Racisme als perspectief

Inaugurale lezing van het vak “Racisme en Beeldvorming”, Opleiding Afrikanistiek, Universiteit Gent 25/10/2000.

Jan Blommaert

Image

Racisme is een zwaar beladen term, die enerzijds definiërend is, anderzijds evaluerend. Definiërend: de term omschrijft een aantal fenomenen uit de sociale wereld die men als ‘racistisch’ identificeert. Evaluerend: de term hecht aan die beschrijving meteen ook een bepaalde waarde, doorgaans een negatieve. Eén van de problemen in de wetenschappelijke studie van racisme is de ontkenning van dit tweede luik, van de diepe en onontwarbare verwevenheid van feiten en evaluaties, en daardoor van het door-en-door politieke karakter van racistische fenomenologie. Veel onderzoek is daardoor ‘neutraliserend’: het poogt racistische fenomenen neutraal en onthecht te benaderen, daar waar de essentie van die fenomenen precies de zware politieke geladenheid – de niet-neutraliteit – ervan is.

Ik zal in wat volgt pogen een benadering te schetsen van racisme die met deze geladenheid rekening houdt. Ik zal me daardoor begeven in domeinen die ver afwijken van meer courante definities van racisme. Met name zal ik de klemtoon leggen op twee dimensies van racisme: de ideologische en de epistemologische. Uiteindelijk zal racisme te voorschijn komen als een veel ruimer en veel invloedrijker fenomeen dan men doorgaans aanneemt.

Racisme is een ideologie

De hoofdlijn van de hier geschetste benadering is er één waarin racisme als een ideologie wordt omschreven. Dat wil zeggen: ik beschouw racisme niet als een reeks individuele attituden, ook niet als een menselijk universum op het niveau van de genen of andere primitieve niveaus van gedrag en mens-zijn, en evenmin als iets wat louter een kwestie is van politieke of maatschappelijke excessen à la extreem-rechts of het Nazidom. Racisme is een ideologie, en om dat te begrijpen moeten we weten wat een ideologie is.

Nu valt het me op hoe men in de sociale wetenschappen hetzij heeft afgeleerd na te denken over ideologie, hetzij ideologie beschouwt als een vies woord en als een eigenschap van anderen (de Sovjets met name). Het is opvallend hoe één van de meest centrale concepten uit de sociale wetenschappen van de twintigste eeuw nagenoeg verdwenen is als analytisch instrument in een hele reeks onderzoeksdomeinen die alles met ideologie te maken hebben. Veeleer hanteert men heden ten dage een begrip als ‘publieke opinie’, een begrip dat wordt ingekleurd als:

-autonoom: de publieke opinie ‘bestaat’ eenvoudigweg, de mensen ‘hebben’ het gewoonweg en lijken niet beïnvloed te zijn door externe elementen zoals politieke propaganda, onderwijs, media of reclame, evenmin als door groepsinteracties en de invloed van opinie-makers zowel op kleine als op grote schaal.

  • stuurloos: de publieke opinie ‘leidt’ de samenleving, en niet omgekeerd. Onze politici definiëren zichzelf zonder uitzondering als mensen die de publieke opinie volgen – de zogeheten ‘signalen van de Burger’ – en de wil des volks uitvoeren, zoals die uit opiniepeilingen en gerelateerde onderzoeken is naar voor gekomen. Je kan de publieke opinie dus ook niet tegenwerken, zo lijkt het, zeker niet indien je als “democraat” door het leven wil gaan.
  • af te scheppen van rechtstreekse uitspraken van individuen: de publieke opinie kan worden nagegaan door directe, expliciete uitspraken van mensen te bekijken en mathematisch te systematiseren. Iedereen is dan ook een ideaal en potentieel representatief drager van publieke opinie.

Dit beeld van publieke opinie houdt een aantal krachtige suggesties in. Het suggereert

  1. het bestaan van autonome, denkende en volmaakt vrije individuen, die over alles een opinie hebben en deze ook accuraat kunnen formuleren;
  2. een beeld van de samenleving als de verzameling van dit soort vrije, autonome en denkende individuen;
  3. doorheen dit alles, de ontkenning van machtsverschillen door de suggestie dat alle individuen gelijk zijn, en dat de opinie van de ene die van de andere waard is.

