Nodig: een syndicaat van academici

Afbeelding

De vormen van protest en sensibilisering die we de laatste dagen meemaken onder academici, als gevolg van de petitie over werk- en publicatiedruk, beginnen steeds meer op een algemene opstand te lijken. Dat is goed, want als 1 ding duidelijk is geworden uit de vele stukken die zijn beginnen circuleren, dan is het dat academici een zeer kwetsbare groep zijn, die werkt in een verpletterend arbeidsregime van zeer lange uren en onbetaald overwerk, grote psychologische druk, lage lonen en slechte contracten. Academici worden op groteske manieren uitgebuit.

Academici houden traditioneel de lippen stijf opeen. Beroepstrots en een idee van waardigheid van de toga zijn daar niet vreemd aan; ze vormen de laatste ideologische restanten van een cultuur waarin academici een echte elite waren, met privileges zoals het emeritaat, maatschappelijke status en aanzien, en met inkomens die mochten gezien worden. Syndicalisme of militante en rebellerende attitudes zijn daarom traditioneel een zeldzaamheid onder academici.

Dat is jammer, want die hautaine trots heeft academici tot een makkelijk doelwit gemaakt van allerlei ingrepen die academische arbeid nu zeer onaantrekkelijk maken. Concreet: we hebben minachtend omhoog gekeken terwijl onze arbeid en onze productievoorwaarden voortdurend devalueerden. We zijn nu extreem overwerkte en overbelaste geesteswerkers die tevreden moeten zijn met een bescheiden inkomen en nauwelijks gedefinieerde arbeidsvoorwaarden. En dit alles, terwijl in de publieke opinie een beeld is blijven leven van academici als verwend, elitair, lui en overbetaald. Om het even over inkomen te hebben en daarmee ook prompt een mythe uit de wereld te helpen: toen ik in 2005 de UGent verliet als prof, benoemd sinds 1997, verdiende ik ongeveer 2500 Euro netto per maand. Zelfs toen was dat een onopvallend middenklasse loon. Daar tegenover stond een 24/7 beschikbaarheid, een extreme werkdruk, en onbestaande sociale bescherming. Ik heb een korte beschrijving gegeven van mijn arbeidsregime toen op

https://jmeblommaert.wordpress.com/2013/08/21/hoe-zit-dat-nu-met-publiceren/

Ik loop al vele jaren rond met de idee om een syndicaat van academici  op te richten dat als stakeholder optreedt in aangelegenheden die met ons beroepsstatuut te maken hebben. Ik ben daar allicht niet zelf de geknipte persoon voor, maar misschien zijn er vandaag voldoende gemotiveerde academici om de koe bij de horens te vatten. Er is dringend behoefte aan – dat hebben de vele getuigenissen van de laatste dagen ten overvloede aangetoond. Wie het goed voorheeft met wetenschap en wetenschappers, en gelooft in de maatschappelijke rol van beide, moet nu de verontwaardiging en opstandigheid omzetten naar militante actie. Ik zie diverse concrete terreinen waarop zo’n actie uiterst belangrijk zou zijn.

1. De bepaling van wat academisch werk nu eigenlijk inhoudt, met duidelijke omschrijvingen van, bijvoorbeeld, “onderzoek” als een geheel van activiteiten die, structureel, binnen de werktijd moeten en kunnen worden uitgevoerd. Datgene wat we echt doen moet zichtbaar worden in de formele bepalingen van onze arbeid. Het kan niet zijn dat een cruciaal deel van ons werk – onderzoek – grotendeels in de ‘vrije tijd’ en op eigen kosten moet uitgevoerd worden. Denk ook eens aan activiteiten zoals “lezen”. Dat lijkt banaal, maar ik ben in mijn loopbaan talloze keren huiswaarts getogen met een trolley gevuld met zo’n 3000 pagina’s aan thesissen, die binnen de 30 dagen grondig gelezen en uitvoerig gemotiveerd moesten worden gerapporteerd. Ik wil de academici geen eten geven die hun verlof deels moeten besteden aan het lezen van een stapel boeken en/of documenten.

