Ook dit zijn bedrijven, ook dit zijn ondernemers

Jan Blommaert

5.8 The Gujarati grocery

Het is toch vreemd hoe de betekenis van economische begrippen de afgelopen jaren blijkt samengetrokken en vernauwd te zijn tot een punt waarop ze ons nog nauwelijks over de realiteit informeren. Het woord “economie” zelf is natuurlijk het beste voorbeeld. Wie vandaag spreekt over “de economie” heeft het enkel nog over privé en for-profit bedrijven, hun aandeelhouders en hun winsten.

Een “groeiende” economie is een groei, bijgevolg, in de winsten van privé bedrijven die aan aandeelhouders worden uitgekeerd. Consumenten zijn, raar maar waar, geen deel meer van “de economie”; evenmin trouwens als de werknemers die de te verhandelen producten vervaardigen – merkwaardig genoeg lijken zij geen “welvaart te scheppen” en eerder een last voor dan een noodzakelijk onderdeel van de economische processen te zijn. En vanzelfsprekend zijn ook de nonprofit sector (de enige die een groei in tewerkstelling realiseert) en die van de overheid geen deel van “de economie”. Ook al hangen in dit land ruim 66% van de mensen voor hun inkomen af van de overheid.

Het stereotype bedrijf

We zien het zelfde beeld van betekeniscontractie wanneer we het hebben over “bedrijven” en “ondernemers”. Bedrijven zijn grote bedrijven die een klassieke bedrijfsstructuur hebben. Concreet: ze hebben een CEO. En wie is dan de “ondernemer”? Juist, die CEO, eventueel aangevuld met de leden van de Raad van Bestuur (of de “Board”, in jargon). Rond dat soort “bedrijven” en “ondernemers” heeft men een reeks stereotype eigenschappen en gedragingen gewikkeld. Bijvoorbeeld: bedrijven zijn slechts “rendabel” indien ze, op basis van geplande schema’s, een winstgroei realiseren. En CEO’s zijn mensen die in de eerste plaats “managen” en niet zelf aan de productie deelnemen; zij zijn de planners, de strategen, en zij ontvangen – geheel terecht – astronomische lonen omdat zij, blijkbaar met bovenmenselijke inspanningen gedreven door bovenmenselijke kwaliteiten en talenten, de kosten-baten structuur van het bedrijf telkens weer richting winstgroei kunnen sturen.

Google Images is een uiterst accuraat instrument om maatschappelijk sterk verspreide stereotypen te achterhalen. Wanneer je de zoekterm “bedrijf” ingeeft krijg je het volgende beeld (getiteld “bedrijf1”): DIT, beste vrienden, is “een bedrijf”.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

En wie de zoekterm “ondernemer” ingeeft, krijgt dit te zien: een klinische omgeving met prima geklede dames en heren die – kijk goed – niets doen.

ondernemer

Dat stereotype beeld zorgt ervoor dat UNIZO – het verbond van “zelfstandige ondernemers” – geleid wordt, niet door een kapper, boekhouder, of groothandelaar in kaarsen, maar door een CEO van een internationaal opererend vastgoedbedrijf dat in 2013 255 miljoen omzet draaide (een record, ondanks de crisis) en op z’n 42 miljoen winst een schamele 4,8% belastingen betaalde. Volgens de EU-definities is dit zelfs geen KMO meer. Karel Van Eetvelt, zo concludeerde ik toen ik deze feiten achterhaalde, leeft in een heel andere wereld dan de kapper, de boekhouder of de groothandelaar in kaarsen, en of hij de wereld van deze laatsten kent staat, althans bij mij, niet boven twijfel verheven.

Andere bedrijven

Men merkt dat wanneer we even kijken naar “andere” bedrijven en ondernemers. Ze zijn met vele duizenden, en ze bevolken de “commerce” van mijn buurt, Oud-Berchem. In die buurt hebben zich doorheen de afgelopen jaren talloze allochtone “ondernemers” gevestigd. Hun “bedrijven” zijn kleine kruidenierszaken, nachtwinkeltjes, internetwinkels, slagerijen, bakkerijen, snackbars, kapperszaken en reparatiewinkels voor kleine electronica en huishoudtoestellen. Een voorbeeld:

