De paradox van Hayek, hoofdstuk 1 (sneak preview)

Dit is een eerste versie van het openingshoofdstuk in een nieuw boek dat ik eerstdaags hoop af te werken samen met Karim Zahidi, getiteld “De Paradox van Hayek”.

Afbeelding

Een rondje moderne slavernij

Een flatgebouwtje in Dhaka

Op 24 april 2013 stortte in Dhaka, de hoofdstad van het straatarme Bangladesh, een gebouw in. In dat gebouw van acht verdiepingen waren op dat moment duizenden arbeiders aan het werk. Ze maakten er het modieuze textiel dat de rekken van winkels aan de Antwerpse Meir of de Gentse Veldstraat vult onder merknamen zoals Benetton en Mango. En ze deden dat in zeer lange shifts, aan een hongerloon, en in arbeidscondities die rechtstreeks aanleiding gaven tot de instorting van het gebouw. De tol was dan ook vreselijk. Op 13 mei werd het dodenaantal vastgesteld op 1129; het aantal gewonden lag ruim boven de 2500, waaronder vele ernstig gewonden wier kans op herstel, en dus op het hervatten van hun arbeidsloopbaan, zeer klein was.

De ramp trof bijna vierduizend uiterst arme hardwerkende mensen en hun families. Voor vele families ging met de ramp de enige broodwinner verloren. Die families wachten in overwegende mate nog steeds op compensaties. Een van de firma’s die in het gebouw aanwezig was, de Ierse groep Primark, was bereid 200 Amerikaanse dollar compensatie te schenken aan de nabestaanden van de dodelijke slachtoffers. Maar die moesten wel eerst een DNA-test ondergaan (en betalen) om hun verwantschap met de overledenen vast te stellen.

In de dagen na de ramp braken in vele plaatsen in Bangladesh rellen uit, waarbij arbeiders uit gelijksoortige sweatshops de straten optrokken en fabrieksgebouwen en overheidskantoren aanvielen. De 1 mei viering in Dhaka van dat jaar escaleerde eveneens in een massale protestbetoging tegen de arbeidsomstandigheden in de Bangladeshi textielnijverheid. Het internationale protest kwam ook zeer spoedig op gang, met steunacties in Oost en West en een pers die scherpe aanklachten liet horen tegen de onmenselijke gradaties van uitbuiting en ongelijkheid die aan de wortel van deze ramp lagen. De Bangladeshi staat kwam in actie tegen de eigenaars van het gebouw en tegen sommige bedrijven die er mensen in tewerk stelden, en er kwamen formele aanklachten wegens allerhande bouwovertredingen en overtredingen van reglementen op veiligheid en comfort voor arbeiders.

Verschillende grote kledingconcerns gaven prompt blijk van ethische overwegingen en legden nieuwe en strengere voorwaarden op aan hun Bangladeshi producenten. Maar een jaar na datum is er aan de grote structuren van de geglobaliseerde kledingnijverheid nauwelijks iets veranderd: de sweatshops bestaan nog altijd en ze stellen nog steeds honderdduizenden mensen te werk in onwaarschijnlijk slechte arbeidsomstandigheden; de dure merkproducten die in die fabriekjes aan bodemprijzen worden vervaardigd worden ook nog steeds in de winkels op de Meir en in de Veldstraat aangeboden; de enorme winsten die via dit systeem van productie te rapen zijn – zo goedkoop mogelijk produceren en zo duur mogelijk verkopen – verdwijnen nog altijd in de kluizen van de aandeelhouders van grotendeels in het Westen gevestigde textielconcerns of financiële groepen.

De ramp in Dhaka gunde de wereld heel even een blik in de achterkant van het hedendaagse geglobaliseerde kapitalisme. En die achterkant is niet fraai: werkdagen van 14 of 16 uur zonder contract, voor mannen, vrouwen en kinderen tussen de 12 en de 70 jaar oud; doorgaans aan uurlonen die zelfs moeilijk in Eurocenten uit te drukken zijn en soms geheel gratis, als wederdienst voor een eerder verschafte lening; arbeidsplaatsen die uiterst gevaarlijk en ongezond zijn; met allerhande vormen van fysiek, psychisch of infrastructureel geweld om de arbeiders onder controle te houden – zo ziet die achterkant eruit.

