De crisis van de vrije meningsuiting

 Jan Blommaert

Gepubliceerd in Samenleving en Politiek, 2004.

Afbeelding

Een tekst die inmiddels een decennium oud is en destijds werd geschreven als respons op de anti-Moslim kramp in de publieke opinie na de moord op Theo Van Gogh. De tekst lokte een hoop reacties uit, onder andere van Paul Cliteur en anderen. Ik beschouw de argumenten die ik erin gebruik nog steeds als relevant en actueel.

Moslimzeug

Dit bericht ontving ik op 3 november 2004 op m’n e-mail. Ik druk het af zoals ik het heb ontvangen.

“Na hetgene dat zich voordeed gisteren, 2 november 2004, in Amsterdam (NL) met Theo van Gogh is het 5 OVER TWAALF  om de opdringerige wreedheden van de ISLAM aan de kaak te stellen !! Onder het mombakkes van religie probeert de islam door misdaden haar wurggreep op de niet-islam wereld te verschonen. Onder de nederlandse titel “VAN SLUIERTREES TOT MOSLIMZEUG” wil ik een digitale boek aanmaken met getuigenissen (tekst, dokumenten, fotos, filmbeelden, videobeelden, voorwerpen…) van slachtoffers,uitgetreden moslims en elke andere persoon welke durft te getuigen over de lichamelijke maar ook geestelijke verminkingen aangericht door de islam en haar moslim godsdienstwaanzinnige fanaten, inklusief de onfrisse praktijken in de meeste moskeen en coffeeshops. Bedoeling is om later een digitale engelse vertaling aan te maken onder de engelse titel “FROM KHIMARBITCH TO MUSLIMSOW” en deze in de moslimlanden via websites openbaar te maken. Hierna zou dan een 100% letterlijke vertaling in arabies zowel digitaal als analoog geprint/gedrukt aangemaakt moeten worden met op webpages plaatsen/gratis verdeling in alle moslimlanden. Te lang en teveel tolerantie is uiteindelijk en letterlijk “de rotte appels niet op tijd uit de mand genomen” met alle nefaste gevolgen vandien voor ons recht op vrije meningsuiting !”

Dit nogal opgewonden bericht is vanzelfsprekend een reactie op de schandelijke moord op Theo van Gogh, een moord die onder geen enkele omstandigheid goed te praten valt. Daarover gaat het dus niet; het gaat om de interpretaties die aan dit voorval gegeven werden. De moord op Theo van Gogh werd gezien als een aanslag op de vrije meningsuiting uitgevoerd door Islamitische godsdienstfanaten. De avond van zijn dood was er in Amsterdam een ‘lawaaibetoging’ waarbij duizenden mensen met allerhande voorwerpen luid te kennen gaven dat men hen, net zomin als van Gogh, het zwijgen zou opleggen. Vrije meningsuiting is heilig.

Is dit zo? Na de moord op van Gogh sprong de rechterzijde op uit z’n luie stoel, ook bij ons. En met de verkiezing van een nieuwe VLD-voorzitter voor de boeg stieten vooral leden van die partij rauwe strijdkreten uit. Kandidaat-voorzitter Somers kwam op de Zevende Dag onvervaard de regering oproepen om kordater maatregelen te nemen tegen radicale moslims. Zijn partijgenoot Dewael, Minister van Binnenlandse Zaken, stelde ons meteen gerust met de melding dat ons land al veel doét tegen deze groepen. Hij kondigde ook aan dat Islamitische websites en radiozenders nauwlettend in de gaten zouden gehouden worden, en dat anti-Westerse en anti-Joodse uitspraken streng bestraft zouden worden. Het moest maar eens gedaan zijn met … Met wat? Het vrij uiten van bepaalde meningen?

Er blijken nogal wat vrije vertalingen te bestaan van vrije meningsuiting. Wie zijn vrije mening uit tegen het Westen of tegen de Joden loopt gevaar op sancties vanwege de overheid.[1] Wie, zoals Indymedia, zijn medium gebruikt om élke stem uit de samenleving aan bod te laten komen, loopt risico op inbeslagname door de FBI. Intussen zet onze anonieme email-schrijver rustig een website op over Moslimzeugen, uit naam van de vrije meningsuiting. Theo van Gogh, sinds 2 november een Heilige van het Vrije Woord, beschouwde ‘functioneel beledigen’ als zijn manier van vrije meningsuiting, en termen als ‘geitenneuker’ of ‘pygmee op plateauzolen’ behoorden tot zijn repertoire. Bij de verkiezingen van juni dit jaar voerde het Vlaams Blok campagne onder de slogan ‘vrije meningsuiting’. In dezelfde periode vroeg de Vlaams Blok fractie in Antwerpen echter een sanctie tegen een ‘linkse’ leerkracht in een stadsschool die een petitie had gecirculeerd ten voordele van een humaner opvang van asielzoekers. En na de uitspraak van het Hof van Cassatie op 9 november 2004, waarin de veroordeling van het Blok wegens racisme bevestigd werd, kwam Philippe Dewinter op Ter Zake beweren dat “in Nederland de vrije meningsuiting vermoord was door een kogel, bij ons door een vonnis”. De ironie werd weer niet opgemerkt: sinds haar eerste veroordeling balkt het Blok om de haverklap over het feit dat ze monddood gemaakt wordt – in het parlement, in de kranten, op de radio, op TV, dus in de grootste en belangrijkste fora voor vrije meningsuiting. Hun vrijheid van meningsuiting lijkt dus al bij al nog mee te vallen.

