Geld en het leven: wie kost het meest?

Jan Blommaert

Image

Een van de meest courante definities van neoliberalisme is het doortrekken van een louter economische logica naar elk aspect van ons bestaan. Concreet: een logica waarin alles, letterlijk alles, in termen van kosten en baten wordt uitgedrukt. Die kosten en baten – de economische logica – worden vaak afgemeten aan iets wat blijkbaar geen discussie duldt: het primaat van de bedrijfswinsten, de suggestie dat bedrijfswinsten het hoogste en vaak het enige doel zijn. Het verhogen van lonen is een voor de hand liggend voorbeeld, maar ook het verlagen van de arbeidslast van werknemers in het licht van chronische overbelasting met allerhande gezondheidseffecten tot gevolg wordt vaak van de hand gewezen “omdat het geld kost” en dus “niet te veroorloven” is – geredeneerd en berekend vanuit de onaantastbaarheid van de bedrijfswinsten uiteraard. Het is een logica van “wie gaat dat betalen?” waarbij er vanuit wordt gegaan dat aandeelhouders niet hoeven te betalen en dat ook niet zullen doen.

Zowat alle grote thema’s in onze samenleving worden op dit moment besproken via deze logica. De grote politieke kwesties – de begroting bijvoorbeeld – worden gevat in termen van het verhogen van de bedrijfswinsten. De overheid moet afslanken zodat ze “minder kost” (aan wie?) en dus meer financiële ruimte of “zuurstof” kan geven (voor wie?). Idem met de “relance”. De overheid moet het “overheidsbeslag” op lonen verlagen zodat het aldus bespaarde kapitaal recht naar de winsten kan vloeien (noteer terloops dat het verlagen van de loonkost louter gezien wordt vanuit het gegeven van competitiviteit, het verhogen van winsten derhalve, en NIET vanuit het gegeven van tewerkstelling; tegenover fiscale steun aan bedrijven staan nooit resultaatverbintenissen inzake het scheppen van banen). Wat betreft maatregelen die het sociale vangnet in tijden van crisis moeten vrijwaren of versterken: uiteraard worden daarover alle kosten-en-baten registers opengetrokken. Daar is geen geld voor. De Gouverneur van de Belgische Nationale Bank, Luc Coene, stelde de zaken in alle duidelijkheid: werklozen die pensioenrechten opbouwen, dat kan niet, want deze mensen “dragen niet bij” tot de economie en kunnen dan ook geen aanspraak maken op “onze” steun.[1]

Van grote naar kleine thema’s

De grote thema’s zitten dan ook al geruime tijd vast op een neoliberaal spoor, en de EU, in cahoots met het IMF, de OESO en de bankenlobby’s, speelt daarin al jaren de rol van ijsbreker. We zien de laatste tijd echter ook steeds meer kleine thema’s die via de neoliberale logica besproken worden. In oktober 2013 kwam de onderzoeksploeg van Mark Elchardus bijvoorbeeld op de proppen met een onderzoek waaruit bleek dat “de Vlaming” van oordeel is dat besparingen in de gezondheidszorg zich moeten richten op “ouderen, terminaal zieken en mensen met een ongezonde levensstijl”.[2] Dat gaf even een schok in de publieke opinie. Maar dit economische jargon wordt al jaren gebruikt in publieke vertogen over, ik noem maar op, roken en obesitas, ongezond consumptie- en leefgedrag.[3] Obesitas, bijvoorbeeld, werd in Nederland al enkele jaren terug becijferd als een “meerkost voor de samenleving” van 3 miljard Euro.[4] Vermageringsoperaties alleen al – maagverkleiningen en maagringen – “kostten ons” enkele jaren terug 6,6 miljoen per jaar.[5] De consensus is helder: wie niet “gezond leeft” verliest z’n rechten op “onze steun” – hij of zij verliest het recht op solidariteit en herverdeling dat ons sociaal systeem kenmerkt.

