De ‘kwaliteit’ van de cultuur: Omtrent consumentisme, populisme en verrechtsing

Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof & Dieter Lesage

Deze tekst dateert van 2004 en verscheen in de aanloop naar een gemeenschappelijk boek, “Populisme” (EPO 2004).

Afbeelding

Probleemstelling

Onze samenleving ondergaat een ingrijpende herstructurering. De veelbesproken globalisering of mondialisering impliceert een duurzame verstoring van het wankele evenwicht tussen de wereldmarkt en het systeem van nationale staten. De staat is niet langer alleen in staat de markt te reguleren. Meer nog: haast zonder uitzondering stellen de staten zich ten dienste van de wetten van de markt. De politiek moet nu marktconform gebeuren. Dat heeft geleid tot een stelselmatige afbouw van eigenheid, een verregaande liberalisering, privatisering en deregulering. De sociale gevolgen van deze economische ontwikkelingen worden steeds duidelijker en schrijnender. Aan de ene kant is er de nieuwe bovenklasse die zich heeft ingepast in die nieuwe competitieve omgeving, aan de andere kant is er een steeds maar groeiende groep van mensen die uit de boot vallen. De belangen van de markt halen de overhand op de belangen van de samenleving.

Deze grondige economische en politieke transformaties beïnvloeden diepgaand de wereld van de ideeën en de cultuur. Ook deze menselijke activiteiten moeten zich steeds meer onderwerpen aan de wetten van de markt. Cultuurgoederen worden tot ruilwaar, menselijke verbondenheid wordt herleid tot verhoudingen tussen producenten en consumenten, culturele instellingen worden bedrijven in de cultuurmarkt. Dat heeft geleid tot een verschuiving in de beoordelingscriteria en in de machtsverhoudingen die de culturele praktijken begeleiden en bepalen. Het vervagen van de scheidingslijnen tussen hoge cultuur en populaire cultuur betekende het doorbreken van de hegemonie waarmee een maatschappelijke elite haar overwicht ook cultureel wist te affirmeren. Er doet zich thans echter een omgekeerd proces van hiërarchisering voor, waarbij kwaliteit gemeten wordt aan het succes op de markt. Cultuur wordt – onder het mom van democratisering – steeds meer gemeten met commerciële maten. Dat leidt tot het blasé van de ‘anti-elitaire elite’ of van de “omnivoren” (Rudi Laermans), die gebrek aan diepgang geen probleem vinden. Het is daar waar, paradoxaal genoeg, elitisme en populisme elkaar ontmoeten: men wordt multimiljonair door, zoals de Britney Spears van deze wereld, het uitgekiende cultiveren van het imago van ‘the girl next door’.

De vermarkting van cultuur

We merken een veralgemeende commercialisering van cultuurproducten en kanalen voor de verspreiding van cultuur. De vermarkting van cultuur is het duidelijkst te bespeuren in de massacommunicatiemedia die het culturele veld nu beheersen. Ze hebben aan belang gewonnen als socialisatie-instellingen tegenover instellingen als het onderwijs of de kerken. (Televisie heeft vandaag een even centrale plaats in de westerse maatschappij als de kerk in de Middeleeuwen: ze zorgt voor het sociale cement en vormt het – zo goed als enige – gemeenschappelijke referentiekader voor de maatschappij.) Maar de massacommunicatiemedia werken volkomen volgens private en marktconforme criteria. Amper een decennium geleden kon men nog spreken van zuilgebonden kranten die voor hun financiering gedeeltelijk afhankelijk waren van levensbeschouwelijke of politieke organisaties of netwerken. Thans zijn alle kranten louter commerciële producten geworden, bestuurd door ondernemers en onderworpen aan de wetten van de markt. Hetzelfde geldt voor de televisie: daar waar tien jaar geleden nog de staatsomroep een vast gegeven was in het medialandschap, merken we thans dat commerciële televisie in heel Europa dominant is geworden, en dat bijgevolg ook de (restanten van) openbare omroepen onderworpen worden aan de regels van de markt.