DSCN3473

De uitbaters van deze kleine ondernemingen zijn vaak ook de eigenaars ervan – ze zijn dus, in de echte zin van het woord, “ondernemers”. Hun bedrijven zijn als bedrijf geregistreerd in alle geijkte registers en ambtelijke stukken – het zijn dus echte “ondernemingen”. Wat de ondernemers betreft: ze hebben de zaak heel vaak verworven of opgebouwd door een forse investering, dikwijls middels een informele persoonlijke lening die vele malen het eigen kapitaal bedroeg. Ze hebben dus een enorm “risico” genomen, en ze blijven dat doen, want in tegenstelling tot CEO’s en andere Coucke’s is hun bedrijf vaak geen NV of PVBA die salarissen uitbetaalt. Ze zijn in die zin zelfs meer, en puurder “ondernemers” dan de captains of industry die het discours van UNIZO beheersen (en die in wezen overbetaalde bedienden zijn).

Ze doen trouwens doorgaans ook niet enkel het “management” van hun bedrijf: ze doen het werk in de zaak en kloppen dus vele en lange uren vol veelal manuele arbeid. Als ondernemer zijn ze uiterst flexibel en vernuftig. Het is in mijn buurt helemaal niet opvallend dat een devoot Moslim die een nachtwinkel uitbaat in diezelfde winkel uiterst “haram” zaken zoals vodka en bier verkoopt – er is een vraag, uitgaande, bijvoorbeeld, van een grote groep Poolse bouwvakkers in de buurt, en dus moet er een aanbod komen. Die flexibiliteit laat overigens ook zien dat ze een grote kennis en deskundigheid bezitten in de bedrijfsvoering. Waar vindt men, als Moslim, alle mogelijke merken Poolse vodka? En hoe krijgt men ze aan een aanneemlijke prijs in de winkelrekken? Ze beschikken over netwerken, contacten en aanvoerders, en zijn in staat zeer snel in te spelen op de markt en dus te verschuiven van één leverancier naar een andere. Goed en efficiënt management, zou ik zeggen.

Hun bedrijf stelt doorgaans ook andere familieleden tewerk. De echtgenote staat in de regel mee aan de kassa; de kinderen en eventuele andere verwanten helpen bij het laden en lossen van bestelwagens en bij het aanvullen en opruimen van de zaak na sluitingstijd. Hun economische impact is dus niet strikt persoonlijk, ze is collectief: ze houden andere mensen weg uit de wereld van de werkloosheid en de uitkeringen. Ze zijn werkgevers. Waarom erkent men dit soort ondernemers en bedrijven niet als zodanig? Misschien omdat ze klein zijn? Het zijn “winkeliers” of “kleine zelfstandigen”, of zelfs een “Lumpen-bourgeoisie” in de woorden van C. Wright Mills, maar geen CEO’s – ja. Ze wonen ook niet in een kast van een huis en rijden niet met een Jaguar. Ze zijn geen lid van de Kamer van Koophandel of de Rotary. Ze gaan evenmin skieën in de Alpen of chillen op Martinique – ja.

En net op dit punt wordt het interessant. Hun ondernemingen zijn immers duurzaam. Ze zijn stabiele elementen in de buurt die vele jaren lang hun diensten aan de lokale winkelaars aanbieden. De reden is dat zij zich niet laten leiden door zaken zoals winstverwachting. Hun bedrijf gaat doorheen goede en slechte tijden, perioden waarin ze goed verdienen en perioden waarin ze nauwelijks het zout op hun patatten verdienen. Hun bedrijf gaat nooit failliet, en dat ondanks het feit dat ze doorgaans gevoeliger zijn dan de grote ketens voor inflatie en koopkrachtverlaging bij hun cliënteel.

Ze werken immers niet aan de hand van business-plannen waarin break-even punten worden bepaald en winstprognoses worden gegeven; ze werken op een basis van voldoende inkomen. “Voldoende” betekent in de regel dat de vaste kosten betaald kunnen worden; “winst” zal er doorgaans wel zijn, maar deze winst moet slechts volstaan om de eigen uitgaven te financieren – niet om aandeelhouders tevreden te stellen of met eigen kapitaal andere bedrijven over te nemen. “Groei” is dus geen centraal gegeven in hun bedrijfsvoering; stabiliteit is beter, en hun winstverwachting is dus organisch, bepaald door de eigen noden, en dus ook realistisch.