Vrije meningsuiting is een slagzin geworden. Dat wil zeggen: de term beschrijft niet langer een duidelijke reeks fenomenen of voorvallen, maar is een symbool geworden voor een bepaalde politieke positie. In wat volgt zal ik dit proberen te verduidelijken. Ik geef nogmaals mee dat ik het hier niet zal hebben over de moord op van Gogh, de drijfveren of de rationaliseringen ervan. Die moord veroordeel ik krachtig. Ook benadruk ik dat ik hier geen pleidooi wil houden voor moslims. Uit mijn argumentatie zal blijken dat ik me kant tegen elke vorm van fundamentalisme; ik heb dus geen enkele affiniteit met moslims die voldoen aan de eigenschappen van die categorie. Wel weiger ik fundamentalisme te beperken tot moslims, en veroordeel ik dergelijke eenzijdige omschrijvingen van fundamentalisme – ze zijn vaak zelf een uiting van fundamentalisme.[2]

Elementaire dingen

Eerst moeten we wat elementaire dingen op zak steken. De vrije meningsuiting heeft in een burgerlijke democratie zoals de onze altijd een aantal kenmerken en beperkingen. Ten eerste: het gaat over de uiting van meningen, dus niet over meningen zelf – men mag denken wat men wil, maar niet zeggen of schrijven wat men wil. Ten tweede, daarbij moet die uiting aan een aantal voorwaarden voldoen: ze moet publiek zijn, en expliciet. Publiek betekent dat men in z’n zitkamer mag zeggen wat men wil; in het openbaar is dit niet het geval. En expliciet betekent dat de uitgedrukte mening zichtbaar en/of hoorbaar moet zijn, voor een impliciet uitgedrukte mening draagt men geen (of niet dezelfde volle) verantwoordelijkheid. En ten derde, die uiting van een mening mag geen wetten overtreden, en zo zijn er nogal wat. Smaad, laster, valsheid in geschrifte, eerroof, majesteitschennis, meineed, samenzweren, plagiaat, overtreding van de copyright, niet-respecteren van de privacy, computer-hacking, zelfs pesten en ongewenste seksuele avances zijn allemaal misdrijven die te maken hebben met uitingen, met spreken of schrijven. Voor alle duidelijkheid: het is dus niét zo dat de wet op het racisme de enige, of zelfs een uitzonderlijke, wet zou zijn die de meningsuiting beperkt. De wet op het racisme is deel van een veel ruimer geheel aan beperkingen op wat men publiek en expliciet mag uitdrukken.

Die beperkingen bestaan er omdat verbale agressie een reële vorm van geweldpleging is, en er is geen samenleving op aarde waarin dit niet zo is. Overal markeert men grenzen tussen wat mensen tegen elkaar mogen zeggen en wat niet, en tussen wat slechts enkelen mogen horen of zien en wat voor iedereen kan prijsgegeven worden. Overal legt men ook specifieke regels op aan het publieke spreken. De publieke interacties tussen man en vrouw zijn nagenoeg overal het voorwerp van beregeling, de interacties tussen individuen en machtsinstellingen eveneens, en sinds het ontstaan van de massamedia zijn ook deze overal aan strakke regels onderworpen. In omgekeerde zin: overal waar parlementen bestaan hebben parlementsleden een vorm van wettelijke bescherming – parlementaire onschendbaarheid – die hen in staat moet stellen maximaal vrij te spreken in naam van hun achterban. Rechtbanken zullen bepaalde zittingen achter gesloten deuren houden om de waardigheid of de integriteit van betrokken burgers te vrijwaren. Priesters zijn onderworpen aan het biechtgeheim, wat de penitent in staat moet stellen in volledige oprechtheid zijn of haar zonden mee te delen. Dezelfde plicht tot vertrouwelijkheid geldt voor advocaten en artsen. Ons land heeft zoals ieder land een archiefwetgeving die bepaalde archiefdocumenten gedurende een lange periode onder embargo kan houden. Elke samenleving bezit en bewaart ‘geheimen’ – documenten of vormen van interactie die door slechts een klein aantal mensen mogen gekend zijn. In bepaalde gevallen kan de staat zich het recht toe-eigenen alle contacten van een burger te controleren, via afluisteren, het controleren van e-mail verkeer of van briefwisseling, enzovoort. Maar de staat kan dit niet willekeurig doen, ze is voor dit soort interventies gebonden aan zeer strakke procedures. En ga zo maar voort, de lijst beperkingen op de uiting en de publieke circulatie van meningen is lang.