We krijgen die achterkant zelden te zien, en als we ‘m te zien krijgen lijkt ons geheugen kort en selectief. We vergeten blijkbaar graag nogal snel dat onze luxeproducten hun oorsprong hebben in diepe armoede en extreme uitbuiting. Vermits wij graag pronken met onze Benetton T-shirt beelden we ons in dat die T-shirt ook gedragen wordt door zij die hem hebben geweven, gestikt en geverfd. Of dat de dure ring die we aan onze geliefde geven is vervaardigd door mensen die zich even goed tooien met goud, diamant en platina.

Een afgelegen mijn in Zuid-Afrika

Welnu, in augustus 2012, minder dan een jaar voor de nachtmerrie in Dhaka, gingen mijnwerkers in de Zuid-Afrikaanse Lonmin platinamijn in Marikana in staking. Marikana ligt in het noordoosten van Zuid-Afrika in een afgelegen mijngebied. Lonmin is een van de grootste platina-producenten ter wereld en het bedrijf doet het goed. De platinaprijs op de wereldmarkt is tussen 1992 en nu zowat verviervoudigd, en Lonmin staat op de beurs van London genoteerd in de FTSE 250 Index. Het bedrijf rapporteerde in het eerste kwartaal van 2011 nog een winst van 159 miljoen dollar.

Het ging hier om een spontane staking, waarbij de mijnwerkers een zeer grote loonsopslag eisten. Ze deden keihard, gespecialiseerd en gevaarlijk werk aan een loon van ongeveer 3000 Rand (circa 200 Euro) per maand – achttien jaar na het verdwijnen van Apartheid waren de lonen van de overwegend zwarte mijnwerkers er nauwelijks op vooruit gegaan. Nu eisten ze een loonsopslag van ruim 12000 Rand, hetgeen hen een maandelijks loon van zowat 1000 Euro zou opleveren. Lonmin weigerde te onderhandelen, en bij de schermutselingen die na die weigering uitbraken tussen de veiligheidsdienst van Lonmin, vakbondslui en stakende mijnwerkers vielen de eerste dodelijke slachtoffers.

Op 16 augustus, bij een nieuwe demonstratie van de mijnwerkers, opende een gespecialiseerde eenheid van de Zuid-Afrikaanse politie het vuur op de demonstranten. Er vielen ruim 100 slachtoffers, waaronder 34 doden. Het was de ergste uitbarsting van politiegeweld in Zuid-Afrika sedert de moordpartij in Sharpeville in 1960, die de strijd tegen de Apartheid voorgoed gestalte gaf. Nu, in het democratische en neoliberale Zuid-Afrika, vuurden overwegend zwarte politiemannen op zwarte mijnwerkers. En in wat we best als een opwelling van zinsverbijstering beschouwen greep de Zuid-Afrikaanse overheid naar een van de meest afschuwelijke wetten uit de tijd van Apartheid om de staking te breken: demonstranten konden schuldig worden gesteld aan moord en doodslag op de slachtoffers die tijdens hun demonstraties gevallen waren. 270 stakers werden op beschuldiging van moord gearresteerd.

Na de schietpartij kwamen de vrouwen van de mijnwerkers massaal de straat op. Ze zongen strijdliederen uit de tijd van de gewapende anti-Apartheid, en vervingen nu verwijzingen naar de blanke “Boers” door verwijzingen naar de ANC-regering van Jacob Zuma. De hele mijn ging nu in staking, en ook elders in Zuid-Afrika legden mijnwerkers het werk neer en eisten drastische loonsverhogingen. Er kwam eindelijk bemiddeling en er werd een compromis gevonden: een loonsverhoging van 22%. De hoogst gekwalificeerde mijnwerkers kunnen nu zo’n 1000 Euro per maand verdienen; de topkaders van het bedrijf krijgen geen loonsverhoging en moeten dus tevreden zijn met zowat het 70- tot 100-voud van dit loon.

De gearresteerde stakers werden weer vrijgelaten, maar de toestand in de Zuid-Afrikaanse mijnen is nog steeds onrustig, want door de opening van de Zuid-Afrikaanse grenzen na het einde van Apartheid zorgen vele duizenden gastarbeiders uit andere Afrikaanse landen voor een permanente neerwaartse druk op de lonen. In bepaalde mijnen werken die migranten aan stukloon: ze worden slechts betaald wanneer ze goud of diamant bovenhalen. Deze lage lonen staan haaks op de inkomsten: de goudprijs verdriedubbelde tussen 2005 en nu, en was in 2012 zelfs ruim vier keer zo hoog als in 2005. Ook diamant piekte in 2012, en de prijs van diamant is zowat vertienvoudigd in de laatste halve eeuw, met een enorme stijging sinds de financiële crisis van 2008.

