De diepe wortels van het protest

1165316a15

Jan Blommaert 

Op 5 november 2014, de vooravond van de nationale betoging, werd hier en daar hoopvol gefluisterd dat er wel eens heel erg veel volk aanwezig zou kunnen zijn – 80.000 man, zo werd gezegd. Een ongelooflijk aantal dat de vakbonden, die hadden opgeroepen tot de betoging, een ferm mandaat zouden geven.

De volgende ochtend en voormiddag zakten veel meer mensen af naar Brussel. Men stopte de tellers op een goeie 120.000 – zo’n 50% hoger dan de meest optimistische prognose – terwijl men wist dat op diverse plaatsen in het land nog duizenden mensen heldhaftige pogingen ondernamen om tot in Brussel te raken. De betoging moest zo’n 45 minuten vroeger vertrekken dan voorzien om de gigantische volkstoeloop aan het Noordstation wat te draineren. De betoging zelf was een verbluffend amalgaam van zowat iedereen: van scholieren tot bejaarden, van geharde syndicalist tot tenderfoot betoger, met kunstenaars, sans-papiers, zorgwerkers, leerkrachten, huisvrouwen, allochtone jongeren, kleine zelfstandigen, de Gezinsbond en jeugdbewegingen in grote groepen en wat onwennig in het midden van de stoet. Elke actie van Hart boven Hard die sindsdien plaatsgreep vertoonde hetzelfde patroon: er komt veel meer volk op af dan men verwacht, en het volk dat afkomt laat zich niet makkelijk omschrijven vanwege z’n extreme diversiteit.

Hoe kan dat nu? We leven in een tijd van politieke onverschilligheid en een cultuur die als individualistisch wordt omschreven, met een media die sinds heel vroeg dit jaar de kaart van deze regering trok en dus niet uitblinkt in kritische journalistiek, en met een publieke ruimte die sterk gesurveilleerd en gecontroleerd wordt. Hoe kan het dat ongebonden mensen bij honderden en duizenden de straat optrekken en hun protest laten horen?

Wie her en der wat praat met die ongebonden mensen hoort om de haverklap dezelfde uitspraken: ‘dit is erover’, ‘dit is onrechtvaardig’, ‘onze kinderen gaan afzien’. We horen voortdurend verwijzingen, niet naar ferm gearticuleerde politieke standpunten maar naar fundamentele zaken zoals rechtvaardigheid en menselijke autonomie – vrijheid, zo U wil.

Rechtvaardigheid

De mensen die komen betogen lijken het in grote trekken eens te zijn met het beginsel dat ‘er moet bespaard worden’. Dat geldt ook voor de vakbonden; wie suggereert dat het protest tegen Michel I en Bourgeois I een zucht naar de status-quo weergeeft, die liegt. De indexsprong is grotendeels aan boord gehesen, en ook tegen de besparingen in allerhande sectoren – minder krijgen, meer betalen – hoort men merkwaardig weinig heftig verzet an sich. Het verzet tegen dat soort maatregelen wordt telkens weer gecontextualiseerd. Ja, wij willen besparen en inleveren, maar enkel indien ook de fat cats mee inleveren. Het is op dat punt dat de regeringen een heel slechte beurt maken: de eenzijdigheid van de besparingen, die de 1% niet enkel ontziet maar nog verder met subsidies smeert, met geld onttrokken aan de inkomens van de 99%. Fiscale en sociale rechtvaardigheid is het grote thema hier, en ik heb er in het verleden al vaak op gewezen dat net in een tijd van besparingen en austeriteit het motief van de sociale rechtvaardigheid spectaculair in belang toeneemt.

De argumenten die men hierbij uit de mond van betogers hoort zijn behoorlijk waterdicht. Als Van Overtvelt beweert dat de indexsprong 66.000 nieuwe jobs gaat opleveren, hoeveel jobs zou een vermogensbelasting dan opleveren? En de afschaffing van de notionele interest-aftrek? Zouden we niet snel uit deze crisis raken indien de sterkste schouders effectief de zwaarste lasten zouden dragen? En wanneer de fiscale gunstregimes en kunstgrepen van de rijken snel afgebouwd zouden worden, hoe zou onze ‘crisis’ er dan uitzien? Een familie die een miljard aan fortuin heeft wordt niet meteen arm wanneer ze daar via normale aanslagvoeten op belast worden, nietwaar? Een gepensioneerde die na een leven van arbeid 1100 Euro per maand ontvangt en daarvan 150 Euro moet inleveren, daarentegen, belandt meteen op de armoedegrens, zeker wanneer de remgelden van artsen en andere zorgverstrekkers stijgen, samen met de tarieven van elektriciteit en openbaar vervoer.

