (helaas! – als één der weinigen) Barsten in België van de Mort Subitegroep gelezen, en was er danig van onder de indruk.[1] Ik had ook La Production de L’Espace van Lefebvre doorploegd, en kon dus geen volstrekte onwetendheid inzake sociale geografie meer aanroepen.[2] Bovendien was er binnen de antropologie al geruime tijd een hernieuwde belangstelling voor ruimtelijkheid als een productief en agentief gegeven, en had ik via Piet Saey kennis genomen van Wallerstein’s Wereld-Systeem theorie.[3] Maar in mijn eigen werk was er, ondanks een fascinatie voor stedelijkheid, nauwelijks enig gesofistikeerd denkwerk inzake ruimte te bespeuren. Ik was ontevreden met de vaak erg vage manier waarop in postmoderne hoek werd gepraat over stedelijkheid, en vond ook de doorsnee antropologische discusies over ruimtelijkheid vaag en analytisch weinig belovend.

Een eerste beginsel waarmee ik dus in het reine moest komen was dat van ruimte als een productief en agentief gegeven. Even schetsen waar ik vandaan kwam. Binnen de sociolinguïstiek (mijn natuurlijke habitat) is er een lange traditie van geografische studie: de dialectologie. Kort gesteld komt het daarop neer dat taalvarianten (dialecten) in een geografische, vlakke distributie worden gezien. De dialectkaart is daarvan een typisch voorbeeld: dialecten worden gesitueerd binnen een bepaalde ruimte (een ‘streek’ zoals het Meetjesland of Zuid-Oost Brabant), en het ene dialect houdt op waar het andere begint, zij het dat er vaak overgangszones optreden (zogeheten ‘dialectcontinua’). Er was, daarnaast, flink wat werk over taalvariatie dat niet ruimtelijk te werk ging maar gewoon langsheen sociale parameters liep: mannentaal versus vrouwentaal, jongerentaal, professionele jargons, sociale klasse-varianten, ethnische varianten en zo meer. De spanningen tussen beide tradities laten zich raden. De dialectgeografische traditie hield nauwelijks rekening met de sociale diacritica van taalvariatie, terwijl de sociale studies nauwelijks rekening hielden met de ruimte waarin sociale taalverschillen optraden. In beide gevallen zien we een probleem met de conceptuele verbeelding van ruimte. Het is een vlak en ‘leeg’ gegeven in de eerste traditie, en een abstract, ‘leeg’ canvas waartegen zich sociale verschillen aftekenen in het tweede.

Dat beide diacritica – ruimte en sociale verschillen – opereren binnen eenzelfde realiteit ligt voor de hand maar rond dit thema was (verbazend genoeg) nauwelijks enige taal-gerelateerde theorievorming. En hier komt een sociaal-geografische insteek die ik van bijzonder groot belang vond: we zien ruimte als een horizontaal en verticaal gegeven, als een (geografisch) bepaalde fysieke ruimte die distributie organiseert, gekoppeld aan een (sociale) ruimte van menselijke acties die stratificatie organiseert. Als we dit nu op taalvariatie projecteren dan zien we dat taalvarianten zowel gedistribueerd als gestratifieerd zijn: ze verschijnen in een bepaalde fysieke ruimte, en daarbinnen in een sociale stratigrafie. In het Meetjesland spreekt niet iedereen het dialect van het Meetjesland; dialectgebruik zal ‘kernen’ hebben (bijvoorbeeld de plattelandsbevolking van 60 jaar of ouder), en zal dus sociaal in een niche zitten. Rond die niche vindt men allerhande andere niches waarin andere taalnormen heersen, en het begrijpen van een dergelijk gestratifieerd sociolinguïstisch systeem leidt ons naar de kern van het sociale systeem. Het feit dat de kinderen van die dialectsprekers, bijvoorbeeld, niet langer meer het ‘pure’ dialect spreken, maar eerder een ‘tussentaal’ waarin het dialect-accent gemengd wordt met Gentse klanken, AN-uitdrukkingen en geglobaliseerde uitdrukkingen zoals ‘cool’, ‘yes’, of ‘fuck you’, kan verband houden met herschalingsfenomenen die het Meetjesland ‘opentrekken’ naar een ruimer sociaal en cultureel niveau en daarbinnen allerhande trans-lokale netwerken en invloeden definiëren.[4] We krijgen zo simpelweg een betere, slagkrachtiger en precieser (dus realistischer) sociolinguïstische analyse.