We merken ook dat er in het medialandschap een steeds sterkere symbiose ontstaat tussen diverse types van media, en dit vaak als gevolg van marktstrategieën ontwikkeld door kapitaalgroepen die diverse types van media groeperen. Zogeheten kwaliteitskranten leven thans in symbiose met meer populaire kranten, ernstiger tijdschriften en populaire (tabloïd) tijdschriften, die op hun beurt sterk gericht zijn op bepaalde televisie- of radiozenders. Een goed voorbeeld is De Morgen die zichzelf graag als kwaliteitskrant labelt en die eigendom is van De Persgroep. Deze onderneming investeert vooral in populaire media, met een volkse krant als Het Laatste Nieuws, magazines als Dag Allemaal, TV-Familie, Joepie en Goed Gevoel, radiozenders als Topradio, Radio Mango en Q-Music. Daarnaast heeft De Persgroep een belangrijke participatie in de Vlaamse Media Maatschappij die VTM, Kanaal 2 en Jim-TV groepeert en die zij samen met Roularta Media Group controleert. Elementen die in één van deze media op één manier worden behandeld worden op een andere manier behandeld in de andere media: ernstige berichten over Steve Stevaert in de kwaliteitskrant, weetjes over diezelfde Stevaert in de afgeleide media, tekst in de kranten en magazines, beeld op TV. De diverse media werken vaak samen in het opzetten van media-evenementen (Diamond Awards, De Gouden Schoen, de Ronde Van Vlaanderen, etc) en niet zelden is deze samenwerking voornamelijk zakelijk. Samenwerking is in deze context ook vaak een eufemisme voor belangenvermenging: wanneer de politiek hoofdredacteur van een zelfverklaarde kwaliteitskrant die eigendom is van De Persgroep op een populaire televisiezender die door diezelfde groep wordt gecontroleerd gevraagd wordt voor een talkshow, past dat in een marketingstrategie die zijn krant bij een bredere bevolking een gezicht moet geven en terzelfder tijd de hoofdredacteur katapulteert in de wereld van de BVs.

Dit voorbeeld is slechts een akkefietje in vergelijking met de manier waarop een krant als Het Laatste Nieuws de noties van nieuws en actualiteit vernauwt tot de ditjes en datjes uit het banale maar daardoor herkenbare leven van VTM-celebrities. Nieuws vertaalt zich in kijkcijfers, media-aandacht vertaalt zich in symbolisch kapitaal. De logische limiet van deze ontwikkelingen is dat informatie enkel nog wordt verstrekt, omdat en voor zover de informatie winst genereert. Dat is ook de reden waarom televisiezenders in hun zogenaamde informatieve programma’s zoveel over zichzelf vertellen. De media worden langzaam maar zeker één grote tautologie, een gesloten circuit waarin de buitenwereld en de realiteit steeds minder een rol spelen. Een groot deel van de informatie op VTM  gaat over VTM, idem dito voor TV1. Talkshow-hosts nodigen collega’s uit om te vertellen over het nieuwe spelprogramma dat ze gaan presenteren, acteurs om te praten over de soap waarin ze spelen, om nog maar te zwijgen over alle spelletjesprogramma’s waaraan talkshow-hosts en acteurs gretig participeren, al was het maar om hun eigen talk show en hun soap te kunnen verkopen. Ondanks de beperkingen op reclame waarmee de openbare omroep volgens haar managers heeft af te rekenen, is er bijgevolg op de openbare omroep verschrikkelijk veel (zelf)reclame te zien. Daarenboven cultiveren alle populaire programma’s een zelfde concurrentiedenken. In alle formats gaat het erom samen te werken om dan iemand van de groep te elimineren: wantrouwen, complotten, coalities, geheime agenda’s….het worden dé eigenschappen van de ‘goede’ deelnemer.

In feite zijn de media helemaal geen mediatoren – bemiddelaars —  meer. Ze zijn de productie- en distributiecentra van ons wereldbeeld geworden. Zij bepalen waarover wel en waarover niet wordt gesproken, hoe wel en hoe niet naar de dingen mag worden gekeken, wie wel en wie niet als ‘expert’ wordt opgevoerd. Zij bepalen tevens de limieten van de geoorloofde kritiek en de structuur vqan het maatschappelijk debat waarvoor zij een forum beweren te zijn.