De uitbreiding van de neoliberale logica naar kleine thema’s – zowat alle aspecten van ons gedrag kunnen ingesloten worden in die logica – maakt de logica totaliserend, en het systeem dat door deze logica aangedreven wordt totalitair. Overtredingen van de “wet” die ingeschreven staat in deze logica leiden immers tot sancties: verlies van uitkeringen, verlies van aanzien, verlies van menselijkheid. We staan hier te kijken op een systeem van wat Michel Foucault “biopower” noemde: de eindeloze reeks kleine eigenschappen en handelingen in ons leven die gedisciplineerd moeten worden in de twee betekenissen van het woord. We moeten er een discipline rond ontwikkelen – sporten, gezond eten – en we kunnen er de discipline van ondergaan – we riskeren bestraffing wanneer we ons die discipline niet zelf eigen kunnen maken.[6]

Moralisering en individualisering

Het vertoog is individueel en moreel, maar de bottom line ervan is economisch. Wie zwaarlijvig is of rookt heeft “verkeerde keuzen” gemaakt of getuigt van karakteriele zwakte. Hij of zij is dus een slecht mens. En onze solidariteit – ons geld dus – kan maar gaan naar mensen die het als individu verdienen door hun eigen materiele en geestelijke inspanningen. Iedereen verdient steun in zoverre hun  nood niet het gevolg is van zaken die onder hun eigen verantwoordelijkheid vallen. Maar ze verdienen geen steun wanneer hun nood het gevolg is van het eigen falen. “Voor wat hoort wat”, punt uit.[7]

Idem in het veld van arbeid. Als je wil werken en je job wil behouden, dan moet je er zelf maar voor zorgen dat je gezond en fit blijft.[8] Dit argument gaat behoorlijk ver; een onderzoek bij managers in december 2013 leverde het inzicht op dat de werkgevers stress op het werk nogal eens relateren aan een te druk privé leven van hun werknemers.  Wie klaagt dat hij of zij te hard moet werken moet in het weekend maar wat minder activiteiten buiten de arbeid plannen.[9] Foute keuze, jongens. Bijna de helft van Nederlandse werkgevers vond in 2012 dan ook dat werknemers met een ongezonde levenswijze om die reden mochten ontslagen worden.[10]

Het individualiserende en morele karakter van dit argument is eveneens een element van neoliberale ideologie. En het gaat uit van een vals beeld van gelijkheid: iedereen heeft een eigen leven, keuzen in het leven, en mogelijkheden om die keuzen te realiseren, en is in dat opzicht gelijk – binnen deze visie zijn we trouwens allemaal middenklassers. Persoonlijk falen kan dan ook nooit schuil gaan achter structurele misstanden, want dan worden deze structurele tekorten gehanteerd als excuus voor het gebrek aan persoonlijke verantwoordelijkheidszin. Liesbeth Homans hanteerde dit argument in augustus 2013 letterlijk met verwijzing naar racisme.[11] Kom niet janken als je het slachtoffer bent van structureel racisme; neem je lot in eigen handen en vecht je d’r uit. Stop met zeuren. In Nederland is dit sinds eind 2013 officieel beleid, en het draagt er het label van “participatiesamenleving”.[12]

Deze logica heeft succes – we hebben gezien dat ze stilaan totaliserend aan het worden is. In onderzoeken zoals dat van Elchardus zit ze trouwens ook in de vraagstelling en dus niet enkel in de antwoorden; de mensen die van oordeel zijn dat 85-jarigen geen recht meer zouden mogen hebben op ziekteverzekering of andere vormen van herverdeling volgen in hun antwoord een logica die is opgelegd door de vraag. En het is dus op het niveau van de vragen dat we de grote ideologische verschuivingen zien – antwoorden zijn er altijd een afgeleide van. Ideologische waakzaamheid bij het opstellen van surveys is evenwel not done, en dus schreeuwen we moord en brand over de antwoorden.