We verkrijgen zo’n analyse door een verandering in onze conceptualisering van ruimte. Ruimte is niet langer leeg en neutraal, maar een ruimte die al vol is, vol sociale, economische, culturele en politieke gegevens, en waarbinnen specifieke fenomenen optreden onder invloed van die ‘volle’ ruimte. Er is geen enkele neutrale ruimte, geen enkel sociaal niemandsland. Elke ruimte is iemands ruimte (of kan bliksemsnel iemands ruimte worden, zoals wanneer een groep schoolkinderen na schooltijd een bushalte inpalmt), en alles wat die ruimte doorkruist moet daar rekening mee houden. Taal is wat dat betreft een buitengewoon gevoelig gegeven. Als geglobaliseerde elementen zoals ‘fuck you’ een sociale ruimte doorkruisen is er een beïnvloeding langs weerszijden. De lokale sprekers nemen de uitdrukking op in hun repertoire, maar ze passen die aan aan hun reeds bestaande codes en taalvarianten – en ‘fuck you’ klinkt dus anders in de mond van Brugse, Antwerpse en Hasseltse jongeren. Dit betekent uiteraard dat ruimte gepolitiseerd wordt (een ander belangrijk punt dat ik oppikte uit de sociale geografie van Henk Meert), en dat ruimtelijke conflicten best als machts- en ongelijkheidsconflicten kunnen geïnterpreteerd worden. Complexe ruimten – de hedendaagse stad is vanzelfsprekend het schoolvoorbeeld – zijn ruimten waarin die permanente politieke meerkamp nadrukkelijk aanwezig is. De fenomenen van ‘zonering’ die sociaal-economische dynamieken zoals dakloosheid en armoede domineren, treden net zo goed op in sociolinguïstische gevallen. Het Engels dat in Zuid-Afrikaanse arme townships aan leerlingen wordt geleerd heeft een stigmatiserend zwart en onderklasse-accent dat afwijkt van het ‘upper-class’ en blanke accent dat enkele kilometers verder in een blanke middenklasse school wordt aangeleerd. Het sociale kapitaal van deze kinderen wordt dus net zozeer door hun ruimtelijke plaatsing aangetast als hun harde economische kapitaal.[5] De sociaal-geografische structurering van grote urbane gebieden, in Zuid-Afrika zowel als elders, reflecteert zich ook in de ‘softe’ sectoren van het bestaan.

De intensiteit van ruimtelijke conflicten in complexe urbane omgevingen stelt z’n eigen conceptuele problemen. In postmoderne literatuur worden dergelijke spanningen gezien als de afwezigheid van orde en structuur, als vormen van versnippering en chaos. Dergelijke vertogen van ordeloosheid stonden haaks op mijn eigen onderzoekservaringen, waarin ik, in tegenstelling tot postmoderne onderzoekers, vaak tot de bevinding kwam dat postmoderne fenomenen zeer vaak een ouderwetse modernistische reactie uitlokken. Globalisatiefenomenen zoals de nieuwe migratiegolf van na 1991, bijvoorbeeld, worden beantwoord met maatregelen die steevast de nadruk leggen op éénduidigheid, homogeniteit en uniformiteit. Als we binnen de academische actieradius van Henk Meert blijven kan de Wooncode van Vlaams Minister Marino Keulen als een schoolvoorbeeld gelden: de toestroom van anderstalige nieuwe migranten naar de goedkope (en krappe) sociale huisvestingsmarkt wordt gezien als een probleem van ‘leefbaarheid’, en als oplossing stelt de Minister een taalkundige homogenisering van dergelijke woonomgevingen voor. De anderstaligen moeten maar Nederlands leren, dan zullen die woonomgevingen van weeromstuit spontaan leefbaarder worden. Dergelijke oer-modernistische antwoorden zijn legio wanneer we naar globalisatiefenomenen kijken. Van chaos of versnippering – men kan dit even goed een diversiteitsparadigma noemen – is geen sprake; we zien een verhoogde nadruk op de nationale orde, op uniformisering en homogenisering van de steeds diverser wordende bevolkingen in onze samenleving. Chaos of versnippering zijn dan ook absoluut geen afdoende conceptuele instrumenten voor een analyse van de complexiteit van dergelijke sociale fenomenen.