Populisme en het eenheidsdenken

Ontwikkelingen als deze hebben rondom ons een nieuwe ‘cultuur’ geschapen, die duidelijke banden vertoont met de nieuwe economie en de nieuwe politiek. De kern van deze ontwikkelingen komt erop neer dat de vorm de inhoud bepaalt, dat de transformatie in de structuur van het culturele veld meteen gevolgen heeft voor de inhoud van dat veld. Ten gevolge daarvan wordt cultuur, in haar breedste betekenis, steeds meer het strijdtoneel voor conflicten over harde verhoudingen en wordt een politieke economie van het symboolverkeer een prangende noodzaak in elk maatschappelijk project.

Deze veranderingen hebben de verhoudingen binnen de samenleving gewijzigd. Ze hebben meer bepaald de verhouding tussen de mensen en hun ‘mandatarissen’ grondig veranderd. Politici zijn niet langer de emanatie van de maatschappelijke structuren en belangengroepen. Ze zijn eveneens ‘vormen’ of mediafantasmen geworden die zich proberen te doen aanvaarden bij een ‘publiek’ en dit vooral via massacommunicatie. Deze verandering wordt vaak aangeduid als ‘populisme’ – een nieuwe inhoud aangepast aan nieuwe formaten die snelheid, oppervlakkigheid en esthetiek als kenmerken hebben.

Dit populisme wordt op zijn beurt geassocieerd met de opkomst van nieuw-rechts in diverse Europese landen, met coryfeeën als Berlusconi en Fortuyn. Nieuw-rechts sluit zich op verschillende punten aan bij ‘oud’ rechts, en het versterkt een rechtse hegemonie in belangrijke domeinen van het publieke leven. Ook ‘nieuw links’ neemt deze verhoudingen met de bevolking over en verschuift mede daardoor zelf ook naar rechts. Rechtse én linkse partijen worden vandaag gedirigeerd, soms zelfs open en bloot, door reclamejongens, media-adviseurs en ‘spin doctors’. Maar ondanks alle retoriek over ‘klantvriendelijkheid’ houden de nieuwe politieke en culturele verbanden in de samenleving, gedragen door commercialisering en massamedia, onvermijdelijk een verrechtsing in: de pensée unique gecombineerd met de monopolisering van de cultuurproductie door commerciële groepen maakt een geloofwaardige en krachtige kritiek steeds moeilijker, en de meerstemmigheid die een vrije samenleving zou moeten karakteriseren wordt steeds meer een strijd tussen David en Goliath.

Het is in dat klimaat dat er over ‘inburgering’ van nieuwkomers wordt gesproken. Nieuwkomers moeten zich vooral in die hegemonie en de naturalisering van het marktdenken inpassen. Daarom is het zo moeilijk over interculturaliteit te spreken. Het eenheidsdenken is immers allesomvattend en kan zich niet openen voor elementen uit de cultuur van de nieuwkomers. Alleen als die ‘vreemde’ elementen onder de vorm van koopwaar worden aangeboden zijn ze welkom in de westerse cultuur. De eis van inburgering staat dus voor de  erkenning dat de enige verbondenheid die van de consument met de markt is. Daarom kan een rechts en autoritair intregratiediscours worden gevoerd zonder ooit de ‘eigen’ cultuur te moeten definiëren en zonder ooit te moeten nagaan of alle erkende leden van de ‘eigen’ gemeenschap dan wel zo goed zijn geïntegreerd. Integratie betekent gewoon onderwerping aan het ‘integrale’ heersende wereldbeeld: our way of life.

We willen in wat volgt pogen een verklaring te bieden voor het geheel van deze ontwikkelingen. We doen dit, eerst, door een schets van een diagnose, daarna door een aantal suggesties voor verzetsstrategieën tegen deze ontwikkelingen.

Diagnose

We gaan ervan uit dat de ontwikkelingen die we thans meemaken systemisch zijn, dat ze verbonden zijn met de diepe structurele veranderingen in de samenleving. Ze zijn bijgevolg niet willekeurig maar vertonen vormen van interne samenhang die verder moeten onderzocht worden. De systematiek die we ontwaren in het geheel is te situeren in de nieuwe interactie tussen economie en politiek. We vertrekken in onze diagnose dan ook van een politiek probleem dat economisch beïnvloed wordt en economisch gestalte krijgt.