Ik ga me niet begeven aan een lange kritiek van deze premissen, onder andere omdat mensen als Pierre Bourdieu dit in het verleden al met veel verve en overtuiging hebben gedaan. Ik kan enkel zeggen: ongeveer elk sociaal feit dat grondig wordt onderzocht spreekt deze suggesties tegen. Dit beeld van de publieke opinie is door en door ideologisch, en het bevat precies dezelfde ingrediënten als diegene die we in de ideologie van de massaconsumptie vinden: de idee van vrije en onmanipuleerbare consumenten die de markt sturen en richting geven, en die ‘nobody’s fool’ zijn. Niemand wordt er uitgebuit, niemand wordt er bij de neus genomen, iedereen is vrij en blij en laat de grote heren een poepje ruiken.

Maar wat is dan ideologie? Ik geef enkele algemene elementen.

1. Ideologie slaat op een reeks ideeën waarvan de structuur en de distributie door en door verweven is met maatschappelijke structuren. Dat wil zeggen: niet iedereen heeft dezelfde ideologie, en niet ieders ideologie is even veel waard. Bovendien hebben ideologieën een agentieve rol in de samenleving: ze houden maatschappelijke verhoudingen in stand. Ideologie is met andere woorden een maatschappelijk fenomeen, dat niet te reduceren valt tot een optelsom van individuele opvattingen en denkbeelden. Het is een politiek fenomeen, en hierop kom ik verder nog terug.

2. Ideologie houdt steeds verband met macht. Dit geschiedt op verschillende niveaus. Ten eerste: het is een instrument van machtsuitoefening, omdat het zorgt voor opvallende vormen van eensgezindheid omtrent bepaalde elementen van het maatschappelijke bestel. Gramsci betitelde deze machtsfunctie als ‘hegemonie’. Volgens hem is er een onderscheid in macht tussen enerzijds dwang – bijvoorbeeld dwang die uitgaat van het justitiële en politionele apparaat in een staat – en anderzijds overtuiging, een zachter vorm van machtsuitoefening die erin bestaat dat mensen overtuigd raken dat bepaalde dingen goed zijn voor hen. Het samengaan van beide vormen is machtsuitoefening, en macht mag dus niet gereduceerd worden tot het beeld van politiemannen in volle wapenuitrusting. Het is door het spel van hegemonie dat heel wat publieke opinie ontstaat: als men bepaalde boodschappen maar frequent genoeg verspreidt, en ze door veel verschillende mensen laat verspreiden, dan gaan we dat uiteindelijk wel geloven. Meer nog, we gaan dit uiteindelijk als normaal en “rationeel” beschouwen, als een eenvoudig feit, iets waar we gewoon vanuit kunnen gaan in onze analyses van de wereld. Ideologie situeert zich op het niveau van de dingen die niet meer hoeven gezegd te worden, die we met z’n allen gewoon aannemen. Dat is de reden waarom ideologie niet zomaar van teksten af te scheppen valt. Ideologie situeert zich op het vlak van onuitgesproken uitgangspunten, het zit vaak in onopvallende, feitelijke uitspraken, eerder dan in opvallende, expliciete en agressieve boodschappen. Het zit in het feit dat we allemaal lijken te denken dat arbeid een bron is van vreugde en zelfontplooiing, en dat je maar een echt mens bent als je een job hebt, ook al betekent dit alles behalve vreugde en zelfontplooiing, en ook al betekent dit dat je je onderwerpt aan uitbuiting, rigide en vaak ontmenselijkende discipline en aan een sociale hiërarchie die tot frustraties leidt als je job niet overeenstemt met je zogeheten kwalificaties. Het zit ook in de gekke zekerheid die we hebben omtrent onze auto-onze-vrijheid, omtrent het feit dat we allemaal meer individu worden door aan massaconsumptie deel te nemen, dat we met twee woorden spreken wanneer we een sociaal hooggeplaatst persoon aanspreken, en zo meer. In het veld van racisme zit het in het simpele feit dat we hardnekkig een onderscheid blijven hanteren tussen ‘Belgen’ en ‘migranten’ – haast niemand staat bij dit laatste begrip stil en stelt zich de vraag wat er achter schuil gaat. Inmiddels neemt men wel het beeld over van een samenleving met daarin twee gescheiden werelden: die van Belgen en die van Migranten.