De notie van polycentriciteit biedt wat dat betreft heel wat betere kansen. In de sociale geografie staat polycentriciteit (of ‘polynucleation’) voor de aanwezigheid, het belang en de interactie tussen diverse centra. In een stad kan men zo een administratief centrum hebben, een commercieel centrum, een financieel centrum, evenals aparte centra voor vrouwen, bejaarden, jongeren, bepaalde sociale klassen en groepen.[6] Menselijke acties verbinden dergelijke centra en scheppen zo bepaalde trajecten doorheen de stad. Polycentriciteit treedt op op diverse schaalniveaus, en het was het inzicht dat centra en schaalniveaus best in verband worden gezien met mekaar dat bij mij een heel leerproces op gang trok. Ten eerste besefte ik dat het begrip polycentriciteit ook een algemene metafoor kon bieden voor menselijke socioculturele organisatie, en ten tweede begreep ik dat de fractaliteit van dergelijke organisatie (het feit dat dezelfde onderscheiden optreden op diverse schaalniveaus, bijvoorbeeld het onderscheid tussen centrum en periferie) centraal was in het begrijpen van die organisatie. Wat betreft het eerste punt, ik begreep dat men ook de organisatie van ‘normen’ in een sociaal systeem kon zien als een polycentrisch systeem. We gedragen ons heel anders tegenover een tramconducteur dan tegenover onze moeders of kinderen, en hierin is bijzonder weinig willekeur te merken: we kunnen met een tramconducteur niet op dezelfde wijze omgaan als met onze kinderen, en omgekeerd. We gebruiken heel andere manieren van spreken, van tekens geven, we kiezen zelfs vaak een andere taal of taalvariant voor beiden, en dat hoort zo te zijn, dit is een normatief gegeven. We bewegen ons doorheen onze complexe sociale wereld niet met één batterij aan normen en routines, maar met een heel register aan normen en routines, die we op niet-willekeurige wijze – dat wil zeggen, geordend – hanteren. Elk van ons is een sociale en culturele kameleon, en moet dit zijn. En noteer dat dit niet betekent dat elk van ons een ‘gefragmenteerd subject’ is in de zin van Žižek of Deleuze, en evenmin dat dit een ‘chaotisch subject’ is. Integendeel, dit subject is uiterst gestructureerd, zij het (en hierin zit de post-structuralistische toets) dat het om een veelvoud aan structuurvormen gaat. We weten als subject doorgaans verdomd goed hoe we met wie dan ook uit onze omgeving moeten omgaan, en hoe we daarin constant moeten verschuiven van één normatief gedragspatroon naar een ander (wat Goffman ‘shifts in footing’ noemde). We weten bijvoorbeeld dat we dialect kunnen praten met moeder, maar niet met een VRT journalist of de leerkracht Nederlands; we weten dat we tegen goeie vrienden krachttermen kunnen gebruiken en ‘onverzorgd’ mogen praten, maar dat er op het werk best heel andere normen kunnen gelden – we weten verbazingwekkend goed wanneer de sociale kameleon van kleur moet veranderen.