Het politieke probleem

Het politieke probleem kunnen we benoemen als de crisis van de representatieve democratie. In een vermarkte samenleving zijn politici niet langer de ultieme decision makers. De groeiende afkeer van de politiek, de onthoudingen bij verkiezingen, de instabiliteit van het electoraat, de schandalen… alles wijst op een diepe crisis. Die wordt echter wel door het mediatieke politieke spel verhuld. Vele politici voelen dat aan en hebben een ambivalente verhouding tot de media. Men zou dit het slechte geweten van de representatieve democratie kunnen noemen.

Populisme is een symptoom van een dieper liggende malaise in de democratie. Een representatieve democratie liegt, maar kan niets anders dan liegen. De leugen is systemisch. De leugen bestaat erin dat de representatieve democratie enerzijds beweert éénieder te vertegenwoordigen, maar dit terzelfder tijd onmogelijk in de praktijk kan brengen. Een conventioneel werkende representatieve democratie heeft namelijk een kloof  tussen burgers en beleid als noodzakelijk hoofdkenmerk, want niet iedereen kan praktisch en concreet meedoen aan de besluitvorming, terwijl dit nu net de voornaamste aanspraak op legitimiteit is van een dergelijke democratie. Re-presentatie betekent dat de burgers niet zelf present zijn bij de besluitvorming: ze worden van de besluitvorming weggehouden omdat men anders, zo heet het, nooit tot besluiten zou kunnen komen. De kloof is bijgevolg inherent aan het systeem van de representatieve democratie: elke vorm van volksvertegenwoordiging impliceert het creëren van een (tijdelijke) elite.

Omdat deze kloof systemisch is, is ze niet noodzakelijk problematisch. Men kan er van uitgaan dat deze kloof gedurende lange tijd toegedekt bleef omwille van de consensus over het systeem en dus niet werd geproblematiseerd. De problematisering is recent. Ze hangt ongetwijfeld samen met de grondige transformaties in de wereld waarbij het gelijk van het kapitalisme bewezen wordt geacht door de ineenstorting van het communisme in de Sovjetunie en Oost-Europa. Sinds de val van de Berlijnse Muur houdt het intellectuele en culturele veld zich niet meer bezig met keuzes tussen verschillende samenlevingsvormen. Het kapitalistisch systeem lijkt geen alternatieven meer te kennen; het is nu allesomvattend geworden.

Na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn en de val van de Berlijnse Muur waant men zich dan ook in het postideologische tijdvak en gaat men op zoek naar een nieuwe, postideologische politiek. Dit is een internationaal fenomeen, vernieuwing duikt overal op in de vroege jaren negentig. In België wordt deze evolutie nog versterkt door de aanwezigheid van extreem-rechts, dat electoraal een eerste doorbraak beleeft in 1991. In precies dezelfde periode werd in Europa overigens ook het medialandschap geliberaliseerd: VTM bijvoorbeeld ontstond in 1989. En met de commerciële televisie deed meteen de doctrine van de kijkcijfers zijn intrede, ontstond een nieuwe adverteer-ruimte en werden een reeks nieuwe formats en mogelijkheden tot beeldvorming geschapen, die het hele mediaveld aangetast hebben.

De samenvloeiing van deze factoren zorgt ervoor dat men een nieuwe politiek zoekt die een antwoord wil bieden op de doorbraak van rechts, waarvan men aanneemt dat ze een crisis aantoont in de legitimiteit van het democratische systeem. De vernieuwing in België richt zich vanaf dat punt op het dichten van de (systemische) kloof tussen burger en politiek, waarvan men vooral het succes van het Vlaams Blok als teken ziet. Een versterkte legitimiteit voor de democratie wordt dan ook in de eerste plaats gezocht in nabijheid: burger en politiek moeten meer rechtstreeks interageren en moeten elkaar beter en grondiger leren kennen. De burger moet meer greep verkrijgen op de politiek, en de politiek moet meer luisteren naar de burger.