Het drama in Marikana had economische gevolgen. De Zuid-Afrikaanse munt leed stevig waardeverlies omwille van de gebeurtenissen. Ook drukten de internationale zakenkranten hun grote bezorgdheid uit over de loonsverhogingen, samen met hun vrees dat deze wel eens de hele mijnsector zouden kunnen besmetten, wat het investeringsklimaat in Zuid-Afrika negatief zou beïnvloeden – iets wat de neoliberale regering koste wat kost wil vermijden.

Net zoals bij de Benetton T-shirts zien we dat de mensen die onze gouden en platina juwelen produceren ze niet zelf dragen – dat deze mensen aan een hongerloon werken, vaak in extreme arbeidsomstandigheden, en met geweld als stok achter de deur wanneer looneisen naar de maatstaven van de bedrijven “onredelijk” lijken. En ook hier zien we hoe megawinsten van diezelfde bedrijven geen gunstig effect blijken te hebben op de lonen en de arbeidsomstandigheden van de arbeiders. Integendeel: een zo laag mogelijk loon gekoppeld aan minimale investeringen in de arbeidsomstandigheden, en aan een zo extreem mogelijke productiviteit van de arbeiders zorgt voor zeer hoge winsten. Wanneer deze formule in het gedrang komt, omwille van de doden in Marikana bijvoorbeeld, dan moppert de zakenwereld en gaan de gele kaarten van de rating bureaus meteen de lucht in.

Voetbaltempels in Qatar

Hoewel er belangrijke verschillen tussen beide landen zijn, zijn Bangladesh en Zuid-Afrika allebei ontwikkelingslanden met een enorme kloof tussen de arme massa en een rijke toplaag. Het ligt voor de hand dat we deze twee voorbeelden dan ook van de hand wijzen als specifiek en eigen aan dat soort arme landen, die in de wereldeconomie de rol van producent van primaire producten vervullen. Laat ons daarom eens kijken naar een land uit een geheel andere categorie: de oliestaat Qatar.

Qatar, een absolute monarchie geleid door een Emir, heeft het hoogste BNP per capita ter wereld, en 14% van de Qatari gezinnen zijn dollarmiljonair. Er is geen inkomensbelasting, dus wie verdient hoeft vadertje staat daarvoor niet te vergoeden. Er is dan ook geen Qatari onderklasse; ze wordt gewoon geïmporteerd: zowat 94% van de arbeidende bevolking is immigrant en wordt in overwegende mate vanuit het Verre Oosten naar Qatar gehaald. Dat verloopt doorgaans via koppelbazen (dikwijls verwant aan de Emir) die massaal rekruteren in Azië en soms op regeringsniveau migratiecontracten afsluiten.

Qatar is de organisator van het FIFA wereldkampioenschap voetbal van 2022 – een toewijzing die de FIFA op flink wat kritiek kwam te staan. In functie daarvan worden een aantal enorme nieuwe voetbalstadions opgetrokken die, gegeven het extreem hete klimaat in het land, voorzien moeten zijn van koelsystemen en airconditioning. Het kostenplaatje van dit kampioenschap is dan ook ronduit astronomisch: men raamt het op een onwezenlijke 150 miljard dollar. En om deze enorme infrastructuurwerken allemaal op tijd voor mekaar te krijgen heeft Qatar niet minder dan 1,8 miljoen migranten-bouwvakkers aangetrokken via het gebruikelijke systeem van koppelbazen.