Polycentriciteit betekent in die zin dat elk van ons, als sociaal wezen (en als essentie van dat sociale), zich oriënteert naar heel uiteenlopende ‘centra’ van normativiteit – het gezin, de buurt, de school, het werk, de ruimere sociale omgeving, de media, rolmodellen, noem maar op – en dat deze meervoudige oriëntatie een vorm van sociale orde is (van structuur, met andere woorden). Dat brengt me bij het tweede punt van hierboven. Die centra bevinden zich zelden op gelijke hoogte (en dus in concurrentie, of in een relatie van inwisselbaatheid) met mekaar, maar moeten gesitueerd worden op andere schaalniveaus. Er is in de regel geen concurrentie tussen de gezinssfeer en de werksfeer: zoals hierboven al aangegeven kan met tegen z’n baas niet praten zoals tegen z’n kinderen (en omgekeerd). Gezin en werk bevinden zich op verschillende niveaus, en terwijl men op het gezinsniveau heel idiosyncratisch tewerk kan gaan (men kan, bijvoorbeeld, naakt rondlopen in eigen huis) gelden er meer algemene regels en normen op de hogere schaalniveaus. Dit is de reden waarom men een ‘verstijving’ ziet van het taalgebruik naarmate men hogere schaalniveaus in de samenleving binnengaat – denk aan het taalgebruik van de politie, de rechtbanken, de notarissen, het Parlement, maar ook de regels die gelden tijdens vergaderingen, kerkdiensten, lezingen en lessen bijvoorbeeld. Op dit alles zit best wat rek – er is altijd ruimte voor variatie en creativiteit, en dat bepaalt dat bepaalde mensen doorgaan voor een ‘vlotte’ baas of een ‘toffe’ leerkracht. Maar al bij al gaat het om relatief duurzame en stabiele patronen van normativiteit, die zelden revolutionair worden veranderd.

Op die manier begon ik een stedelijke sociolinguïstiek te zien, die rekening houdt met horizontale en verticale ruimtelijkheid en uitgaat van een model van polycentriciteit op diverse schaalniveaus. Het lexicon dat daaruit ontstaat is zonder twijfel een stuk duidelijker en vertrouwder voor sociaal-geografen dan voor taalkundigen en antropologen, maar het bevalt me. Het geeft me immers een theoretische fundering die het sociale zijn van Marx verheldert, en me toelaat vanuit een begrip van dit sociale zijn naar sociaal bewustzijn te kijken. Het gaf me een materialistische sociale theorie van structuur, die niet in de vereenvoudigingen van het structuralisme trapt en evenmin in de antithese van postmoderne vertogen vervalt, maar structuur binnen de fragmentatie en complexiteit blijft zien. Henk Meert fungeerde in dit alles als mijn roerganger. Hij reikte me de basismetaforen aan die mijn verbeelding prikkelden en mijn denken vergemakkelijkten. En hij stuurde me natuurlijk bij telkens wanneer ik op drift dreigde te slaan – mijn kompas was nog lang niet scherp afgesteld.

Sociaal bewustzijn

Ik voerde met Henk Meert en zijn team twee grote projecten uit, allebei in opdracht van Federaal Wetenschapsbeleid. Het eerste project liep tussen 2002 en 2003 en behandelde de attituden van Vlamingen tegenover opvangcentra voor asielzoekers. Het tweede liep van 2003 tot 2004 en betrof solidariteitspraktijken in Brussel in drie domeinen: huisvesting, migratie en veiligheid.[7] Ik reken beide projecten tot de meest creatieve en stimulerende ondernemingen die ik ooit heb aangepakt; allebei waren ze uiterst rijke leeromgevingen. We waren in staat om met onze teams van antropologen en discours-analysten, sociaal-geografen en criminologen een echte interdisciplinariteit op te zetten. En daarmee bedoel ik: geen onderzoek waarbij de verschillende disciplines volledig intact naast mekaar blijven hangen, maar een onderzoek waarbinnen elk van die disciplines moest worden veranderd en aangepast aan de concrete interdisciplinaire behoeften van het onderzoek. Onnodig te zeggen dat Henk Meert de drijvende kracht achter beide projecten was, en dat hij zelf die interdisciplinariteit in zeer hoge mate gestalte gaf.