Een tweede aspect van de relatie tot macht is het feit dat ideologie niet gelijk gedistribueerd wordt. Er zijn producenten, reproducenten en consumenten van ideologie, en niets is zo onjuist als de suggestie dat ‘iedereen zijn gedacht mag hebben’. Althusser wees ons al op de grote rol van ‘ideologische staatsapparaten’: de regering, het onderwijssysteem, wetenschappers, media, religie noem maar op. De opvattingen van de één zijn manifest niet evenwaardig aan die van een ander; sommigen hebben oneindig veel meer ‘muscle’ om opvattingen, beelden, verklaringen en dergelijke te verspreiden. Men moet dan ook in de analyse van ideologie nauwkeurig nagaan wie ze produceert en verspreidt, welke de bronnen zijn van bepaalde zaken. En er zijn doorgaans duidelijke bronnen: vaak kan men voor zaken die men als ‘mentaliteit’ bestempelt zelfs een zeer precieze naam en gezicht achterhalen – Noël Slangen, Tom Lanoye, Helmut Lotti, Bill Gates, Paula D’Hondt, Filip Dewinter, noem maar op. Ik bepleit hier een historische benadering van ideologie, één die er niet van uit gaat dat ideologieën zomaar ontstaan, uit het niets opduiken – iets wat men ons omtrent de Witte Mars wou doen geloven. Ideologieën hebben een echte geschiedenis, met echte actoren, echte instellingen, momenten waarop van alles gebeurt gevolgd door momenten waarop alles wat langzamer en stabieler lijkt te evolueren.

3. Ideologieën hebben een duidelijke band met gedragingen. Ik zeg dit omdat men vaak een reductie maakt van ideologie tot ideeën. Het gaat wel degelijk om ideeën, maar niet uitsluitend om ideeën. Foucault heeft ons aangetoond dat denkbeelden, vormen van wetenschap, instellingen en gedragingen samenvloeien in één groot en breed vertakt proces. Ideologie zit daarom ook in de ruimtelijke schikking van de zaal – het feit dat de sprekers of degenen die de leiding hebben steeds vooraan zitten, en de anderen gewoon ‘in de zaal’ gaan zitten en dat iedereen dat automatisch doet. De ideologie zit daardoor in gedragingen, houdingen, gebaren, blikken. Ik liep ooit eens met een protestantse man door Belfast. In een bepaalde buurt zweeg de man plots, en hij dook wat ineen terwijl we rond liepen. Ik vroeg hem wat er was en hij zei dat we in een ‘verkeerde’ buurt liepen. Ik wierp op dat men aan hem toch niet kon zien of hij protestant of katholiek was. Hij antwoordde: ‘ze ruiken dat’. Vergelijkbaar geval: ik heb in Antwerpen nog nooit een ‘blanke’ de weg zien vragen aan een orthodoxe jood, ook al lijkt het evident dat deze laatsten in bepaalde buurten best de weg kennen. Het omgekeerde is net zozeer een feit.  Wanneer men in Antwerpen een groepje migrantenjongeren op de stoep bijeen ziet staan, ziet men spoedig heel wat ‘blanken’ de straat oversteken of een grote bocht omheen het groepje maken; dwars door het groepje heen lopen wordt weinig gedaan. Een laatste anekdote: jaren geleden kende ik aan mijn universiteit een Marokkaanse student economie. Toen hij zich in de eerste kan op het examen aanbood werd hij door de prof in het Frans aangesproken. De prof zei dat hij normaal gezien het examen in het Nederlands moest afnemen, maar voor hem een uitzondering zou maken. Hij schrok zich een hoedje toen de jongen hem in een sappig Gents Nederlands antwoordde dat dit heel vriendelijk was maar niet meteen hoefde. Enzovoort. Ideologie is net zozeer een zaak van ‘normaal’ gedrag als van ‘normale’ ideeën, en het is het samenspel van de twee dat er voor zorgt dat er heel wat contacten fout lopen tussen leden van verschillende bevolkingsgroepen.

Slotsom: als men racisme benadert als ideologie ziet men ineens veel meer. Plots gaat racisme om macht, om ongelijkheden in een samenleving, en om het in stand houden daarvan. Het wordt een element via hetwelk men tot een diagnose moet komen, niet zozeer van de slechte attituden van individuen, maar van de maatschappij waarin ze tot dergelijke denkbeelden en gedragingen komen. Uiteindelijk leidt racisme ons zo tot een ‘groot verhaal’ – een wat in onbruik geraakt begrip, maar iets wat handelt over veel en veel meer dan individuele waarden, gewoonten en cultuurverschillen.

Racisme is een epistemologie 

Een tweede aspect dat deze benadering van racisme informeert is het epistemologische karakter van racisme. Racisme is een kennisleer. Het is een manier om naar de feiten te kijken, ze vorm te geven, er onderscheiden in aan te brengen tussen wat relevant is en wat niet, en uiteindelijk tot analyses van die feiten te komen. Men neemt de ideologie aan als een brilletje doorheen hetwelk men naar de wereld kijkt en die wereld meent te kennen en betekenis meent te kunnen geven.