De praktijken van die koppelbazen zijn al vele jaren het voorwerp van controverse, in zoverre zelfs dat Qatar stilaan de reputatie van een “slavenstaat” begint te krijgen. Om in aanmerking te komen voor werk bij die koppelbazen moeten arbeiders vaak een zeer hoog bedrag voor de rekrutering neertellen; daarvoor kunnen ze lenen bij de koppelbaas zelf, vaak aan een woekerrente. Bij aankomst in Qatar moeten gastarbeiders vaak hun paspoort afgeven, zodat ze volledig afhankelijk worden van hun werkgever. Lonen liggen belachelijk laag, de arbeidsomstandigheden zijn vaak extreem, en diverse vormen van misbruik halen sporadisch het wereldnieuws. Zo rapporteerde Amnesty International in december 2013 een groep van zowat 80 Nepalese bouwvakkers die al ruim een jaar niet waren uitbetaald. Ze leefden in erbarmelijke omstandigheden, en aangezien hun gezinnen thuis volledig afhankelijk waren van het geld uit Qatar hadden ook zij het in Nepal bijzonder hard te verduren. Tijdens de arbeidsperiode was er een chronisch gebrek aan voedsel en water voor de arbeiders, en leefden ze in kampen met erbarmelijke sanitaire voorzieningen. De Nepalese arbeiders beschreven hun situatie als “dwangarbeid”: hun paspoorten waren afgenomen, ze werden niet betaald, en ze moesten zeven dagen op zeven keihard werken.

Op de bouwwerven voor de stadions zijn de arbeidsomstandigheden levensgevaarlijk. In 2013 raakten ruim 1000 arbeiders gewond bij valpartijen op de werven, en met een gemiddelde van vijf dodelijke slachtoffers per 100.000 arbeiders komt Qatar stilaan in de buurt van de trieste leidersplaats in de wereld wat dit betreft. Niet minder dan 44 arbeiders lieten het leven op de bouwwerven in de afgelopen drie jaar. De meeste arbeiders krijgen immers geen opleiding inzake veiligheid op de werf, en de voorzieningen en voorzorgsmaatregelen in dat verband laten zo ernstig te wensen over dat zelfs FIFA uit z’n eeuwige slaap ontwaakte en een aantal drastische verbeteringen eiste van het organisatiecomité in Qatar.

Zo, in een van de rijkste landen ter wereld blijken miljoenen mensen actief te zijn in een arbeidsklimaat waarvoor termen als slavernij en dwangarbeid worden gebruikt. Er is nochtans geld genoeg om degelijke lonen uit te betalen, en ook het absurd hoge budget voor de organisatie van het voetbalkampioenschap – een uiterst prestigieus “global event” zoals dat heet – zou goede lonen moeten mogelijk maken. Er wordt trouwens ook goed geld verdiend: de Belgische groep Besix voert in Qatar voor honderden miljoenen bouwprojecten uit en boekte in 2012 zowat 100 miljoen winst. Gegevens over de salarissen van bouwvakkers bij Besix ontbreken helaas.

Extreme uitbuiting van arbeiders blijkt dus niet beperkt te zijn tot ontwikkelingslanden. Maar toch: de kritische lezer zou ook hier kunnen opwerpen dat het hier om een wat bizar regime gaat met feodale trekjes, en dat ook dit derhalve een uitzondering is. Slavernij in Qatar, ja dat kan wel zijn. Maar in onze Westerse welvaartsstaten is zulks volstrekt ondenkbaar.

Wel…

Berlaymontgebouw, Brussel

In juli 2013 werd de anders vrij gezapige Brusselse Euro-gemeenschap opgeschrikt door, jawel, sociaal protest. Een organisatie die zichzelf “BXL Intern” noemde, en die enkele honderden mensen groepeerde die als stagiairs aan de slag zijn bij de EU, kwam op straat en protesteerde tegen het arbeidsklimaat waaraan deze stagiairs onderworpen zijn. Sommigen kregen van de EU-afdeling waarbij ze stage lopen een toelage van 1000 Euro per maand; anderen krijgen zelfs dat niet en gaan dagelijks gratis aan de slag met collega’s die tot de best verdienende ambtenaren van Europa behoren. Ook hier viel het woord “slavernij” – en dit aan de deur van het Berlaymontgebouw, waar EU-commissarissen om ter luidst roepen dat ze iets aan de jongerenwerkloosheid in de Unie willen doen. De oplossing – een tijdje gratis en voor niets gaan werken bij de instelling die tewerkstellingsbeleid en crisisbestrijding als haar hoogste doel heeft – blijkt niet te bevallen.