Maar de logica klopt van geen meter. We weten immers al decennia dat levensstijl zeer sterk afhangt van de sociale klasse waarin mensen zich bewegen. In een land zoals België is het opleidingsniveau daarvan een goede indicator. En zowat elk onderzoek naar gezondheidsgedrag toont bijzonder sterke verbanden tussen ongezond leven en lage opleidingsniveaus. Obesitas is een klasse-aandoening die veel en veel frequenter optreedt in de lagere sociale klassen dan in de hogere – gezond leven, en meer bepaald gezond eten, is immers een consumptiegegeven en daarom evident gerelateerd aan inkomen.[13] Hetzelfde geldt voor roken: ook rookgedrag is uitdrukkelijk klasse-bepaald.[14] Het is dan ook geen toeval dat heel wat steuntrekkers tabaksverslaafd blijken te zijn. En op dit punt zien we hoe de bottom line in actie komt en interfereert met het moraliserende individualisme van deze logica: wie een uitkering wil wordt in toenemende mate gevraagd (of bevolen) te stoppen met roken. Waarom? Omdat steun vrijwel altijd gepaard gaat met curatele over de uitgaven van de steuntrekker. En rookgedrag kost geld – dus wie een uitkering wil moet maar stoppen met roken.[15] “Wij” gaan immers niet betalen voor de sigaretten van de armen – door dat soort argument kunnen we enkel nog moreel reageren, de neoliberale gelijkheidsmythe als uitgangspunt aannemen, en ons ver houden van beschouwingen over de sociaaleconomische structurele ongelijkheden in onze samenleving.

De zaak is echter dat zowat elk gezondheidspatroon sociaaleconomisch bepaald is. “Risicogedrag” komt systematisch meer voor bij kwetsbare groepen in de samenleving; het vermijden ervan hangt immers nadrukkelijk samen met consumptiegedrag en dus met consumptiekracht.[16] Concreet: we zouden allemaal dagelijks vers fruit en verse groenten moeten eten, samen met brood van goede kwaliteit en met vetstoffen die een zo laag mogelijk effect hebben op cholesterol, en we zouden het gebruik van suikers, zout en bewaarproducten in onze voeding beperkt moeten houden. Dat alles kost geld, want dit soort van gebalanceerde voeding is duurder dan massaal geproduceerde goedkope producten die vaak hoge hoeveelheden vet, suiker, zout en bewaarmiddelen inhouden. Als we daarbij nog wat milieubewust willen zijn (en de gezondheidsrisico’s voor anderen op die wijze beperken) dan wordt het helemaal duur, want dan moeten we in ons consumptiegedrag zowat elk industrieel geproduceerd product achterwege laten. En om gezond te zijn moeten we ook nog bewegen – en dus een fiets, een paar degelijke joggingschoenen, een fitness-abonnement of een lidkaart van een sportclub bezitten.

Vanzelfsprekend komen dergelijke “harde” verschillen niet voor in een vertoog dat uitgaat van “zachte” morele en karaktereigenschappen van mensen en dat daarbij de perfecte democratie van de vrije markt en z’n consumenten als uitgangspunt hanteert. Immers, we zijn toch allemaal middenklassers, niet? Het antwoord is evident dat dit niet zo is, en dat de sociaaleconomische verschillen – de dualisering – steeds verder en dieper gaat. Niet elke consument heeft daarom de keuzevrijheid van de middenklasser – meer nog, dit patroon van volstrekt vrije en onbelemmerde keuze op de markt wordt in toenemende mate het privilege van een kleiner wordende elite, en enkel voor hen is de markt echt vrij en democratisch. Zeer veel mensen hebben in hun consumptie simpelweg geen keuzevrijheid: ze moeten consumeren wat ze zich kunnen veroorloven.  En dat consumptiepatroon jaagt hen dan vrijwel meteen in risico-categorieën qua levensstijl en gezondheid. Van “juiste” of “foute” keuzen is hier geen sprake meer; en hoe zit het dan met “persoonlijke verantwoordelijkheid”? Welke verantwoordelijkheid kan je mensen in de schoenen schuiven wanneer ze geen vrije keuze hebben?[17]

De uitkomst ervan is dan ook eenvoudig: telkens wanneer we economische kosten-en-baten argumenten toegepast zien op aspecten van levensstijl van mensen, slaan we de grote structuren van onze samenleving in de analyse over en vervangen we die door factoren van gelijkheid, keuze en verantwoordelijkheid die simpelweg niet opgaan in de realiteit. Het vergeten van de samenleving is een constante in ons politiek propaganda-apparaat, en dit soort moraliserende individualisering is daarin zelfs zware artillerie.[18] Maar sociologisch is het dus simpelweg kletskoek, en oplossingsgericht is het helemaal niet: de zwaksten in de samenleving worden gewoonweg verweten (en bestraft) omdat ze de zwaksten zijn. Het blijft me een raadsel hoe men een sociaal probleem oplost wanneer men de ellende van mensen hanteert als argument om hen nog dieper in die ellende te sturen.