Romantisch?

Er is niets romantisch aan dit beeld, en het is verre van mijn bedoeling om hier een nostalgie naar de kleine buurtwinkel op te roepen. Het leven van deze ondernemers is veeleisend, met keihard en niet aflatend labeur voor geringe inkomsten, periodes waarin de verkoop slabakt – de heraanleg van de straat, de Ramadan voor Turkse kruideniers en slagers, of een regering die koopkrachtverlagende maatregelen treft – en evenveel administratie, fiscale en gezondheidsinspectie als bij elke andere ondernemer. Alleen: het is een realiteit die men blijkbaar niet in aanmerking wil nemen wanneer men het heeft over “de economie”.

Wanneer ik “de economie” van mijn buurt bekijk, dan zie ik dit soort bedrijven en dit soort ondernemers. En wanneer die economie “draait”, dan is het omdat die ondernemingen goed presteren. Dit zijn taaie ondernemers, niet bang van een risico en van zwarte sneeuw, voor wie het voortbestaan van de onderneming de beste garantie is op voorspoed-op-termijn.

Deze kleine ondernemers leren ons bovendien enkele lessen in economie, net in een tijd waarin die lessen absoluut nodig blijken. “Bedrijven” – de “bedrijven” die Van Eetvelt in gedachten heeft – worden geregeerd door vaak absurde winstverwachtingen. Het zijn die winstverwachtingen die ervoor zorgen dat een florerend bedrijf toch mensen afdankt, en dat een bedrijf dat het niet zo slecht doet toch de deuren sluit. De “economische wetten” die dit soort logica bepalen, zo leren ons de ondernemers uit mijn buurt, zijn niet de enige mogelijke economische wetten. Meer nog, wanneer we denken aan economische relance en duurzaam ondernemen, dan is het op dit niveau van economische logical dat men back to the basics moet gaan: naar een vorm van onderneming die ook moeilijke jaren doorstaat, die de winstverwachtingen aanpast aan de conjunctuur zonder dat dit de structuur van het bedrijf aantast, en waarin de ondernemer ook bereid is de tering naar de nering te zetten. Is de nering niet goed, dan moet ook de tering – de dividenden aan aandeelhouders, of de Jaguar van de CEO – aangepast worden, zonder dat dit dozijnen werknemers hun baan kost.

Het bedrijf zelf is dan ook geen koopwaar die aan de meest biedende verhandeld kan worden, het is de beste garantie op duurzame welvaart. In mijn buurt zijn deze ondernemers overwegend allochtonen. Ik vraag me af of ze geklasseerd worden onder de “actieve” of “passieve” migranten die men nu graag als onderscheid hanteert? Of ze een “economische meerwaarde” opleveren, in de ogen van de Staatssecretaris die hun statuut beheert, Theo Francken? En het valt me op dat hun activiteit – hun bedrijven dus – door beleidsmakers in heden en verleden nogal eens als “verloedering” (en recent als “imagoverlagend”) werden bestempeld, als een vorm van economische “overlast” die men middels strenge controle liefst aan banden wilde leggen. Net zoals het me opvalt dat ze blijkbaar geen rol spelen in “de economie” zoals mensen van het slag van Van Eetvelt ze zien, en dat de plannen van deze regering voor deze ondernemers niets goeds inhouden.

Maar als ze geen “ondernemers” zijn, en hun winkels geen “bedrijven”, wat zijn ze dan? In een buurt zoals de mijne voorzien zij in een economische infrastructuur die een snel en constant veranderende populatie tevreden houdt. Hun winkels zijn tevens ontmoetingsplaatsen voor de hele buurt – iedereen bezoekt de nachtwinkels en de kleine kruideniers en bakkers – zodat ze enorm bijdragen tot de sociale cohesie in een superdiverse buurt zoals Oud-Berchem.

Aangezien ik deze mensen zeer vaak ontmoet, ze aanspreek en ze waardeer neem ik me voor af en toe als woordvoerder van deze ondernemers op te treden. Ik ben beschikbaar als belangenbehartiger voor deze bedrijven en hun belangen, en ik vind hun economische logica de moeite waard om ruimer gehoord te worden. Tegen die van degenen die hen zogezegd vertegenwoordigen: UNIZO en z’n multinationale en multimiljonair “zelfstandige ondernemers”.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s