Let op: in tegenstelling tot alle voorgaande gevallen gaat het hier niet om eenvoudige arbeiders. De stagiairs bij de EU zijn doorgaans mensen die een zeer hoge opleiding hebben genoten, vaak aan prestigieuze universiteiten, en wier ambities in een aantal gevallen geen grenzen kennen. Je raakt overigens ook niet zomaar binnen bij de EU want er zijn strenge selectieprocedures. En het lijntje “EU stagiair” op het CV – zo denkt men althans – is in het latere leven vaak goud waard. Dit zijn winners.

Toch moeten ze lange uren werken voor niets en hebben ze daarin blijkbaar geen keuze: het tijdje slavernij of hongerloon als stagiair wordt gezien als een wezenlijk onderdeel van de beroepsopleiding, als iets wat noodzakelijk is in de uitbouw van een grote en lucratieve loopbaan. En wat de werkgever betreft: die heeft prijs op alle fronten. Je krijgt goed opgeleide, zeer gemotiveerde en ambitieuze werkkrachten binnen die gratis of voor een hongerloon zich het pleuris werken, en daar nog tevreden mee zijn ook. Althans, tot juli 2013, want dan bleek, tot verbijstering van de EU bonzen, dat deze stagiairs dit systeem eigenlijk onfair vinden.

Het gebruik – of misbruik – van stagiairs is wijd verspreid in zowat alle sectoren waarin hoge ambities de regel zijn. In de Londonse City en Wall Street in New York struikel je over de Interns: jonge mensen in pakken en dassen (voor de heren) of tweestuks pakjes (voor de vrouwen) die er vreselijk vermoeid uitzien, vaak een enorme beker koffie en een zakje met junkfood meezeulen, en altijd gehaast lijken. Ook in Silicon Valley, bij Google, Facebook en andere technobedrijven kan je ze niet mislopen. Ze werken er als als paarden en soms wordt het teveel.

Een Duitse 21-jarige stagiair bij Bank of America Merill Lynch in de City in London overleed in augustus 2013 aan een hartstilstand na drie dagen en nachten ononderbroken werk; deze tevoren zeer gezonde jongeman had kort voor zijn overlijden een eerste aanval van epilepsie gehad, en ook dat was te wijten aan het arbeidsklimaat waarin hij z’n rondjes draaide. Bank of America Merrill Lynch betreurde het overlijden vanzelfsprekend, maar weigerde alle commentaar op het arbeidsregime onder z’n stagiairs, zeggende dat het systeem van stage een win-win situatie schiep waarin bank en kandidaat-werknemer elkaar gedurende een tijdje heel goed konden leren kennen. Het hoorde simpelweg bij de rekruteringstrategie van de bank: wie dit regime niet aankon, moest er niet op rekenen daar ooit een loopbaan te beginnen. De hel van de stage was dan een eerste vuurproef; de 21-jarige Duitser heeft ze helaas niet overleefd.

Wat krijgen die stagiairs in ruil? Geen geld, dat hebben we al gezien. Men gaat gratis aan het werk of aan een buiten proporties kleine vergoeding. Op Wall Street, waar mensen fenomenaal veel geld kunnen verdienen, schommelt het gemiddelde salaris van stagiairs – zorgvuldig geselecteerde top performers – tussen de 3000 en de 4500 dollar per maand, een bedrag waarmee men in Manhattan nauwelijks de huur van een kamertje mee betaalt. Facebook en Google scoren iets beter met toelagen rond de 6000 dollar per maand – wat overeenstemt met het loon van de laagst betaalde werknemers maar slechts de helft bedraagt van de beter betaalden, terwijl men dezelfde kwaliteit van werk en een extreme inzet eist van de stagiair.

Wat ze wel krijgen, is de hoop op een loopbaan. Na de stage, en op voorwaarde dat men tijdens deze stage blijk heeft gegeven van een totale overgave aan de job en het bedrijf, kan er een contract liggen. En met dat contract begint men een loopbaan, die dan hopelijk leidt tot vorstelijke vergoedingen en allerhande voorrechten die winners toekomen. De uiteindelijke winner is natuurlijk het bedrijf, dat een grote hoeveelheid zeer hoog gekwalificeerde arbeid krijgt zonder noemenswaardige vergoeding in loon; dat van dergelijke werknemers werkelijk zowat alles mag vragen en verwachten; dat daarbij geen rekening hoeft te houden met de rechten van statutaire werknemers; en dat die uiterst goedkope en hoogwaardige arbeid dan kan omzetten in winsten. Stages in dit soort topsectoren zijn een extreme vorm van uitbuiting, en die uitbuiting doet zich voor in de meest welvarende landen ter wereld. Het Berlaymontgebouw in Brussel blijkt er merkwaardig genoeg een centrum van te zijn.