Overtreders van al die regels zijn strafbaar. Wie staatsgeheimen prijsgeeft aan derden kan als spion veroordeeld worden. Wanneer een arts het medische dossier van een patiënt in een krant zou publiceren, dan wordt hij geschorst. Wanneer ik in dit stuk iemand van fraude zou beschuldigen dan stel ik me bloot aan vervolging. Idem wanneer ik een vrouwelijke collega zou meedelen dat ik bijzonder opgewonden raak wanneer ik fantaseer over haar billen, of wanneer ik een politieman die me om m’n identiteitskaart vraagt zou zeggen dat hij zich met z’n eigen zaken moet bemoeien. In elk van deze gevallen bega ik immers een vorm van geweld die in onze samenleving, net als vrijwel overal elders, als ontoelaatbaar wordt beschouwd.[3]

Naast de formele beperkingen zijn er natuurlijk nog een hele reeks minder formele beperkingen. We gebruiken ze allemaal, en we hebben er woorden voor: ‘goede manieren’, ‘beleefd’, ‘voorkomend’, ‘hoffelijk’, of integendeel ‘onbehouwen’, ‘ruw’, ‘boers’, ‘plat’, ‘arrogant’, enzovoort. Ook informeel zijn sancties reëel: wie onbehouwen omgaat met zijn geliefde riskeert haar te verliezen; wie zijn vrienden beledigt houdt er weinig over; wie brutaal spreekt tegen z’n werkgever dreigt z’n job te verliezen. Deze alledaagse, wijd verspreide spreekregels zorgen ervoor dat iedereen het onderscheid kent en voelt tussen neutrale woorden en woorden die een bepaalde kleur hebben – tussen ‘vrouw’ en ‘wijf’, ‘gezicht’ en ‘smoel’, ‘mond’ en ‘muil’ – en dat iedereen begrijpt dat termen zoals ‘varken’ beledigend zijn (zowel voor allochtonen als voor autochtonen), of dat termen zoals ‘geitenneuker’ obsceen zijn. En iedereen voelt ook meteen het onderscheid tussen het uiten van ‘geitenneuker’ in de eigen huiskamer met wat goede vrienden, en het uiten van datzelfde woord tijdens een TV-uitzending of een interpellatie in het parlement.

Dit alles betekent dat ik niet noodzakelijk blijk geef van een conservatieve kramp, een gebrek aan openheid van geest of van respect voor de mening van anderen wanneer ik gekrenkt ben omdat iemand me publiek ‘klootzak’ noemt, wanneer ik van oordeel ben dat publiek geuite termen zoals ‘moslimzeug’ niet door de beugel kunnen, of wanneer ik vind dat iemand die op TV koudweg stelt dat Arafat al jaren geleden had moeten geliquideerd worden een misdadiger is. Ik weet immers dat men die woorden met opzet heeft gekozen om te beledigen, te kwetsen of te bedreigen, en dat men maar al te goed het gewicht en de effecten van die woorden kent. In elk van die gevallen is mijn oordeel dan ook een gefundeerd, sociaal gemotiveerd oordeel dan aansluit bij algemene normen – het is dus geen uitdrukking van taboes of van politieke correctheid. In iedere samenleving is communicatie beregeld, overal heerst een taalregime, en nergens is een volledige anarchie mogelijk.

Ik sta hier met opzet lang bij stil, want het punt is fundamenteel. De meningsuiting is altijd en overal beperkt, en dat is maar goed ook. Men moet zich een samenleving voorstellen waarin dat niet zo zou zijn, en waarin de VRT-nieuwslezer dingen zou zeggen zoals “Premier Verhofstadt heeft zijn regeerverklaring voorgelezen in de Kamer, en ook dit jaar was het weer klinkklare nonsens”. Of nog, Het Laatste Nieuws dat op zijn voorpagina zou zetten: “Huisarts verklaart: Jean-Marie Pfaff heeft aambeien”. Of Humo: “Rechter spreekt vrij-uit: ik ga Dutroux vrijspreken”. Of TV-Story: “Uit de biecht! priester bevestigt overspel Margriet Hermans”. Het zou een samenleving zijn vol verbaal geweld – een samenleving waarin meningsuiting de voornaamste vorm van geweld is, al was het maar omdat het vaak de aanleiding is tot ander geweld. De beregeling van de meningsuiting is overal een vorm van geweldpreventie, van openbare veiligheid.

Bovendien zijn deze wetten bijzonder sterk verwant met algemeen geldende normen en waarden in een samenleving. Er bestaan wetten die beledigingen verbieden, omdat ook in het alledaagse leven een belediging hard aankomt en als agressie wordt ervaren. Het gaat dus niet om de willekeur van een Belgische rechtbank of een coalitie, die zomaar eventjes een spreekregime opleggen – zoals het Vlaams Blok zo graag over de wet op het racisme zegt. Wetten die de meningsuiting beregelen zijn doorgaans sociaal en cultureel diepgewortelde wetten – ze beschermen vormen van communicatie die men als ‘normaal’ beschouwt en sanctioneert die vormen die ‘abnormaal’ zijn. De huidige discussie over vrije meningsuiting is derhalve een discussie over de grenzen van het normale en het vanzelfsprekende in onze samenleving.

Vrijheid van meningsuiting staat doorgaans voor mijn vrijheid van meningsuiting. We zagen daarnet al hoe het Vlaams Blok de verkiezingen inging met de aanklacht dat men haar vrije meningsuiting poogde te beperken, terwijl die partij in dezelfde periode een ‘linkse’ leerkracht probeerde te muilkorven. Het is opvallend hoe nadrukkelijk het recht op vrije meningsuiting wordt ingeroepen door de rechterzijde. En vermits het appelleert aan de gelijkheidsgedachte is het een argument waartegen anderen moeilijk bezwaren kunnen uiten, temeer aangezien vrije meningsuiting telkens associatief met twee andere dingen in verband wordt gebracht: democratie en waarheid. Laat ons beginnen met de band tussen vrije meningsuiting en democratie.