Achter dit masker van democratisering (geïnstitutionaliseerd in bevragingen, enquêtes, kijkcijfers, allerlei vormen van (pseudo-)interactiviteit, en dik in de verf gezet met slogans over ‘publieks- en klantvriendelijkheid’) schuilt helaas geen ernstige poging tot democratisering. Wel merken we hoe de ene elite, die haar macht uit het staatsapparaat betrok, afgelost wordt door een andere die zich voor haar macht beroept op de economie en de vrije markt. En zo blijft de kloof met de burger even groot en sluipt onder het mom van democratisering het economische antwoord het politieke discours binnen. Omdat er slechts één samenlevingsmodel voorhanden is na de ineenstorting van het communisme zoekt men oplossingen bij dit ene model: het consumentenkapitalisme.

Het economisch antwoord

De markt levert de dominante ideologie voor het hele publieke leven. De logica van de markt beperkt zich niet meer tot de circulatie van commerciële goederen, maar strekt zich nu ook uit tot de circulatie van vertogen, beelden, politieke ideeën en cultuurproducten. De vrije markt  – de term zegt het zelf – wordt de metafoor voor de democratie, en een perfecte en legitieme democratie is er één die verkoopt zoals een topproduct uit de commerciële sfeer. Maar de reikwijdte van deze metafoor wordt verruimd: enkel wat vlot circuleert en dus ‘populair’ is  wordt gezien als democratisch, legitiem, als instrument van directe inspraak en beslissingsmacht. Binnen een consumentenkapitalistische hegemonie wordt datgene wat door iedereen wordt aangekocht datgene wat ‘van het volk’ is, datgene wat de ‘demos’ aanspreekt. Datgene wat niet goed verkoopt is elitair, sektarisch en zeker niet democratisch. Het is op dit punt dat we stoten op een diepere laag van verklaringen.

De productievoorwaarden van cultuur

De opstoot van consumentenkapitalisme zorgt voor een nieuwe invulling van legitimiteit. Producten, incluis cultuurproducten en politieke standpunten, zijn pas dan legitieme producten wanneer ze populair zijn, dit wil zeggen: wanneer het producten zijn die massificatie kunnen ondergaan. Massale verspreiding schept legitimiteit en geloofwaardigheid omwille van de associatie tussen massale verspreiding en datgene wat de mensen willen. Dit heeft een aantal gevolgen:

1. Massificatie beïnvloedt debatten over kwaliteit. Meer bepaald: het maakt een bepaald soort debat over kwaliteit onmogelijk, aangezien de criteria voor kwaliteit berusten op de mate waarin massificatie tot stand komt. ‘Goed’ zijn die dingen die massaal (kunnen) verspreid worden, terwijl deze kwalificatie slechts onder allerhande condities kan gegeven worden aan dingen die niet massaal verspreid worden. Van deze laatste stelt men dat ze ‘elitair’ zijn  en blijkbaar is dit niet ‘goed’. Het is deze reeks associaties die zorgt voor discussies over ‘laagdrempeligheid’, ‘participatie’ en dergelijke, en telkens is de teneur dat een bepaald product slechts beantwoordt aan maatschappelijk bepaalde kwaliteitsnormen (bijv. de geïnvesteerde overheidsgelden verantwoord maakt) in zoverre het massaal toegankelijk en consumeerbaar wordt. Deze debatten treden op in de wereld van de cultuurproductie  (denk aan het het participatiedebat),  maar ook in de wereld van de politiek, het onderwijs en het verenigingsleven. ‘Goed’ is datgene wat iedereen aantrekt en voor iedereen toegankelijk is.