Over slavernij en vrijheid

Slavernij is afgeschaft in de 19de eeuw. Die afschaffing was een enorme overwinning van de liberale beweging, die de waardigheid van de mens als centraal en bepalend element in haar denken en actie vooropstelde. Lijfeigenschap was in Europa al eerder verdwenen, ook al duurde het in het als achterlijk beschouwde Rusland van de Tsaar nog voort tot rond de vroege twintigste eeuw. En wat dwangarbeid betreft: dit bestaat enkel nog als een vorm van zware bestraffing, opgelegd na zeer ernstige misdaden. Het gegeven dat mensen onder dwang arbeid moeten verrichten, daarbij geen of geen noemenswaardig loon verwerven, en in dit alles geen eigen keuzevrijheid en zelfbeschikking kunnen uitoefenen – dat gegeven, daarvan dachten we dat als moderne samenlevingen achter ons hadden gelaten. We waren “liberaal” geworden, en die term houdt het Latijnse woord voor “vrijheid” in.

Dat was ons trouwens beloofd en verzekerd door een Oostenrijkse econoom die men nu als de vader van het neoliberalisme aanziet. Friedrich von Hayek, die later de Nobelprijs Economie zou krijgen voor zijn technische bijdragen aan die wetenschapstak, werd vanaf het midden van de twintigste eeuw de pleitbezorger van een volkomen vrije markt – let op het woord “vrij” – en de vaandeldrager van het verzet tegen de inmenging van de overheid in het economische proces. Over dat laatste schreef hij in 1944 een klassieker, The Road to Serfdom (“de weg naar het lijfeigenschap”), die tot vandaag wordt beschouwd als het manifest van het moderne neoliberalisme. In dat boek schilderde hij overheidsinmenging in economische (en daardoor ook sociaaleconomische) processen af als het recept voor het verlies van “vrijheid”. In de plaats daarvan kwam onderwerping aan de wil van de staat, en in dat opzicht zag Hayek de New Deal van Roosevelt, en zelfs de interventionistische leer van John Maynard Keynes, als stapjes op weg naar het Sovjetsysteem in Stalinistische stijl. Economische vrijheid was de kern van alle vrijheid, en men moest te allen tijde de economische actoren hun gang laten gaan – in alle vrijheid, op basis van rationele keuzes die elk op zich, zoals Adam Smiths “onzichtbare hand”, het algemeen belang optimaal zouden dienen en ieders welvaart maximaal zouden verzorgen.

Hayek en zijn volgelingen hebben uiteindelijk hun zin gekregen. Met de val van de Sovjet-Unie kwam de ideologische tegenstelling tussen een planeconomie en een vrije markteconomie ten einde en zegevierde die laatste. Vanaf de jaren 1990 wordt de nieuwe wereldorde gedomineerd door neoliberale principes die met elk nieuw internationaal verdrag verder concreet gestalte krijgen. Overheden privatiseren zeer grote delen van hun infrastructuur en instrumentarium, incluis de nutsbedrijven, banken en verzekeringsinstellingen die in handen van de overheid waren. Handelsakkoorden zorgen er voor dat telkens weer nieuwe producten, diensten of middelen onttrokken worden aan de regulerende greep van de staat.

En wat arbeid en arbeidsorganisatie betreft: ook daar is men van mening dat men best gewoon de marktmechanismen laat spelen. En dat betekent: laat werkgever en werknemer gewoon in alle vrijheid zelf afspreken aan welke voorwaarden zal gewerkt worden; het is niet langer aan de overheid om zaken zoals minimum- of maximumlonen te bepalen, de arbeidsduur en de arbeidscondities te reguleren, modaliteiten voor ontslag op te leggen, of zich te mengen in de diverse andere rechten en voordelen die een job met zich meebrengen – ziekteverzekering, pensioen, verlofrechten. Wanneer een werknemer een job aanvaardt, dan doet hij/zij dat in alle vrijheid, soevereiniteit en zelfstandigheid. Hij/zij aanvaardt dan vrijwillig de voorwaarden die worden voorgesteld door de werkgever; als deze voorwaarden niet volstaan, dan gaat hij/zij gewoon niet in op het aanbod van de werkgever, einde verhaal.