Democratie

Vrije meningsuiting, zo stelt men om de haverklap, is een fundament van de democratie. Ten gronde lijdt dat geen twijfel, al moet men zich afvragen of men snapt waarover men het heeft. Immers, allicht onder invloed van de nieuwe Amerikaanse discours over ‘freedom’ is men in ruime kring beginnen geloven dat een democratie een systeem is waarin iedereen zijn zin kan doen. Men is immers ‘vrij’, en in de ogen van mensen zoals senator De Decker betekent dit dat men met het eigen oordeelsvermogen als enig richtsnoer 200 km per uur met de wagen mag rijden wanneer men vindt dat men dat kan en mag. De vergissing is monumentaal, en ze wordt heel erg duidelijk wanneer men net diezelfde apostelen van de Onbeperkte Vrijheid hoort klagen over migranten die geen respect hebben voor onze wetten en gewoonten.

De vrije meningsuiting die een fundament is van een democratie is diegene die hierboven beschreven is: een beregelde, geordende systematiek van communicatie, met sancties voor diegene die de regels overtreedt. Dat wil zeggen: vrije meningsuiting is maar een fundament van democratie wanneer ze gebruikt wordt binnen de perken die zijn vastgelegd door de wetgever en de samenleving. Daarbuiten wordt ze een aanslag op de ‘wetten en gewoonten van ons volk’, een vorm van geweldpleging, en dus een anti-democratische handeling die, net vanuit een bekommernis om democratie, gesanctioneerd kan worden. Voor deze regel bestaan geen verzachtende omstandigheden; het is een absolute regel die geldt voor mannen en vrouwen, rijk en arm, autochtonen en allochtonen, Moslims, Christenen en Joden, socialisten, Christen-Democraten, Liberalen en Vlaams-Nationalisten. Hij geldt ook voor extreem-rechts.

Laat ons de zaken scherp stellen. Wanneer de Vlaams Blok mandatarissen bij het verlaten van de rechtszaal verklaren dat ze zich niet gebonden achten door een uitspraak van eender welke rechtbank omdat het oordeel van de kiezer de wetten van dit land in belang overstijgt, dan begaan deze mandatarissen een vorm van geweld die gesanctioneerd moet worden. Die mandatarissen hebben immers, om mandataris te worden en zo parlementaire onschendbaarheid te verwerven, een eed afgelegd waarin ze ‘gehoorzaamheid aan de wetten van het Belgische volk’ zweren. Hun vrijheid van spreken bestaat dus enkel als gevolg van een reeks regels die ze door interventies zoals deze ridiculiseren – ze kunnen dit standpunt slechts verkondigen door hun eed te breken en zichzelf als parlementair te diskwalificeren.[4]

Waarheid

Dit lijkt allemaal evident, en dat zou het ook zijn ware het niet dat zich sterke bondgenoten aandienen voor de rechtse standpunten inzake vrije meningsuiting: waarheid en gelijkheid. De band met waarheid wordt voortdurend gelegd: vrije meningsuiting staat simpelweg voor de productie van waarheid, méér en betere waarheid. Theo van Goghs functioneel beledigen werd tot vrije meningsuiting verheven omdat ‘hij de waarheid sprak’, ‘de dingen zei zoals ze zijn’ of liever nog, ‘zegde wat U denkt’. Hetzelfde met Pim Fortuyn, het Vlaams Blok en vele anderen: harde, ongezouten, discriminerende en beledigende uitspraken worden snel voorgesteld als ‘waarheid’, zelfs als een ‘betere’ of puurder waarheid dan degene die minder onbehouwen en meer genuanceerde mensen produceren. Tegenover de parler vrai staan immers de ‘taboes’ en ‘politieke correctheid’. Merkwaardig genoeg blijken er in dit land enkel linkse taboes en vormen van politieke correctheid te bestaan. Links, zo stelt men het voor, houdt de lippen stijf opeen wanneer het over sommige ‘waarheden’ gaat, of ze verbloemen de waarheid en verzetten zich zonder redenen tegen mensen die bepaalde waarheden aankaarten. Links blijkt allerhande filters op de waarheid te hanteren: ideologische filters, filters die het gevolg zijn van een hogere opleiding of een hoger sociaal-economisch profiel, enzovoort. Het is dan de verdienste van mensen als Pim Fortuyn, Philippe Dewinter, Jean-Marie De Decker of Theo van Gogh, dat ze ‘de taboes doorbreken’ en ‘dingen bespreekbaar stellen’ – dat ze de linkse filters wegtoveren en de naakte waarheid laten zien, een waarheid die on-ideologisch is en niets subjectiefs heeft.

Men gaat hier uit van een eenvoudige, maar volkomen foute visie op taal: dat er zoiets is als een ‘pure’ uitdrukkingsvorm, een ‘kernachtige’, ‘essentiële’ communicatievorm die volkomen los staat van alle mogelijke subjectiviteit en de dingen in de wereld simpelweg beschrijft zoals ze zijn. Uitspraken als ‘negers stinken’, ‘makakken zijn bandieten’, ‘politici zijn zakkenvullers’ hebben dit soort essentieel-waarheidsdragend appèl. Tegenover die kernachtige waarheidsdragende uitspraken staat dan een ‘wollig’, ‘verbloemd’ taalgebruik, dat de dingen niet ‘beschrijft’ maar wel op een bepaalde manier ‘voorstelt’ – een subjectieve manier, een intellectuele of ideologische manier, een manier die allerhande kruiden aan de waarheid toevoegt en de waarheid dus verdraait. Onze media hemelen deze essentiële parler vrai op: wie in de media aan het woord wil komen moet ‘simpel’ spreken, spreken zonder er doekjes om te winden. En politici die dat doen krijgen schouderklopjes van de joernalisten, terwijl sprekers die voorzichtiger, genuanceerder of met minder spieren spreken al snel gezien worden als mensen die ‘rond de hete brij heen lopen’, ‘rond de pot draaien’, ‘intellectueel overkomen’ enzovoort. De taal van deze laatsten wordt gezien als minder waarheidsdragend dan die van de kordate, recht-voor-de-raapse volkse sprekers.