2. Daardoor krijgen we een vertekening van andere criteria van kwaliteit, die vaak gelegen zijn in bepaalde productievoorwaarden. Een degelijke wetenschappelijke studie kan niet op eender welke wijze worden opgebouwd, en evenmin door eender wie. Degelijk onderwijs wordt gedragen door onderzoek en veronderstelt bijgevolg dat men niet alleen investeert in de pedagogiek, maar ook in de onderzoekspraktijk. Een degelijke roman, theaterproductie, film of plastisch kunstwerk vereisen eveneens bepaalde productievoorwaarden die ‘elitair’ zijn, in de zin dat ze niet voor iedereen, door iedereen en/of op eender welke wijze realiseerbaar zijn. Een degelijke journalistiek vereist eveneens bepaalde productievoorwaarden waarin een aanvaardbaar arbeidsstatuut, de mogelijkheid om aan deskundigheidsopbouw te doen, en de kans om rustig een item grondig uit te werken centraal staan. Indien men beknibbelt op de productievoorwaarden, dan beknibbelt men op de kwaliteit. In cultuur, media en wetenschap wordt orthopraxie – doen alsof — dan ook een steeds frequenter verschijnsel: men voert een reeks handelingen uit die de schijn van kwaliteit moeten hoog houden, terwijl de producten binnen volstrekt ontoereikende condities tot stand komen. Een voorbeeld: on- of onderbetaalde journalisten die volstrekt onvoorbereid verslag moeten uitbrengen van een studiedag, en in hun verslag orthopractische elementen zoals statistieken, grafieken en dergelijke opnemen om het de uitwendigheid van kwaliteit mee te geven. Hetzelfde in allerhande praat- of debatprogramma’s op TV: een gebalanceerd of genuanceerd debat wordt ingevuld als een debat tussen volstrekt onverzoenbare antagonisten, die door hun optreden een schijn van objectiviteit en niet-vooringenomenheid moeten ophouden. Of nog: frequente onderbrekingen van de geïnterviewde door de interviewer die dan doorgaan voor een ‘hard’, kritisch interview. Telkens wordt hierbij het argument van ‘drempelverlaging’ gehanteerd, en worden kritieken tegen deze werkwijze afgewimpeld als ‘elitair’, ‘wereldvreemd’ of ‘geformuleerd’ vanuit een ivoren toren.

3. Dit geldt eveneens in het politieke veld, waar kwaliteitsoordelen inzake standpunten, bijvoorbeeld op ethische, historische of ideologische gronden opgeofferd worden ten voordele van de ‘verkoopbaarheid’ van die standpunten. De politieke discussie wordt herleid tot wat het gemediatiseerde format toelaat: infotainment, snelle one-liners, versimpelde tegenstellingen, ‘common sense’ en opperste duidelijkheid als norm… En die versimpeling wordt niet langer voorgesteld als een ‘educatieve’ zet, maar als het wezen van de politiek zelf. Ze gaat dus ook gepaard met een groeiend anti-intellectalisme, een verzet tegen ‘moeilijke woorden’, tegen complexiteit, tegen de intelligentsia, tegen wetenschappelijkheid. Dit anti-intellectualisme heeft aan zijn kern een afkeer van kritische analyse die noodwendig uitmondt in een complexer, minder duidelijk en vaak tegenstrijdiger beeld van de feiten.

4. Meer algemeen zien we een uitholling van ‘het sérieux’. Er gaan vandaag de dag heel wat standpunten, opvattingen, beelden en cultuurproducten door voor ‘ernstig’, ook al is elke ernst afwezig en gaat het uiteindelijk om entertainment. De boven vermelde orthopraxie duikt hierbij vaak op als techniek. Big Brother wordt in het magazine dat dit programma begeleidt steevast voorzien van ‘ernstige’ commentaren vanwege een psycholoog; televisie-talkshows voeren een panel van ‘deskundigen’ op om commentaren te produceren over volstrekt triviale kwesties; professoren begeleiden entertainment-programma’s zoals ‘de nationale test’ met orthopractisch-deskundige voetnoten; anekdotes en geruchten gaan door voor ‘ernstige’ feiten met algemeen-maatschappelijke relevantie.

Deze uitholling van kwaliteitsdebatten sluit zowel nuance en redelijke afweging, als ethiek en maatschappelijke relevantie uit, of vertekent ze. Daardoor zorgt ze voor een bijzonder onduidelijk statuut voor (échte) kwaliteitsproducten: de grens tussen datgene wat echt als kwaliteitsproduct tot stand is gekomen en datgene wat slechts de schijn van een kwaliteitsproduct heeft wordt steeds vager, en precies massificatie zorgt ervoor dat het laatste type producten een steeds duidelijker maatstaf wordt voor kwaliteit.