Er zijn segmenten in de arbeidsmarkt waarin deze mechanismen gelden en best goed functioneren. CEO’s en andere toplui hebben inderdaad doorgaans ruime keuzemogelijkheden en nemen een prima onderhandelingspositie in. Ze togen dan ook huiswaarts met gepersonaliseerde packages van loon aangevuld met allerhande andere voordelen, en ze hebben die deal zelf in alle vrijheid en soevereiniteit kunnen maken met hun werkgever. Voldoet de deal niet – denk aan Johnny Thys bij Bpost in 2013 – dan tekent hij/zij gewoon geen contract en gaan beide partijen (al dan niet in vriendschap) uit mekaar. Zij zijn uiteraard op geen enkele wijze gebaat bij beperkingen die door de overheid zouden worden opgelegd inzake maximumloon, fiscale constructies voor verloning, extra voordelen, pensioenopbouw, ontslagvergoeding en dergelijke meer. Zij bevinden zich in Hayeks ideale “vrije” arbeidsmarkt, en enkele theorieën over loonstructuur leggen uit dat zij de perfecte balans hebben gevonden tussen waarde van hun arbeid en hoogte van hun loon.

Dat is trouwens deel geworden van het dominante vertoog over toplonen: topmanagers zijn zulke uitzonderlijke figuren, in het bezit van zo’n exclusieve competenties en ervaringen, dat hun uren arbeid bijzonder veel geld waard zijn. Dat exuberante toplonen – de lonen die nu aan topkaders worden uitbetaald – de hoogste zijn in de geschiedenis, en bovendien een fenomeen zijn van zeer recente origine, blijkt geen afbreuk te doen aan deze visie: een topmanager is elke Euro waard die het bedrijf hem/haar betaalt. Hetzelfde kan helaas niet worden gezegd van de gewone bediende of arbeider.

Het segment dat baat heeft bij die neoliberale benadering van arbeid is immers uiterst klein, en voor de overgrote meerderheid van de werkende bevolking – bij ons zowel als elders – is vrijheid op de arbeidsmarkt een illusie. Integendeel: onvrijheid bepaalt de basisverhouding tussen werkgever en werknemer, en de voorbeelden die we eerder gaven zijn hiervan slechts extreme uitingen. De doorsnee mens gaat niet werken uit keuze, maar uit noodzaak; en hij/zij ondergaat daarbij in toenemende mate zelfs dwang. Denk aan de vele manieren waarop werklozen als “werkonwilligen” worden gebrandmerkt en dus ook, desnoods manu militari, aan de slag moeten om een uitkering te behouden. Denk ook aan herstructureringen waarbij de arbeiders en bedienden de keuze voorgelegd krijgen tussen ontslag en bedrijfssluiting, of aanzienlijke inleveringen qua loon of verhogingen qua productiviteit. En denk, tenslotte, aan de vele honderdduizenden in de EU wier loon, ondanks intensieve arbeid, amper volstaat om in het levensonderhoud te voorzien, en hoe dit leidt tot twee of meer banen voor dezelfde persoon, met arbeidsdagen tot 18 uur. Van keuze, vrijheid, zelfstandigheid en wat al meer is hierbij geen sprake: mensen doen dit niet voor hun plezier, en ze worden er evenmin rijk van. Ze doen dit om te overleven. Ze zijn, in dat opzicht, “loon-slaven” zoals Marx en Engels ze beschreven.

Wie dus de echt bestaande arbeidsmarkt bekijkt, en niet de fictieve ideale arbeidsmarkt van de neoliberale econoom, die ontwaart daar een paradox – de paradox van Hayek. Hoe meer de arbeidsmarkt “geliberaliseerd” wordt (we vermijden even het woord “vrijgemaakt”), hoe meer onvrijheid erin ontstaat voor de zwakste partij in die markt: de werknemer. Hoe meer de ondernemer zich bevrijdt van de ketens van de overheidsinmenging, de wetten en collectieve arbeidsovereenkomsten, hoe meer hij/zij ketens aan de werknemer oplegt. De dwang en de onderdrukking die Hayek zag uitgaan van de staat is nu verplaatst van de staat naar de werkgever. En hoe meer de ondernemer zijn/haar vrijheid opeist, hoe meer onvrijheid dit schept voor de werknemer. Het is dus paradoxaal de vrije arbeidsmarkt, de droom van Hayek, die een road to serfdom is voor zeer grote delen van de arbeidende bevolking.