Beide onderzoeken koppelden ‘objectieve’ onderzoekselementen aan ‘subjectieve’ elementen. Meer bepaald: in beide onderzoeken gebruikten we de fysische ruimte, de sociaal-economische, institutionele en electorale ‘harde’ gegevens samen met ‘softe’ gegevens die we uit antropologisch-etnografisch veldwerk en discours-analytisch interview-werk vergaarden. In die zin behandelden beide projecten de spanning tussen sociaal zijn en sociaal bewustzijn. We waren bij dit alles sterk geïnspireerd door werk zoals dat van Braudel, Wallerstein, E.P. Thompson en Bourdieu, waarbij dezelfde spanning tussen materiële, ‘harde’ feiten en immateriële, culturele of discursieve feiten werd behandeld.

In beide gevallen zagen we hoe ruimtelijke zonering duidelijke effecten had op politieke en attitudinele fenomenen. In het geval van het onderzoek naar asielcentra bleek dat proximiteit tot het asielcentrum een duidelijke invloed had op de structuur en complexiteit van attituden: hoe dichter men bij het centrum woont, hoe complexer en geschakeerder het palet van attituden wordt, terwijl eerder veraf wonenden hun attituden heel sterk richten op die van opiniemakers (lokale politici, de media). We zagen ook hoe bij direct omwonenden het thema van ‘de inplanting van het asielcentrum’ uiteenviel in een hele reeks sub-thema’s, gaande van de aanwezigheid van zwerfvuil, het effect van persoonlijk contact en gevoelens van bedreiging tot en met algemene opvattingen over asielproblematiek en het vertrouwen in de politie en de autoriteiten. Bij veraf wonenden waren de attitudes homogener, en terwijl we bij direct omwonenden een sterke evolutie in de attituden zagen (van negatief tot overwegend positief en neutraal) bleven de attitudes van de veraf wonenden stabiel (overwegend negatief). Ik stip even aan dat wij ons heus niet enkel baseerden op expliciete uitspraken van mensen. We hielden ook het gedrag van die mensen in de gaten (iets wat klassiek opinie-onderzoek niet doet of kan), want attituden drukken zich vaak helderder uit in handelingen dan in woorden. Wanneer een buurtbewoner tijdens een interview beweert dat hij geen enkel onveiligheidsgevoel kent, terwijl zijn voordeur duidelijk sporen draagt van de recente installatie van een driedubbel veiligheidsslot, dan weten we dat de woorden van de ondervraagde met een korreltje zout moeten worden genomen (of dat hij zich nu, na de installatie van het veiligheidsslot, wel veilig voelt).

Dit gegeven, dat attituden tegenover grote maatschappelijke thema’s duidelijk beïnvloed worden door ruimtelijke proximiteit, is uiteraard van zeer groot methodologisch belang in een tijd die gedomineerd lijkt door opinie-onderzoeken. We zagen dat er geen abstracte, onbeïnvloede opinies bestaan, maar dat ruimte opinies produceert en gestalte geeft. Ruimte schept een andere oriëntatie tegenover maatschappelijke thema’s, en de algemene gevolgtrekking hieruit is dat er wellicht geen enkel thema bestaat dat een thema is van iedereen. Opinies inzake een thema zijn sociaal verdeeld en opgedeeld, uiterst gevoelig aan contextuele factoren. Dit gegeven lijkt evident (en Bourdieu wijdde er in Distinction prachtige bladzijden aan), maar is in dit land nauwelijks van enig gezaghebbend onderzoek bediend.[8] Een materialistische benadering van attituden en andere ideeën-fenomenen is een in ons land zeer uitzonderlijke vorm van onderzoek.[9]