Op dit punt moet men zich politici zoals Fortuyn, Berlusconi, of Bush voor de geest halen. Het soort nieuw-rechtse politiek die zij beoefenen/beoefenden is volkomen gebaseerd op het potentieel tot massificatie. Democratie en macht worden volledig gelijkgeschakeld met laagdrempeligheid, en een kwalitatief beter standpunt dat echter minder vermarktbaar is maakt geen schijn van een kans. Verrechtsing heeft alle baat bij de uitholling van kwaliteitsdebatten en de vervanging van noties van kwaliteit door de marktlogica. Het is precies door de bewering dat hetgeen best verkoopt tevens het meest democratisch is dat ‘supermarktpolitici’ zoals Fortuyn zichzelf als vernieuwers van de democratie kunnen voorstellen. Nieuw rechts haalt een deel van zijn kracht uit een democratisch appèl, dat echter gebaseerd is op een invulling van democratie als datgene wat zich tot massificatie leent. Dit appèl is al geruime tijd overgenomen door andere partijen, al blijft rechts de meester van dit spel.

Verzetsstrategieën

We hebben de kern van de diagnose gelegd bij de karakteristieken van het consumentenkapitalisme: massificatie en de invloed die hiervan uitgaat op noties van kwaliteit. Verzet hiertegen moet dan ook tegen het systeem gericht zijn, niet enkel tegen de symptomen ervan.

1. Een eerste verzetsstrategie bestaat in het centraal stellen van kwaliteitsvraagstukken. Daarbij moet de heersende gelijkstelling van ‘kwaliteit’ met ‘verkoopbaarheid’ worden doorbroken. Producenten maken zelf een groot aantal kwaliteitsclaims: de media beweren dat ze informeren, bepaalde kranten adverteren zichzelf als ‘kwaliteitskrant’, vele cultuurproducten worden als onmisbaar vermarkt. Men kan deze kwaliteitsaanspraken opnemen en afwegen tegen de reële waarde van het product. Bijvoorbeeld: is het zo dat wij kranten nodig hebben om effectief geïnformeerd te zijn? Is het zo dat een programma als Panorama (Canvas) ons gekalibreerde kwaliteitsinformatie biedt? Men doet dit vanzelfsprekend vergelijkend en met een grote dosis realisme. We kunnen duidelijk maken dat die criteria overschaduwd worden door het allesoverheersende argument van de verkoopbaarheid. Daarvan afgeleid is het grote belang dat wordt gehecht aan een lage kostprijs, hetgeen de hele kwestie van de productievoorwaarden oproept.

2. Een tweede verzetsstrategie is de weigering te consumeren of beter nog de kwaliteitsconformiteit als criterium te nemen. Consumentenkapitalisme draait op consumptiegedrag, en de krachtigste afweerstrategie bestaat dan ook in een weigering om te consumeren. Wanneer men constateert dat het lezen van kranten niets meer bijbrengt dan weetjes, maar niet onmisbaar is om zich geïnformeerd te weten, dan is de kwaliteitsaanspraak van die krant vals gebleken en houdt men op die krant te lezen. Wanneer een politieke informatieprogramma verwordt tot infotainment weigert men het nog verder te zien als referentiepunt voor het maatschappelijk debat. Tegenover elke claim van kwaliteit stelt men een alternatief voor dat dichter de reële complexiteit benadert.

3. Een derde strategie bestaat uit het benadrukken van deontologie, de reïntroductie van ethiek en waarden in het productiemodel. Men kan weigeren (mee te) te werken binnen bepaalde productievoorwaarden: wanneer men constateert dat bepaalde productievoorwaarden de productie van kwaliteit onmogelijk maken, dan moet men dit weigeren. Journalisten die een interview met de auteur van een boek moeten afnemen, maar de kans niet krijgen dit boek te lezen, moeten dit weigeren. Dit geldt eveneens voor de auteur in kwestie. Onderzoekers die een waanzinnige onderzoeksopdracht toegeschoven krijgen die enkel tot uiterst twijfelachtige resultaten kan leiden kunnen deze opdracht weigeren. Telkens komt het erop neer de eigen stem te vrijwaren. Men heeft maar een geloofwaardige stem als journalist indien men geloofwaardige journalistiek produceert, idem voor kunstenaars, politici, wetenschappers en docenten. Het gaat niet op mee te blijven draaien in een cultureel productiesysteem indien men systematisch ontevreden is over de afgeleverde producten. Producenten zijn verantwoordelijk voor hun product.