Het komt er binnen deze visie op neer weinig woorden te gebruiken – veel woorden gebruiken is immers al snel een kenmerk van ‘wolligheid’ – en geen enkele merkbare filter toe te laten tussen ervaring of gevoel, en uitspraak. Dat wil zeggen: als een zwaar voorwerp op je teen valt brul je ‘godverdomme!’; als je favoriete ploeg een kans mist grom je ‘miljaardedju!’; maar ook: als een allochtoon je zitplaats op de tram afsnoept zeg je ‘vuile makak’. Of ook nog: als een vrouw je avances afwijst zeg je ‘klotewijf’, als je werkgever je een verlofdag weigert zeg je ‘loop naar de duivel, smeerlap’, als een leerling een fout antwoord geeft zegt de leraar ‘stommeling’, als een rolstoelpatient op de trein moet gehesen worden en daardoor een minuut of twee vertraging veroorzaakt schreeuw je ‘stomme mankepoot!’, en ga zo maar voort.

De kwestie is: er is geen taalgebruik dat de dingen simpelweg beschrijft, zonder enige vorm van subjectiviteit of zonder dat er een reeks evaluaties met de boodschap wordt meegezonden. Er is dan ook geen enkele intrinsieke meerwaarde aan het soort krachtige, kordate en vaak beledigende uitspraken die thans politiek goed scoren. Wanneer Dewael zegt dat de Islam als cultuur inferieur is aan de onze, dan is dat een domme uitspraak, geen waarheid. Wanneer De Gucht zegt dat hij in Congo weinig indrukwekkende politici heeft ontmoet dan is dat eveneens een dwaze uitspraak, geen waarheid. En het probleem vandaag is dat men allerhande volstrekt dwaze uitspraken, leugens en beledigingen voorstelt als ‘de waarheid spreken’ of ‘de dingen zeggen zoals ze zijn’. Men schreeuwt in Amsterdam en Antwerpen om meer vrije meningsuiting; wat men krijgt is meer kletskoek, meer dwaasheid, meer halfbakken argumenten, meer slogans. Men krijgt niet meer waarheid.

(On)gelijkheid

Dat doet ons bij de derde associatie belanden: vrije meningsuiting wordt gekoppeld aan gelijkheid. Iedereen moet zijn of haar mening vrij kunnen verkondigen – de vrije meningsuiting staat voor een toestand waarin iedereen ongehinderd en omgeven met alle mogelijke respect, zijn of haar ‘gedacht kan zeggen’. De populaire politici van het ogenblik zijn diegene die ‘hun gedacht zeggen’ op de wijze zoals we hierboven zagen, zoals ‘de gewone man’. Een democratie, zo denkt men, is een systeem waarin iedereen vrij en ongehinderd alles mag zeggen, en waarin alle standpunten intrinsiek evenwaardig zijn. Het is net die misvatting die een vrijgeleide levert voor allerhande vormen van extremisme.

We zagen hierboven al dat de media bijdragen tot het beeld dat kernachtig, onverbloemd spreken meer ‘waarheid’ inhoudt dan voorzichtig en genuanceerd spreken. De media dragen ook bij tot het beeld van de gelijkheid van alle opinies. Het aantal programma’s waarin ‘de gewone man’ z’n zegje kan doen is al lang niet meer te tellen, en gimmicks waarbij een ‘gewoon’ lid van het studiopubliek zijn of haar mening kwijt kan over de mening van politici of deskundigen zijn eveneens een vast gegeven. De finale beoordeling van de waarheid ligt bij de ‘gewone man’, de ‘burger’ van Verhofstadt, en die burger spreekt bij voorkeur de ongezouten, onbehouwen, krachtige taal waarvan men denkt dat ze best de waarheid weergeeft. Het gevolg is dat de politicus die het best echo’s produceert van de stem van de gewone man overkomt als de politicus die de waarheid spreekt (‘eindelijk één die de dingen zegt zoals ze zijn!’). Wanneer de gewone man beweert dat hij in zijn buurt ’s avonds niet meer alleen op straat durft te lopen, dan is dit een waarheid en daardoor ook meteen een legitiem – democratisch – politiek standpunt, zelfs wanneer blijkt dat de angst van onze gewone man volkomen ongegrond is, en eerder zijn eigen psychose uitdrukt dan een beschrijving is van de toestand in zijn buurt.