Op dit punt moet ik het even hebben over de Vlaamse traditie van Afrikanistiek. Zoals we weten is heel veel van de hedendaagse Afrikanistiek gebaseerd op een traditie die haar wortels heeft in het ontdekkings- en kolonisatieparadigma. Simpel gezegd: het merendeel van de boeken die in de vakgroepbibliotheek van de afdeling Afrikanistiek aan de RUG te vinden zijn, zijn geproduceerd tijdens de koloniale periode, door Europeanen die hun aanwezigheid in Afrika te danken hadden aan de structuur van dit koloniale systeem. De relatie tussen kolonialisme en Afrikanistische kennisverwerving is niet te loochenen.

Dat mag ons niet verleiden tot simplistische uitspraken in de zin van: elke koloniale Afrikanist was een racist. Verre vandaar. Eén van de uitkomsten van het punt over racisme-als-ideologie is dat individuele intenties weinig ter zake doen. Het gaat om een historische ‘normaliteit’ waarin men naar godsvrucht en vermogen die dingen doet die men voor waar aanneemt en voor juist inschat. Maar de historische relatie blijft niet te ontkennen, en ze is epistemologisch van aard. Het koloniale systeem genereerde kennis die dit systeem mee gestalte gaf, er enerzijds de premissen van overnam en die mee uitbouwde en motiveerde. Om Foucault te parafraseren: ‘tel pouvoir tel savoir’. Wetenschap wordt zo een historisch gesitueerd product, en in die historische situering moet men ook de machtsverhoudingen inschrijven die kenmerkend waren voor die historische periode. Koloniale wetenschap was deel van de koloniale macht; de aldus vergaarde kennis is niet machtsvrij, en men moet zich bewust zijn van het specifiek soort macht dat eraan vast hangt: koloniale macht, gestoeld op uitgangspunten die we thans als racistisch bestempelen, en uitmondend in grootschalige uitbuiting en permanente onderontwikkeling.

Die kennis mogen we niet zomaar overnemen. De historische situering ervan moet een kritische houding genereren ten opzichte van de wetenschap over Afrika, en we mogen er van uit gaan dat een groot gedeelte van wat we over Afrika menen te weten gefilterd is door een racistische blik op Afrika. Racisme is een historisch perspectief op Afrika en de uitdaging voor Afrikanisten bestaat erin een nieuwe Afrikanistiek uit te bouwen vanuit een perspectief dat niet die beladenheid heeft. Hier komt Foucault weer: ‘autre pouvoir, autre savoir’.

Als we dit nu even overplaatsen naar de eigen actuele samenleving, dan merken we hoe er een paradigma ontstaan is rond vreemdelingen en vreemdheid dat zeer sterk geconcentreerd is op cultuurverschillen, eigenheid en dergelijke, en dat op die manieren evenzeer epistemologisch lijkt te functioneren. Dit soort blik op de realiteit genereert een realiteit die er zo uitziet. Anders gezegd, hét migrantenprobleem in dit land is deels het feit dat zovelen geloven dat er een migrantenprobleem is. Rond deze aanname is een heel kenniscomplex ontstaan dat een realiteit opbouwt terwijl ze die analyseert. In de mate dat dit paradigma primordialistische en homogeneïstische accenten legt – hetgeen het geval is – is het racistisch, en vertoont het een bijzonder duidelijke coherentie met de manier waarop de koloniale wetenschap aankeek tegen Afrika. De verwantschap tussen beide is vroeger reeds aangestipt door Albert Martens, en ik kan ze enkel bevestigen en verder uitdiepen.

Besluit

Beide invalshoeken, de ideologische en de epistemologische, wijken ongetwijfeld af van courante benaderingen van racisme in onze samenleving. Maar er zijn goeie redenen om die invalshoeken te blijven hanteren. De voornaamste reden is het wetenschappelijke feit dat ze ons toelaten betere beschrijvingen en interpretaties te leveren van feiten en voorvallen in de samenleving, en dat ze ons toelaten heldere verbanden te leggen tussen attituden, daden, en maatschappelijke verhoudingen. Ze verklaren racisme met andere woorden beter. En zoals de genezing van een kwaal enkel kan gebeuren op grond van een correcte diagnose ervan, kan men enkel een effectief antiracisme organiseren wanneer men een precies inzicht heeft in racisme.

 

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s