De logica doorgetrokken

Maar er is meer aan de hand. We zien de neoliberale kosten-en-baten logica systematisch toegepast worden op de zwakkeren in de samenleving. Het zijn enkelen de zwakkeren, dus, bij wie we ons blijkbaar de vraag moeten stellen wat ze “ons” kosten en wat ze “ons” opleveren. Over de sterkeren spreken we niet. Wel, laat ons de neoliberale logica eens echt op alles toepassen en zien waar we uitkomen.

Wat zien we? Leven kost geld: het simpele feit dat we allemaal bestaan, elk van ons, en een aantal jaren in deze samenleving rondlopen kan, zo men wil, in termen van kosten en baten geanalyseerd worden. Dat zal een dwaze oefening blijken, want elk van ons zal “ons” heel veel geld kosten en er in min of meerdere mate opbrengen. Dat is op zich vanzelfsprekend en dus niet direct een oefening die ons heel erg diepe inzichten in onze samenleving oplevert. Maar logisch gesproken zouden we dus best collectief zelfmoord plegen indien we “de samenleving” niets willen “kosten”.

Maar laat ons die oefening toch even doen, en ze toepassen op heel andere groepen in de samenleving dan die groepen die er nu het doelwit van zijn.

We beelden ons even een persoon in: een autochtone man van 55 jaar, gehuwd en vader van drie kinderen tussen 18 en 24 jaar oud. Deze man heeft na het gewone onderwijstraject ook nog universitaire studies gedaan – laat ons zeggen dat hij een vijfjarig programma als Burgerlijk Ingenieur met succes heeft afgerond aan de Universiteit van Gent. Zijn echtgenote, die hij heeft ontmoet aan de universiteit, is psychologe van opleiding. Ook zijn kinderen doen het goed: de oudste rondt zijn opleiding als geneesheer-cardioloog af; de middelste is net als pa zopas afgestudeerd als Burgerlijk Ingenieur, en de jongste is net begonnen aan studies Economie – allemaal aan de Universiteit van Gent.  De jongste is qua gezondheid een wat complex geval: na zijn premature geboorte spendeerde hij een tijdje op een neonatale afdeling, en hij is nu diabeticus. Het gezin bezit drie wagens, waaronder een luxueuze bedrijfswagen voor vader. De wagens worden permanent gebruikt, en vader staat haast dagelijks in de file met zijn bedrijfswagen.

Onze man is eigenaar, hoofdaandeelhouder en CEO van een behoorlijk groot bedrijf dat innovatieve producten ontwikkelt. De groei van het bedrijf wordt vergemakkelijkt door innovatiesubsidies van de overheid. Hij stelt een behoorlijk grote groep mensen tewerk, en krijgt daarvoor een aantal fiscale toegiften. De mensen moeten hard werken in het bedrijf, waarvan de resultaten conjunctuurgevoelig zijn. Diverse medewerkers hebben de afgelopen jaren gesukkeld met de gezondheid; een klein aantal lijdt aan burnout en is in langdurige therapie. Vorig jaar zijn nog tien oudere bedienden ontslagen en vervangen, deels door jongere gesubsidieerde krachten en deels door interim-medewerkers. Administratief is het bedrijf “fiscaal efficiënt” – onze man heeft een aantal fiscale offshore-constructies opgezet en maakt gebruik van elk gaatje in de wet om de belastingen zo laag mogelijk te houden. Een aantal topmedewerkers hebben overigens geen Belgisch contract, maar een contract dat is uitgeschreven door een dochteronderneming gevestigd in een belastingparadijs. De job van onze man houdt frequente reizen in, en voor korte reizen binnen Europa gebruikt hij de luchthaven van Deurne.