4. Er moeten nieuwe circuits en netwerken ontstaan die kwaliteit  en niet massificatie-  centraal stellen. Verbindingslijnen tussen professionelen uit verschillende werkvelden, moeten aanleiding geven tot de productie van alternatieve en meer kwaliteitsvolle cultuurproducten. Alternatieve netwerken moeten de bestaande cultuurproducten aan een nieuwe kritiek onderwerpen en nieuwe platforms en kanalen voor een discussiecultuur uitbouwen. Het voeren van een ‘intellectuele guerrilla’ en de ontwikkeling van een ‘tegencultuur’ is vandaag belangrijker dan even in de media verschijnen.

5. Vanuit dergelijk interdisciplinair alternatief cultuurveld moet de afwezige discussiecultuur worden aangezwengeld door op systematische wijze het populisme te bekampen. Dat moet in de eerste plaats inhoudelijk gebeuren, maar ook door het heroveren van een publieke ruimte en het breken van het populistisch monopolie in de communicatiestructuren. Intellectuelen en kunstenaars die gevraagd worden om te participeren aan radio- en televisieprogramma’s moeten zich niet als brave schapen naar de slachtbank van het geijkte ‘format’ laten leiden.  Ze moeten daarentegen proberen de vooronderstellingen van dat format telkens weer te laten zien en in vraag te stellen. Pierre Bourdieu en Jacques Derrida, beiden auteurs van pertinente analyses van het medium televisie, wilden op een gegeven ogenblik alleen nog meewerken aan televisieprogramma’s indien zij inspraak zouden hebben over de vorm, het script, de duur van het programma. De programma’s in kwestie waren het resultaat van een doorgedreven kritische dialoog met de televisiemakers. Nog te vaak wordt media-aandacht door cultuurproducenten onthaald op een quasi-kinderlijke blijdschap. Aangezien men echter als cultuurproducenten geacht wordt de inhoud te leveren voor tal van programma’s, kan en moet men het zich ook veroorloven om de vorm van de programma’s in kwestie te demonteren en te reconstrueren. Indien het format geen toegevingen toelaat, kan men gewoon weigeren nog verder zijn diensten te verlenen.

Hetzelfde geldt voor de verhouding met kranten en tijdschriften. Een opiniestuk van twee getypte pagina’s geldt in de regel als veel te lang, terwijl diezelfde kranten in hun weekendbijlagen wel eindeloos kunnen emmeren over fait divers. Omgekeerd laat men zich als kunstenaar en intellectueel bij voorkeur ook beter niet strikken voor rubrieken die de lezer moeten vertellen waar we uit eten gaan en wat onze favoriete weekendbezigheden zijn. Veel te veel cultuurproducenten laten zich hier aan vangen, al was het maar omdat er altijd wel een boek, een cd, een programma, een theaterproductie of een film moet verkocht worden en men redeneert dat ‘alle beetjes helpen’. Niet alleen inzake de productievoorwaarden, maar ook inzake mediatiseringsvoorwaarden van cultuurproducties is het zaak te werken aan een deontologie. Kunstenaars kunnen niet geloofwaardig ageren tegen populisme wanneer ze zelf te pas en te onpas met hun gezicht op TV komen.

6. Dit laatste is een opstap naar mobilisatie. Het gebrek aan syndicaal bewustzijn onder cultuurproducenten is opvallend. Het is in zekere mate aanwezig bij podiumkunstenaars, maar niet of nauwelijks bij beeldend kunstenaars, schrijvers, intellectuelen, journalisten, wetenschappers en andere cultuurproducenten. Het productiemodel dat gebaseerd is op concurrentie is hier vanzelfsprekend niet vreemd aan. Maar wat nodig is, is een esprit de corps bij die cultuurproducenten, dat voor effectieve acties en boycot-strategieën vanuit een intellectueel syndicalisme kan zorgen.

7. de finaliteit van dit alles moet zijn: het opnieuw controle verwerven over de eigen stem, en die stem daardoor op een andere, afwijkende manier laten horen. Kritiek die enkel oppositioneel is maar niet de bestaande hegemonie verwerpt, is geen kritiek maar commentaar.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s