In het onderzoek naar solidariteitspraktijken in Brussel kregen we een kaleidoscopische blik op de drie thema’s die we onderzochten, want we ondervroegen (en observeerden) mensen aan alle zijden van de problematiek (overheid, middenveld, direct betrokkenen). De versnippering van kennis en opvattingen binnen de groep van ondervraagden was immens, en aan de gegevens hierover zou een hele kennis-sociologische studie kunnen gewijd worden. Uit die kaleidscoop bleek evenwel hetzelfde fenomeen als datgene wat ik hierboven vermeld heb: geen enkel standpunt is het standpunt van iedereen. Terwijl de institutionele stemmen heel sterk een post-welvaartstaat ideaal uitdrukten, met individualisering, efficiëntie, kostenbeheersing en publiek-private samenwerking hoog op het prioriteitenlijstje, zagen we dat in het middenveld zowel als aan de onderkant een hele sterke loyauteit tegenover een klassiek, etisch, welvaartstaat-model werd vertolkt. Mensen in kwetsbare posities spreken over solidariteit in termen van collectieven en grote waarden – democratie, gelijkwaardigheid, menselijke integriteit – terwijl de uitvoerders van het beleid dergelijke termen ver uit de buurt houden en zich eerder in termen van management uitdrukken. Twee kanten van de medaille leverden dus twee diametraal tegenovergestelde opvattingen over solidariteit op.

We zagen daarnaast nog een ander fenomeen. We merkten uit ons onderzoek (en de stem van Henk Meert klinkt hier vanzelfsprekend erg luid) dat huisvesting de kritieke schakel was in een ketting die onze drie deelthemata (huisvesting, migratie en veiligheid) met elkaar verbond. En die verbinding heeft de naam ‘overlast’, iets wat de criminologen in ons onderzoeksteam (Kristel Beyens en Kristof Verfaillie) sterk aantrok. Het zit zo. Nieuwe migranten belanden in een zeer precaire positie op de huisvestingsmarkt. In Brussel is er al geen overaanbod aan betaalbare woningen, en ook de daklozen-opvang staat onder zeer zware druk en ziet zich genoodzaakt ‘niet subsidieerbare’ klanten af te wijzen. Concreet: de illegale migrant in Brussel moet ofwel bijzonder veel geld neertellen voor een dak boven het hoofd (met alle risico’s vandien: financiële gijzeling, arbeidsexploitatie, en zo meer), ofwel worden ze dakloos. Op die manier belanden ze op de straat, waar ze een geval worden van ‘overlast’, dat niet door welzijnsorganisaties wordt aangepakt maar door de politie. Het gaat hier om een klassiek geval van la pénalisation du social, waarbij maatschappelijk zeer kwetsbare groepen in het domein van het veiligheidsbeleid belanden omdat het solidariteits-vangnet tekort schiet. Hoe meer men de solidariteitsvoorzieningen afbouwt, hoe groter de overlastproblematiek dreigt te worden: dat was de niet bepaald optimistische slotsom van ons onderzoek. Ook hier zagen we – pijnlijk – hoe ruimtelijke plaatsing van mensen hen als sociale categorie gaat definiëren en determineren, alsook hoe dit dan in allerhande beleids- en expertenvertogen wordt vertaald.[10] We begonnen te begrijpen hoe de kloof tussen burger en beleid er in werkelijkheid uit ziet en hoe de ruimtelijke plaatsing van mensen – hun objectieve positie in de ruimte – gevangen wordt in een escalerend patroon van vertogen en maatregelen, zoals gezegd voldoende voor een voldragen kennis-sociologische studie op zichzelf.[11]