Het is opvallend hoe nadrukkelijk men authentieke, waarheidsdragende ‘volkse’ stemmen is gaan associëren met radicale stemmen. Het zijn die stemmen die het rauwst klinken, het minst gefilterd door allerhande ideologische voorkeuren, opleidingsniveaus, of betrokkenheid in meer gesofistikeerde en gematigde middenveld-initiatieven. Om de sfeer weer te geven in de buurt rond een asielcentrum interviewt men een lid van een plaatselijk actiecomité dat zich om de asielzoekers bekommert; vervolgens interviewt men een buurtbewoner die dergelijke banden niet heeft (en dus vaak tégen het asielcentrum gekant is). De eerste stem klinkt soft, complex, voorwaardelijk, ietwat geleerd, links en abstract; de tweede klinkt écht, authentiek, onbevooroordeeld en niet beïnvloed door anderen. De ‘normale’ stem is de stem van degene die zich verzet tegen het asielcentrum, en dit is de stem die het best ‘de feiten’ beschrijft. Hetzelfde zien we wanneer het gaat om moslims: het is de radicale, compromisloos sprekende en bedreigende moslim die overkomt als de echte, ware, authentieke moslim. Gematigde moslims, moslims die lid zijn van overlegorganen of die een intellectuele achtergrond hebben, zijn niet ‘echt’, ze worden als een uitzondering voorgesteld.

Hier duikt een tweede volkomen foute visie op taal op: dat er zoiets is als een volkomen authentieke, strikt individuele en volmaakt autonome uitdrukking. Het is de suggestie dat van zodra een stem collectief klinkt, ze vals klinkt omdat ze niet langer een ‘pure’ uitdrukking is van de ‘eigen’ (d.i. volstrekt individuele) ervaring van de realiteit. De collectieve stem wordt gediskwalificeerd. In deze visie (die in allerhande opinie-onderzoek gehanteerd wordt) gaat men uit van het bestaan van essentiële, ‘pure’ opinies die ieder voor zich formuleert (‘ik heb daar m’n eigen gedacht over!’, ‘ik denk daar het mijne van’). In realiteit zijn het merendeel van onze opinies collectief en gestructureerd door het soort omgeving waarin we ons bevinden, spelen we dan ook om de haverklap leentjebuur bij de opinies van anderen (‘Jos, die in Brussel werkt, heeft eens gezien hoe…’), en verwijzen we mensen vaak door naar anderen voor ontwikkelde standpunten over bepaalde thema’s (‘je moet dat maar eens aan Jos vragen, die werkt in Brussel!’). Bovendien, en dat vergeten we ook nogal vaak, blijkt dat heel veel mensen over heel veel dingen simpelweg geen opinie hebben. Politici die hun oor te luisteren leggen bij de gewone man worden dan ook (tot hun vreugde, neem ik aan) vaak geconfronteerd met echo’s van hun eigen stem, die de ‘gewone man’ via de media heeft opgevangen en die voor heel wat politieke thema’s de enige opinie is die men bezit. Het Vlaams Blok zegt dus allang niet meer wat U denkt; U denkt wat het Vlaams Blok zegt, en zegt het hen na.

De kern van de zaak is dat vrije meningsuiting een kwalitatieve dimensie heeft, één die noodzakelijk onderscheiden inhoudt tussen ‘goede’ en ‘slechte’ meningen. Om het cru te stellen: niet elke mening verdient het van publiek vrij geuit te worden. En het feit dat een mening geuit is of vrij mag geuit worden houdt niet in dat deze mening als de waarheid moet gezien worden. Integendeel, net in een systeem waarin meningen vrij kunnen geuit worden moet men allerhande criteria hebben die waarheid van onzin onderscheiden, simplisme van noodzakelijke nuance, nuttig van nutteloos enzovoort. De media, die hierin van oudsher een belangrijke rol speelden, zijn ons de laatste jaren hierbij niet meteen behulpzaam geweest. We zijn mede door de vrij absurde beeldvorming over vrije meningsuiting van onze media de pedalen kwijt geraakt, en er heerst een zeer uitgesproken pudeur wanneer het erop aankomt tegen een ‘gewone man’ te zeggen dat hij raaskalt, tegen een politicus dat hij liegt. Alles is immers een mening – een kwakkel, een gerucht, een roddel, een belediging, een verzinsel – en die meningen zijn allemaal evenwaardig en moeten dan ook vrij kunnen circuleren. Onze media hebben nu een uitgesproken voorkeur voor ‘debatten’ waarin water en vuur tegenover elkaar worden gezet, waarin volkomen onverzoenbare ‘meningen’ in een verbale worsteling belanden zonder dat de connectie of de eventuele bruggen tussen die meningen worden aangegeven. Onze media zijn geen mediatoren meer, geen moderatoren: ze produceren en sacraliseren radicaliteit en antagonisme.

Wat we in dit alles voortdurend vergeten te vragen (en waarop we dus ook geen antwoord hebben) zijn dingen als: wat is een ‘mening’? wiens mening horen we hier? Wat is de geldigheid van deze mening? Hoe verhoudt deze mening zich tegenover allerhande processen van circulatie van meningen? Weegt deze mening op als argument tegen andere meningen? Enzovoort – we vergeten bestendig kwaliteitsvragen te stellen.  Het gevolg daarvan is dat elke mening aanvaardbaar lijkt van zodra ze aanvaardbaar wordt gecommuniceerd. Eerder dan een discussie over de mening zelf, gaat men discussies aan over de stijl waarin ze wordt gecommuniceerd. En zoals we al zagen, de gespierde, rauwe, kordate stijlen hebben hier een voorsprong op de andere.