Onze man en zijn gezin leven gezond. De voeding en het leefcomfort zijn prima; er wordt frequent gereisd en gerust; de vader beweegt, hij speelt al jaren squash met enkele vrienden, en dit ondanks een kniekwetsuur die hem al een drietal keer op de operatietafel heeft gebracht. Hij laat zijn gezondheid ook nauwgezet in de gaten houden, ondergaat driemaandelijkse cardiologische controle-onderzoeken en slikt dagelijks geneesmiddelen tegen cholesterol, hoge bloeddruk en enkele kleinere ouderdomskwaaltjes. Hij is van een sterk geslacht, en hij zal leven tot de gezegende leeftijd van 93 jaar; zijn echtgenote, die eveneens bijzonder gezond leeft en een fysiek actief leven leidt, zal hem overleven: zij wordt 95 jaar oud.

Ziehier de ‘sterke” Vlaming; ziehier de figuur die het middelpunt vormt van het neoliberale universum. Wat kost die man “ons” nu?

Studeren wordt in dit land nagenoeg volledig publiek gefinancierd, en dit vanaf de kleuterklas tot en met het universitaire diploma. Wat dat diploma betreft: er zijn enorme verschillen in kost afhankelijk van de opleiding die men volgt; een opleiding tot Burgerlijk Ingenieur is daarin een zeer dure opleiding. De opleiding van de man, zijn echtgenote en drie kinderen zijn dan ook geen persoonlijke uitgaven geweest: ze zijn “door ons” betaald. En dat heeft zeer veel geld gekost.

Onze man is in goede gezondheid. En paradoxaal is dit iets wat “ons” nogal wat kost: de preventieve cardiologische onderzoeken, de geneesmiddelen en het oplapwerk na sportkwetsuren zijn zorgen die in onze samenleving eveneens hoofdzakelijk uit de publieke kas komen, dus “uit onze zak”. Ook de neonatale zorgen en de chronische gezondheidszorg van de jongste zoon vertegenwoordigen grote bedragen die door de solidaire gemeenschap worden gedragen. Wanneer onze man op z’n 65ste met pensioen gaat en 93 jaar oud wordt gebruikt hij 28 jaar pensioen – vrijwel een derde van zijn leven wordt dus deels gefinancierd vanuit een solidair herverdelingssysteem, en dat geldt ook voor zijn echtgenote. We gaan ervan uit dat hij en zij in hun oude dag niet teveel sukkelen met de gezondheid, en dus niet overdreven gebruik maken van door de overheid gesubsidieerde gezondheidszorgen.

Als ondernemer hanteert onze man het criterium: zoveel mogelijk krijgen van de overheid en zo weinig mogelijk geven. Hij is goed in het aanvragen en verkrijgen van elke vorm van steun die de overheid aan ondernemers biedt; en zijn administratief en fiscaal genie zorgt ervoor dat er een volstrekt minimum terugvloeit naar de staatskas. Hij gebruikt daarom een fiscaal voordelige bedrijfswagen, en daarmee gebruikt hij de mobiliteitsinfrastructuur die de overheid hem ter beschikking stelt. Die infrastructuur houdt ook het tonnen overheidsgeld zwelgende luchthaventje van Deurne in. De sociale kosten van het ondernemerschap van onze man worden afgerold op de overheid. Overwerkte of zieke werknemers maken gebruik van gesubsidieerde gezondheids- en revalidatiezorgen. De werkloosheidsuitkering, en eventueel de herscholing van de ontslagen werknemers vallen evengoed voor het overgrote deel ten koste van de gemeenschap.

Dus: wat heeft onze man “ons gekost” op het einde van zijn zeer succesvolle leven? Ik durf m’n hoofd erop verwedden: meer dan een sociaal zwakkere, laag opgeleide, zwaarlijvige en rokende man die op zijn 61ste overlijdt ten gevolge van zijn “risicogedrag”. Degenen die het meest voordeel halen uit onze welvaartstaat en haar herverdelingsmechanismen zijn immers degenen die er alle mogelijkheden van kunnen gebruiken: alle deelsystemen inzake opleiding, gezondheidszorg, mobiliteit en ondernemen, alle fiscale stimuli en privileges – kortom, alle mogelijkheden om de persoonlijke risico’s af te wentelen op de samenleving. Mensen die slechts kleine delen van dit systeem gebruiken “kosten” ons minder, ook al lijkt het niet zo.