Beide onderzoeken zijn door het overlijden van Henk nog onvoldoende geconverteerd in publicaties en opvolg-onderzoeken. Maar terwijl we eraan werkten hadden we het gevoel dat we met iets relevants bezig waren: met onderzoek dat theoretisch en empirisch een band sloeg tussen materialiteit en immaterialiteit, tussen feiten en gedachten, tussen ‘harde’ en ‘zachte’ kanten van de menselijke ervaring, en tussen ‘macro’ en ‘micro’ dimensies van menselijke handeling. Voor mezelf zag ik hierin het begin van de realisatie van een intellectuele droom: onderzoeksmatig gestalte te geven aan Marx z’n befaamde woorden, die ikzelf als een programma en opdracht had geformuleerd voor mijn eigen werk. Ik weet dat ook in Henk Meerts werk deze onderzoeken een theoretisch keerpunt vormden, en dat hij het zelfde spoor volgde. Er waren in zijn eerder werk echter al talloze elementen aanwezig die een diepere en rijkere synthese zouden hebben vergemakkelijkt, en we kunnen enkel hopen dat anderen die ideeënrijkdom verder zullen oppikken en ontwikkelen.

[1] Mort Subite (1990) Barsten in België : Een geografie van de Belgische Maatschappij. Berchem: EPO.

[2] Henri Lefebvre (1986) La Production de L’Espace (3de editie). Paris : Anthropos.

[3] Zie bijvoorbeeld Immanuel Wallerstein (2006) World-Systems Analysis, An Introduction. Durham : Duke University Press.

[4] De geologische metafoor, zo nadrukkelijk aanwezig in het werk van Meert, is dus ook van toepassing op sociolinguïstische fenomenen.

[5] Zie Jan Blommaert, Marieke Huysmans, Nathalie Muyllaert en Charlyn Dyers (2005) Peripheral normativity: Literacy and the production of locality in a South African Township school. Linguistics and Education 16: 378-403

[6] Zie bijvoorbeeld John B. Parr (2007) Spatial definitions of the city: Four perspectives. Urban Studies 44/2: 381-392.

[7] Zie Henk Meert, Jan Blommaert, Karen Stuyck, Katleen Peleman en Anke Dewilde (2004) Van Balen tot Onthalen: De geografische en discursieve dimensie van attitudes tegenover asielzoekers, Casestudies uit Vlaanderen en Brussel. Gent: Academia Press. Jan Blommaert, Kristel Beyens, Henk Meert, Sarah Hillewaert, Kristof Verfaillie, Karen Stuyck en Anke Dewilde (2005) Grenzen aan de Solidariteit? Formele en informele patronen van solidariteit in het domein van migratie, huisvesting en veiligheid. Gent: Academia Press. Uit beide projecten zijn tevens een hele reeks andere publicaties voortgekomen.

[8] Pierre Bourdieu (1979) Distinction. Paris: Minuit.

[9] Ons onderzoek liep hand aan hand met een klassiek opinie-onderzoek naar dezelfde thematiek, eveneens uitgevoerd in opdracht van Federaal Wetenschapsbeleid. Beide teams werkten in eenzelfde tijdskader rond dezelfde vraagstukken. De conclusies van dat spiegel-onderzoek waren echter in verregaande mate afwijkend van de onze, hetgeen de methodologische relativiteit van opinie-onderzoek onderstreept en dus een hele hoop fundamentele vragen oproept. Zie K. Meireman et al (2004) Tussen Aanvaarding en Weerstand: Een sociologisch onderzoek naar houdingen tegenover asiel, opvang en migratie. Gent: Academia Press.

[10] Zie voor dit laatste punt : Kristof Verfaillie, Kristel Beyens, Jan Blommaert, Henk Meert en Karen Stuyck (2007) De ‘overlastmythe’ : Het geïnstitutionaliseerd onvermogen om constructief om te gaan met samenlevingsproblemen. Panopticon 28/3: 6-20.

[11] Men moet er in dit verband maar eens het hoofdstuk over veiligheid en overlast (Blommaert et al pp185 en volgende) op naslaan. De versnippering van het veiligheidsbeleid in de door ons onderzochte site, het Brusselse Zuidstation, is adembenemend.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s