De textielarbeiders in Dhaka, de mijnwerkers in Marekana, de bouwvakkers in Qatar en de stagiairs in Brussel zijn allemaal, in diverse gradaties, onvrij. Ze hebben geen enkele keuze over hun arbeidsvoorwaarden, vaak zelfs niet over het eigen lijf en leden als arbeidende mens in een gevaarlijke werkplek. Ze zijn in een haast letterlijke zin moderne slaven, lijfeigenen of dwangarbeiders. Nochtans zijn zij terzelfder tijd typische fenomenen in een neoliberale economisch orde. In een wereldwijd “vrijgemaakt” systeem van arbeid, productie en consumptie nemen zij elk specifieke en cruciale plaatsen in, en de eigenschappen van daarvan zijn enkel af te leiden uit de systematiek van een neoliberale economische wereldorde. Ze worden geregeerd door de Wet van Vraag en Aanbod (iets wat volgens sommigen het statuut van een natuurwet bezit), en de zwakte van hun positie als arbeid zoekende mensen bepaalt hun kwetsbaarheid voor uitbuiting in een vrije arbeidsmarkt. Dit geldt zowel voor de ongeschoolde naaisters in Bangladesh als voor de hooggeschoolde jurist-stagiair bij de EU in Brussel. Zij zijn dus indicatief voor het ruimere systeem waarbij de vrijheid van de sterken de onvrijheid van de zwakken uitlokt, en waarin we Hayeks argument als een boemerang op zichzelf zien afvliegen.

Ook wanneer we die extremen achterwege laten en kijken naar wat we de “doorsnee” arbeidscultuur van vandaag kunnen noemen, zien we dezelfde paradox. Zeker doorheen de economische recessie van de jongste jaren zien we een proces waarin steeds meer arbeid moet verricht worden door steeds minder mensen. Het scheppen en in stand houden van werkloosheid is daarvan deel, want het zorgt voor een neerwaartse druk op de lonen, een angst voor werkloosheid bij de werknemer, daardoor een grotere bereidheid tot extra inspanningen, en een uitstekend argument tegenover de overheid om arbeid verder te “flexibiliseren” en de ondernemer daarbij fiscaal te begunstigen. Het gevolg is bekend: stress, burnout, depressie en andere arbeid-gerelateerde kwalen kennen een steile opgang, de werkloosheid neemt toe terwijl de winsten van de ondernemingen (en de lonen van hun topkaders) nooit geziene hoogten bereiken, de aanval op het stelsel van sociale zekerheid en wat verder nog overblijft van de welvaartstaat is ingezet.

De “vrijheid” van de kapitalistische ondernemer is immers een zeer specifieke vrijheid: de vrijheid om het private eigendom via winsten maximaal te vergroten. Die vrijheid, wanneer ze wordt uitgevoerd in concrete economische, sociale en politieke processen, leidt rechtsreeks naar de onvrijheid van anderen. De vrijheid tot eigendomsaccumulatie gaat immers ten koste van een ander centraal gegeven: gelijkheid. En zo wordt de vrijheid van de ondernemer enkel te winnen door middel van de onderwerping en discriminatie van zij die deze vrijheid bedreigen: de arbeiders die loon of een zachter arbeidsklimaat eisen; de werklozen en steuntrekkers die door publieke middelen moeten gesteund worden; de student en docent kunstgeschiedenis of wijsbegeerte die volstrekt “nutteloze” dingen doen; de veel te talrijke “onproductieve” ambtenaren, leerkrachten, sociale werkers en andere dienstverleners; en uiteraard de fiscus die het zuurverdiende geld zomaar afpakt en er niets voor in de plaats geeft – zie het lijstje hierboven.

De paradox van Hayek gaat over hoe een streven naar een bepaald soort vrijheid enkel kan verlopen via dwang, geweld, onderdrukking en onderwerping – via een systeem van extreme onvrijheid, dat we dan gek genoeg “neoliberaal” noemen. We gebruiken de rest van dit boek om deze paradox verder te schetsen en uit te diepen. We zullen zien dat ons dit leidt naar de kern van het neoliberale denken.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s