Merkwaardig?

De oefening hierboven kan vreemd over komen; als dat zo is toont het aan hoe gewend we inmiddels zijn geworden aan het selectieve gebruik van een neoliberale logica als stigma voor de sociaal zwakkeren. Als we die partijdigheid uit de logica weghalen en de kosten-baten analyse koel en afstandelijk toepassen op iedereen, dan komen we tot vreemde effecten. Dan blijken immers diegenen die men ophemelt als voorbeelden van succes, als de perfecte neoliberale burger, de grootste voordelen te halen uit een systeem dat draait op solidariteit en herverdeling. Dan blijken, kortom, de voordelen van het systeem van herverdeling in onze samenleving nogal systematisch te vloeien naar de hoger opgeleiden, de langst levende gezondheids- en lifestyle afficionados, de zogenaamd dynamische en hoogproductieve elementen in onze economie, de “betere burger” die vaak beweert niets van dit alles nodig te hebben (en het daardoor graag wil ontzeggen aan zij die het wel nodig hebben).

Men vergeet nogal vaak dat een systeem dat draait op solidariteit en herverdeling een systeem is voor iedereen, en niet enkel voor de armen, de werklozen, de gepensioneerden, de chronisch zieken. Iedereen heeft er dus op bijzonder vele momenten in het leven voordeel aan gehad. Meer nog: voor zowat iedereen is deelname aan dit systeem een kritische factor geweest in maatschappelijk en sociaaleconomisch succes. Er bestaan in ons systeem in dat opzicht geen self made men, en er is ook geen American Dream: elk sociaal traject is in grote mate bepaald door de toegang die men had, en het gebruik dat men heeft gemaakt, van de hefbomen voor herverdeling in onze samenleving; karaktereigenschappen en sterke of zwakke persoonlijkheden spelen binnen dit systeem slechts een secundaire rol. Elke in dit land opgeleide ingenieur, arts, manager of wat dan ook heeft dankzij dit systeem van herverdeling – dankzij het systeem van belastingen derhalve – een voorsprong gekregen die men in de meeste andere landen gewoonweg niet kan krijgen.

Het is zeker zo dat die persoonlijke eigenschappen een rol spelen naast de kansen en mogelijkheden die vanuit het solidaire systeem van herverdeling worden geschapen. Maar wie het tweede belicht zonder het eerste die verwart het kleine met het grote. Het zou goed zijn indien zij die dit sociaal systeem nu aanvallen zouden beseffen dat hun sociale positie vrijwel geheel aan dat systeem te danken is. En dat veel privéfortuinen slechts konden vergaard worden nadat de hele samenleving een fortuin had gespendeerd aan de toekomstig gefortuneerde.

Slotsom

Ik hoop dat ik de zwakheden en partijdigheden van de neoliberale kosten-en-baten logica voldoende heb blootgelegd. Naast het dehumaniserend aspect van de berekening in geld van aspecten van iemands leven – denk aan de 85-jarigen wier leven mag opgeofferd worden omdat ze “teveel kosten” – en de volkomen kreupele sociologische verbeelding waarop het is gebaseerd, verwart het argument ook twee dingen: het verwart waarde en prijs. Er zijn zaken en goederen die een zodanig grote waarde hebben dat ze op geen enkele manier in prijs om te zetten valt: onderwijs, gezondheid, propere lucht en een goed milieu, sociale kansen, en moeilijk preciezer uit te drukken dingen zoals menswaardigheid en geluk.