De bescherming van de ‘hardwerkende, sparende en ondernemende’ middenklasse die zowel N-VA, Open VLD als CD&V tijdens de verkiezingen als lokroep naar het electoraal gebruikten blijkt in realiteit een aanslag te zijn op de hele samenleving, met uitzondering van de heel vermogenden. De verlaging van de loonkosten gaat daardoor niet ten voordele van de kapper, de kruidenier of de garagehouder; ze gaat rechtstreeks in de winstbalansen van ondernemingen en zo in de dividenden aan de aandeelhouders – die veel meer dan ooit de kunstensector de echte ‘subsidieslurpers’ in dit land blijken te zijn. Ons belastinggeld, met moeite verdiend en afgeroomd door de besparingsoefeningen, vloeit rechtstreeks naar de grote fortuinen.

Mensen snappen dit mechanisme, en het is tegen die groteske onrechtvaardigheid dat nu ook de lagere middenklassers protesteren. Zij begrijpen nu dat ze als campagnethema gebruikt zijn om de belangen van een heel andere klasse van mensen te behartigen. En zowel deze heel vermogende klasse als de regering die ze zich hebben aangekocht maken daarover zelfs geen geheim – ze staan zo ver van de werkelijke wereld af dat ze echt lijken te menen dat dit deugdelijk bestuur is, en Charles Michel vond het dan ook vanzelfsprekend dat zijn allereerste publieke optreden als Premier in Vlaanderen er eentje was naast Bart De Wever voor de VOKA-bonzen in Antwerpen, zijn echte electoraat en het enige publiek van wie hij nog applaus krijgt. Dezelfde dag besliste het Antwerpse stadsbestuur een dodelijke belasting op te leggen aan de ‘imagoverlagende’ ondernemingen van kleine zelfstandigen die nachtwinkeltjes en dergelijke uitbaten. De vrienden en vijanden zijn zo heel duidelijk afgebakend.

Ze denken dat mensen dit aanvaarden; die mensen hebben hen immers ‘democratisch verkozen’. Niet dus. Telkens er een nieuwe maatregel wordt afgekondigd of een andere onbespreekbaar wordt verklaard – de bedrijfswagens bijvoorbeeld, of zelfs de keuze voor nucleaire centrales – tikt de teller van het protest verder en krijgen we meer mensen op straat. Die mensen hebben geen kleur en hoeven er geen, want hun rechtvaardigheidsgevoel is zowel rood als groen of blauw. In sommige gevallen is het zelfs geelzwart. En zo smeedt deze regering ongewild, en dankzij een werkelijk idioot regeerprogramma en een verbijsterend domme communicatiestrategie, een steeds enormer coalitie van mensen van alle slag als tegenstrever.

En die tegenstrever is allang niet meer akkoord met kleine technische details als aanpassing aan de austeriteitsplannen: ze wil voor haar eigen inspanningen een zeer forse compensatie vanwege de rijken. Dit stond en staat uiteraard niet op de agenda van de regeringen. Maar hoe langer deze regeringen dit thema als onbespreekbaar blijven verklaren, hoe radicaler de eis daarvoor klinkt. En zo zal de anti-socialistische regering uiteindelijk weinig anders kunnen doen dan wat socialisten nooit hebben gedaan: een stevige vermogenstaks, het afsluiten van de fiscale lekken naar Luxemburg en de Kaaiman Eilanden, het beteugelen van de diamantfraude en het belasten van bedrijfswagens. Ziehier de kracht van verandering. Ze komt van onderuit.

Vrijheid

Er is nog een ander zeer fundamenteel argument dat heel veel ongebonden mensen op de been brengt: het dreigende verlies van autonomie dat ze voelen aankomen als mens en als werker. Deze regering neemt zich voor – en dit noemen ze niets minder dan een revolutie – om de arbeidsmarkt grondig te herschikken. We worden allemaal veredelde interim-arbeiders binnen een model dat de EU, met een beest van een eufemisme, flexicurity noemt. Er is enkel ‘job security’ wanneer we maximaal ‘flexibel’ zijn en ons telkens weer gewillig aanpassen aan de nooit ophoudende eisen van de werkgever.

De voorstanders van flexicurity (VOKA dus, alweer) zien in hun euforie een paar zaken over het hoofd. Ten eerste: dat mensen goed door hebben dat flexicurity een jeu de dupe is dat enkel voordelen inhoudt voor de werkgever, en geen voor de werknemer. Soepeler afdankingsmodaliteiten, contracten die niets meer voorstellen, de toename van bindende evaluaties, de afbouw van barema’s en anciënniteit in de loonvorming, de privatisering van bij- en herscholing: niets van dat alles heeft ook maar het geringste voordeel-op-termijn voor gesalarieerden, terwijl het nog meer macht toeschuift naar de werkgever, die nu met z’n loon niet enkel een aantal uren arbeid koopt, maar een hele persoon en een heel leven in handen krijgt. De finaliteit ervan is niet het verhogen van de levenskwaliteit van de werknemer, en evenmin een versterking van de samenleving in haar geheel. Het is simpelweg alweer een systeem dat enkel de 1% nieuwe en gigantische privileges schenkt.