Het gevolg is dat het maatschappelijke debat zich in een lamentabele toestand bevindt, omdat elk standpunt in beginsel even veel waard lijkt te zijn. Daardoor kan het dat mandatarissen wier partij net veroordeeld is wegens racisme op TV mogen komen beweren dat zij zich aan hun vonnis niets gelegen laten en dat hun standpunten ongewijzigd blijven – ze mogen als veroordeelde criminelen komen vertellen dat ze zullen recidiveren.[5] Dit beweren – deze enormiteit, deze ontkenning van elk democratisch principe – is immers nog altijd ‘een mening’ die ‘vrij geuit’ moet kunnen worden.

Slotsom: niet elke mening is gelijk, niet elke mening vertolkt de waarheid. Een verhoogde circulatie van meningen zonder onderscheid in kwaliteit betekent dan ook niet dat er meer waarheden in de samenleving aan de oppervlakte komen. En enkel wanneer men beseft dat respect voor een mening samenhangt met de kwaliteit van die mening en dat het bestaan van een mening niet inhoudt dat men deze mening moet accepteren, enkel dan kan vrije meningsuiting een instrument van democratie zijn.

(On)gelijkheid, bis

Ik ben het er volledig mee eens dat men opruiende en haatdragende publieke provocaties moet sanctioneren. Indien de door de Minister geviseerde Islamitische websites dat soort standpunten vertolken, dan verdienen ze dat. Waarmee ik meer moeite heb is de selectieve toepassing van deze sancties. Precies hetzelfde soort standpunten als degene die de Minister in gedachten heeft, in spiegelbeeld weliswaar, zagen we in het voorbeeld dat ik in de aanhef van dit stuk gaf. We hoeven niet lang te speuren op het Internet: onze Google zoekopdracht resulteert snel in honderden vergelijkbare sites waarin racisme, homofobie, sexisme, antisemitisme, anti-islamisme en xenofobie in alle mogelijke variaties verschijnen. En in dit land hebben we een partij die veroordeeld is voor net hetzelfde soort boodschappen. Maar prominente partijleden van Minister Dewael spreken nu al over een rapprochement tegenover die partij. Somers, Coveliers en vele anderen zijn van oordeel dat het Cordon Sanitaire zijn diensten heeft bewezen, en dat het Vlaams Blok goed op weg is om een rustige democratische partij te worden, ook al beweren kopstukken van het Blok dat ze zoals de Schelde wel van naam, maar niet van bedding zullen veranderen.

Zolang men dit soort kleurenblindheid niet oplost is de discussie over vrije meningsuiting een discussie zonder grond of uitkomst. Zolang we de meningen van sommigen bestrijden en verbieden en vergelijkbare meningen van anderen toelaten, enkel en alleen omwille van het verschil in politieke spierkracht achter die meningen, dan zijn de meningen niet vrij. Ze worden dan bepaald door fragiele evenwichten in parlementen en regeringen, en standpunten tegenover die meningen kunnen dan ook van dag op dag wijzigen. Zo komt vrije meningsuiting als politiek gegeven op dezelfde hoogte te staan als de omvang van de verkeersboetes, het Mest Actie Plan, de zonevreemde woningen: de ene coalitie zal streng zijn, de volgende mild. Dat vrije meningsuiting een fundamenteel beginsel is van ons systeem begint op die manier wel heel ongeloofwaardig te klinken.

Zeker in een klimaat waarin alles moet kunnen als het op meningen aankomt, is het ongerijmd de meningen van één of enkele doelgroepen te bestraffen. Wie in een televisiestudio een Vlaming aan het woord laat die zegt dat hij zich niet gebonden acht door de uitspraak van een Belgische rechter omdat de wil van het Vlaamse Volk de Belgische wetten overstijgt, kan moeilijk verzet aantekenen wanneer een moslim vervolgens zegt dat de Belgische wetten niet opwegen tegen de wetten van Allah. Er is geen reden waarom de ene mening toelaatbaar zou zijn en de andere niet, wanneer men uitgaat van de gelijkheid van alle meningen en van het feit dat elke mening vrij publiek geuit moet kunnen worden indien we onszelf een democratie willen noemen. Beide meningen zijn fout, ontoelaatbaar en anti-democratisch, en horen dus niet in het publieke domein. Punt.

Meningsuiting bevrijden

Het is op dit punt dat we zien dat vrije meningsuiting niet langer een woord is dat de realiteit beschrijft. Het staat immers voor de meest paradoxale en ongerijmde dingen. Het heeft opgehouden te bestaan als een beschrijvend begrip, en is verschoven naar een argumentatief begrip, een slogan, die selectief kan gebruikt worden, niet noodzakelijk op z’n plaats hoeft te staan om effect te hebben, en zelfs gebruikt kan worden door mensen die bijzonder slecht geplaatst zijn om ‘m te gebruiken. Beknotters van de vrije meningsuiting van anderen kunnen met de grootste effectiviteit klagen over de beknotting van hun eigen vrije meningsuiting, net zoals de beknotters van de democratie van anderen perfect kunnen klagen dat die anderen hun democratie beknotten, en degenen die andermans mensenrechten schenden zich beklagen over de schendingen die anderen begaan. In die woordenwereld is het goed voor ogen te houden dat woorden politieke posities aangeven, en geen feiten meer beschrijven.