In de klassieke welvaartstaat die grotendeels door socialistische idealen was geïnspireerd werden deze zaken samen met basisbehoeften zoals water, elektriciteit, telefonie en zo meer buiten de markt geplaatst en door de overheid verdeeld en beheerd. Er heerste immers een consensus over (en dus een acuut besef van) het feit dat in een ongelijke kapitalistische samenleving enkel grondige en uitgebreide systemen van herverdeling de cyclus van ongelijkheid deels zouden kunnen doorbreken of vertragen. Die consensus is duidelijk verloren gegaan en is vervangen door een logica die ongelijkheid produceert, stimuleert en verdiept. Zolang er nog een stuk van die herverdelende welvaartstaat bestaat is een van de vormen van ongelijkheid die er nu in worden geproduceerd het paradoxale feit dat zij die het systeem het minst nodig lijken te hebben het grootste voordeel halen uit dat systeem. Zij die menen dat ze het meest hebben bijgedragen tot het systeem zijn paradoxaal vaak zij die er het meest uit hebben ontvangen.

Wie deze logica nog hanteert mag zich dan ook aan twee types van antwoord verwachten. Een: wat heb jij aan “ons” “gekost”? En twee: wil jij opdraaien voor alle netto kosten die je op “onze” rekening maakt?

Verhofstadt stelde het ruim twintig jaar terug al voor: de “burger’ moest het “recht” hebben “uit de staat te treden”, z’n hele hebben en houden te privatiseren met andere woorden. Concreet: men moest de kans krijgen elke publieke voorziening zelf op de vrije markt te gaan kopen: onderwijs, gezondheid, pensioen, noem maar op. Dat voorstel werd op merkwaardig weinig enthousiasme onthaald door de welgestelde “burger” die Verhofstadt destijds in gedachten had. De rekeningen waren immers snel gemaakt: er zou flink wat minder opwaartse sociale mobiliteit zijn wanneer men voor de universitaire studies van zoon of dochter 40.000 of 90.000 Euro inschrijvingsgeld per jaar zou moeten neertellen; 1500 Euro om een tand te laten vullen; 900 Euro voor een röntgenfoto; 20.000 Euro voor een kleine heelkundige ingreep; en 5500 Euro per maand als gepensioneerde in een instelling. En wanneer men bij gebrek aan geld deze goederen en diensten niet zou kunnen verkrijgen.

Er zijn gevallen bekend van succesvolle anti-welvaartsstaat en antibelasting activisten die in hun diepste binnenste “dank U, belastingbetaler” mompelen wanneer ze de, scheurend van de ambitie voor hun kinderen, de inschrijvingstarieven van Stanford of Harvard zien, of het zorgverzekerings- en pensioenplan van hun Amerikaanse medewerkers en collega’s onder ogen krijgen. De verstandige onder hen beseffen dan immers dat die brave belastingbetaler hun enorme voordelen schenkt en dat het terugschroeven van dit systeem van solidariteit en herverdeling niet enkel de betrekkelijk armen straft, maar even goed de betrekkelijk rijken.


[6] Zie bijvoorbeeld Michel Foucault, Abnormal. New York: Picador 2003.

[7] Dit gegeven, “Voor wat hoort wat” inzake sociale ondersteuning, is door de Vlaamse sociaaldemocraten tot beginsel verheven. Patrick Janssens gebruikte de frase al als titel van zijn boek in 2011;  en Bruno Tobback haalde het aan als kernelement van de sp.a visie op sociale zekerheid: die mag enkel naar mensen gaan die steun verdienen, anders valt het sociale draagvlak voor solidariteit weg.

[8] Zie voor een uitvoerige behandeling van dit thema Jan Blommaert, Paul Mutsaers en Hans Siebers, De 360 Graden Werknemer. Berchem: EPO 2012.

[16] Zie bijvoorbeeld deze studie over risicogedrag bij etnische minderheden in Nederland: http://www.rivm.nl/bibliotheek/rapporten/261858006.pdf

[17] Het Liberale parlementslid Carla Dejonghe mocht dit aan de lijve ondervinden toen ze – uit vrije wil uiteraard –  een maand ging leven met een budget van zes Euro per dag. Zie http://www.carladejonghe.be/bericht/parlementslid-carla-dejonghe-probeert-maand-rond-te-komen-met-180-euro

[18] Dit was het hoofdmotief in Jan Blommaert, De Heruitvinding van de Samenleving. Berchem: EPO 2011.

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

1 Response

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s