Ten tweede: voor heel veel mensen is jobzekerheid een absoluut centraal element in datgene wat ze als hun ‘vrijheid’ ervaren. Het is door jobzekerheid dat ze zich als consument kunnen ontwikkelen, een lange-termijnplanning voor hun leven en hun kroost kunnen ontwikkelen – de aankoop van vastgoed, het aanleggen van spaargeld, de hoop op voortgezette studies en een mooie loopbaan voor de kinderen. Zeer grote delen van wat men als een ‘goed leven’ omschrijft en ervaart is geconditioneerd door een ononderbroken loopbaan-in-arbeid, met inkomens die over een langere termijn kunnen gepland worden, en met een levensstijl en levensstandaard die daarmee de pas houden. Het zijn deze zaken die mensen als hun autonomie ervaren – dingen die ze zelf beslissen en zelf vorm geven zonder dat ze daarvoor de toestemming van anderen moeten krijgen, laat staan erom moeten bedelen.

De ‘revolutie’ die deze regering zo enthousiast in het rond kraait is een rechtstreekse aanval op de kern van deze sociale cultuur. Ja, misschien hebben we het nu nog goed, maar de toekomst voorspelt niets goeds meer, zeker niet voor onze kinderen. Het wegvallen van deze zekerheid inzake de toekomst – de ‘vrijheid’ van mensen waarmee ze hun eigen leven vorm geven – treft hen dus, net als rechtvaardigheid, in het hart van hun belangen en waarden. Ook hier heeft deze regering haar hand op een idiote manier overspeeld. En ook hier geeft ze blijkt van een enorm sociaal isolement: wie enkel met de 1% praat begint na een tijdje de meest absurde dingen vanzelfsprekend te vinden.

Geen kattenpis

Het zijn deze dingen die ervoor hebben gezorgd dat het sociaal protest tegen de Regeringen-De Wever veel ruimer is dan men denkt. Het protest kan al lang niet meer voorgesteld worden als getrokken door de Walen – een enorme tegenvaller voor N-VA – of door de vakbonden. Schemaatjes waarin men de drang naar voor van de regering contrasteert met de behoudsgezindheid van de vakbonden (en hun zogenaamde ‘privileges’) worden gewoon weggelachen. Het protest zal dan ook niet ophouden wanneer de regering een akkoord sluit met de vakbonden. Want de vakbonden zijn slechts een deel van de beweging.

En ook hier zien we radicalisering. Hoe langer het protest duurt, hoe ruimer de agenda ervan wordt. Het dwaze liedje ‘er is geen alternatief’ is al dozijnen keren weerlegd, want over zowat elk aspect van het beleid krijgt men fundamenteel alternatief denkwerk vanuit de beweging. Duurzaamheid, milieu, peer-to-peer economie, consumptiebeperking, armoedebestrijding, migratie, sociale huisvesting, gezondheid, de-privatisering van nutsvoorzieningen – noem maar op: het circuleert allemaal met grote heftigheid en met tonnen creativiteit in de protestbeweging. En het ligt daardoor ook netjes op het bordje van De Wever en zijn junta. Want tenzij het samenlevingsmodel wordt aangepakt, en grondig wordt aangepakt, zal de protestbeweging haar wapens niet neerleggen.

Een extremistische regering heeft op die manier, tegen alle prognoses van de spindoctors in, een radicalisering in haar samenleving veroorzaakt. Haar extremisme komt als een boemerang terug op haar af, met steeds grotere snelheid en kracht. Het deuntje dat de protestbeweging geen ‘respect voor de democratie’ heeft wordt op hoongelach onthaald, want van een democratische regering verwacht men dat ze voor meer dan slechts 1% van de bevolking rijdt. Als die ‘democratische’ regering nog enige legitimiteit wil behouden zal ze dan ook, paradoxaal, een veel verdergaande ‘revolutie’ in haar samenleving moeten realiseren. Een sociale en herverdelende revolutie, die een crisis niet beantwoordt met een massale verarmingsoperatie voor de meerderheid en de marginalisering van steeds grotere aantallen burgers,  maar precies rekening houdt met het primaat van de sociale rechtvaardigheid en de vraag naar autonomie van de mensen. Om het met de woorden van een N-VA senator te zeggen: dat is dus geen kattenpis.

Doet ze dat niet, dan zal ze zich binnen een goed jaar of wat geconfronteerd zien met een democratische volksbeweging die radicaal komaf zal maken met alles waar ze voor staat, en wel degelijk een alternatief zal voortstellen. Sic transit….

Links

https://jmeblommaert.wordpress.com/2014/11/07/de-post-betoging-blues/

https://jmeblommaert.wordpress.com/2014/11/21/de-360-werkkracht/

https://jmeblommaert.wordpress.com/2014/12/05/de-constante-imagoverlaging-van-antwerpen/

https://jmeblommaert.wordpress.com/2014/11/25/stakingen-zijn-hinderlijk-juist/

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s