Ik vrees dan ook dat we een dubbele opdracht hebben. Enerzijds moeten vrije meningsuiting terug een betekenis geven. Dat betekent dat we moeten nadenken over criteria voor ‘meningen’ en voor de circulatie ervan, en moeten we alle meningen aan strengere kwaliteitsoordelen onderwerpen. Om het scherp te stellen: we moeten terug wat publieke goede manieren afdwingen, en zo het onderscheid durven aangeven tussen prietpraat en ernst, een ernstige beschuldiging en een gratuite belediging, een deugdelijke analyse en een reeks impressies, tussen waarheid en leugen. Anderzijds moeten we consequent zijn in de toepassing van deze criteria. We zijn volslagen ongeloofwaardig wanneer we overgevoelig zijn voor de enen en volkomen ongevoelig voor de anderen. Enkel wanneer we dit consequent hanteren worden de verschillen in meningen zichtbaar en duidelijk – zijn we dus ook vrij om nonsens als nonsens te beschouwen, zijn we bevrijd van de monumentale vergissingen die het huidige debat over vrije meningsuiting plagen.

Misschien zullen we dan begrijpen dat een ‘functionele belediging’ in de eerste plaats een belediging is die kwetst, krenkt, stigmatiseert en agressie opwekt, en dat degene die ze begaat zijn samenleving misschien niet echt een dienst bewijst, maar ze eerder armer, kwetsbaarder en zieliger maakt. Misschien zijn we dan in staat om aan functionele beledigers duidelijk te maken dat ze hun wrok of misnoegen best via serieuze, onderbouwde en redelijke argumenten aanbrengen indien ze er een publiek forum voor willen. Dat zal hen verplichten argumenten te zoeken, na te denken over die zaken, en wie weet, misschien zelfs te constateren dat ze eigenlijk geen argumenten hebben buiten hun eigen individueelste ergernissen, fobieën en manieën. En wie weet trekt men misschien dan het besluit dat het eigen ego niet noodzakelijk de hele samenleving moet wakker houden, en dat het eigen belang niet meteen model staat voor het algemeen belang.

Goede manieren, het algemeen belang: ik gebruik hier vreemde, ouderwetse woorden. Maar misschien hebben die oude woorden nog steeds wat meer reële inhoud dan dat gekke, paradoxale, inhoudsloze woord ‘vrije meningsuiting’ dat beetje bij beetje een rechtse, discriminerende slogan geworden is.


[1] Men moet zich hier afvragen waarop dit slaat: wat zou een ‘anti-Westerse’ uitspraak zijn? Men zou, om deze vraag te beantwoorden, eerst het begrip ‘Westers’ moeten aflijnen, dan nagaan wat ‘anti-Westers’ is, om tenslotte nog te bepalen in hoeverre deze anti-Westerse uitspraak een uiting is van oppositie eerder dan een bedreiging of een daad van terreur. Voorwaar geen makkelijke opdracht. Er schuilt een bijzonder groot gevaar in het lapidair hanteren van termen zoals ‘Westers’ en ‘anti-Westers’ in een context van bestraffing en repressie. Joe McCarthy’s commissie droeg de naam House Committee on un-American activities, en ‘un-American’ sloeg simpelweg op communistische, marxistische, syndicale, ecologische of andere progressieve standpunten. Men dreigt nu precies dezelfde fout te maken, en daardoor in net eenzelfde soort heksenjacht te belanden.

[2] Men mag niet vergeten dat er na de moord op van Gogh in Nederland verschillende aanslagen werden gepleegd tegen moskeeën en moslimscholen. Dergelijke daden zijn net zozeer vormen van terrorisme als de moord zelf.

[3] Het Vlaams Blok is niet de eerste politieke actor in dit land die tegen de lamp van de vrije meningsuiting loopt. De vroegere Socialistische voorman Jos Van Eynde kwam in zijn loopbaan als hoofdredacteur van de Volksgazet herhaaldelijk in de problemen omdat hij zijn politieke tegenstrevers op al te brutale manier aanpakte in zijn editorialen. Jos Van Eynde was niet vies van ‘functioneel beledigen’, om de terminologie van Theo van Gogh te gebruiken, en ook de socialisten waren een (zeer) grote politieke formatie, die zeer veel kiezers vertegenwoordigde. Het Vlaams Blok kan zich dus in goed gezelschap voelen.

[4] Om nog even terug te komen op de kwestie van ‘anti-Westerse’ uitspraken hierboven: men zou kunnen zeggen dat het Vlaams Blok hier een anti-Westerse uitspraak doet. Ze ontkennen immers de balans van de drie machten – wetgevende, uitvoerende en rechterlijke – die het institutionele fundament van elke Westerse democratie is, en die door internationale organisaties zoals de EU wordt gehanteerd als één van de criteria om het democratische gehalte van andere landen te bepalen.

[5] We stippen even aan dat Dewinter in Ter Zake werd uitgespeeld tegen Bart De Wever, de voorzitter van NVA en een man die nauwelijks van mening verschilt met Dewinter. Dit viel op, want het doorbreekt de eerder gegeven regel waarin de media water en vuur tegenover mekaar plaatst – Abou Jahjah wordt tegenover Dewinter geplaatst. In dit bewuste geval kwam De Wever niet verder dan wat geneuzel over de stroeve, barse stijl waarmee het Vlaams Blok hen benadert. Ten gronde stond hij aan de zijde van Dewinter en zijn veroordeelde partij. Men kan zich een interessante analogie inbeelden: Dutroux die in een televisiestudio met een pedofiel als tegenstrever wordt geconfronteerd. Ook daar zou men in de discussie een verregaande normalisering van het vergrijp van Dutroux merken. Alleen zouden we dit schandelijk vinden.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s