2. De uitbouw van een visie op een academische arbeidsmarkt die eigen criteria heeft. Op dit moment bestaat dit niet, en het arbeidsproces zit dan ook afgeladen met heteronomie. We worden, bijvoorbeeld, gerecruteerd op gronden die vaak weinig vandoen hebben met het echte werk dat we bij aanwerving moeten uitvoeren. Een visie op hoe de academische arbeidsmarkt er in realiteit uit ziet moet diverse aspecten aankaarten:

(a) de structuur van loopbaan-opbouw, die ervoor zorgt dat jonge en beloftevolle academici vanaf een bepaald punt kunnen beginnen denken aan een langlopend traject. Mensen die slechts een beroepshorizon van een paar jaar hebben zullen wellicht weinig grote programmatische plannen maken, terwijl we dit nu net nodig hebben. Dit vergt ingrepen op het niveau van aanwervingscriteria en -modaliteiten: universiteiten moeten actief en proactief aan ‘headhunting’ kunnen doen, en ze moeten daar de middelen toe hebben, zodat toptalenten vroeg genoeg aan een kansrijk traject kunnen beginnen. Idem met einde-loopbaan planning, waarbij oudere wetenschappers een verlichte taakomschrijving kunnen krijgen die zich toespitst op die aspecten van werk waarin ze echt uitblinken. En bovenal: een duidelijke visie op de verschillende fasen in een academische loopbaan, met daarin ook mogelijkheden tot ‘sabbatical’, tijdelijke focus op bepaalde aspecten van het werk (bijvoorbeeld: het leiden van een groot internationaal onderzoeksprogramma), opvang in tijden waarin het slecht gaat, en zo meer. Bij dit alles moet collectief worden gedacht, want de wetenschapper werkt altijd in teams. De ‘unit’ van personeelsbeleid mag niet de individuele wetenschapper zijn, maar het wetenschappelijke team waarvan hij/zij deel uitmaakt.

(b) Academische specialisatie moet ernstig worden genomen. De klassieke triade die onze arbeid beschrijft – onderwijs, onderzoek en dienstverlening – herbergt in wezen een veld van toenemende extreme specialisatie in elk van die domeinen. Iedereen wordt op die triade beoordeeld, terwijl niets uit onze achtergrond bij aanwerving aangeeft dat we de vereiste gespecialiseerde competenties hebben. Dit is een deel van de heteronomie waarvan boven sprake. Concreet: een goed onderzoeker is niet noodzakelijk een goed academisch manager. In mijn dagen als vakgroepvoorzitter aan de UGent, en later ook aan de Institute of Education in London, kreeg ik opleidingen in – een losse greep – het houden van functiegesprekken, het houden van recruteringsgesprekken (incluis de juridische aspecten ervan), financieel beheer via SAP, Project Cycle Management, veiligheidsbeleid, EHBO en beleid inzake de recyclage van giftige stoffen. Niets in mijn voorgeschiedenis had me ooit voorbereid op dergelijke arbeids- en competentievereisten; het feit dat ze mij werden opgelegd en bovenop al de rest van het werk kwamen te liggen is dan ook niet vanzelfsprekend. In een toenemende cultuur van specialisatie moeten universiteiten mensen kunnen aanwerven wiens capaciteiten precies – veel preciezer dan nu – bepaald worden. Zo kunnen we bekwame academische leidinggevenden aantrekken, bekwame onderwijsmensen, bekwame onderzoekers, zonder dat we van elke kandidaat verwachten dat hij of zij een superhero is.

(c) Cruciaal bij dit alles is een visie op dat ene ding dat elke wetenschapper zo nodig heeft: tijd. Academici worden thans individueel onderworpen aan een eenjarige business-cycle die bepaalde deliverables en targets inhoudt. Dit moet vervangen worden door een collectieve meerjarige business-cycle die een realistischer relatie vertoont met twee kernelementen van wetenschappelijke activiteit: (a) het collectieve karakter ervan en (b) het trage karakter ervan. Het eerste is boven aangekaart. Wat het tweede betreft: een wetenschappelijke idee ontstaat niet uit het niets maar heeft lange voorgeschiedenissen die verdeeld zijn over vele individuen; die idee tot een voldragen academisch resultaat leiden duurt jaren. Jaarlijks individueel afrekenen is onzin. En hier komen we bij tijd. de trage groei en ontwikkeling als academicus vereist een visie waarin tijd nooit ‘leeg’ kan zijn. Die laatste visie domineert nu: aangezien intellectueel werk (noem het onderzoek) een ongrijpbaar karakter heeft, zien we een structureel wantrouwen vanwege de werkgever en sponsors. Wat doen die academici nu eigenlijk? Het gevolg is: men gaat output meten, zodat het ongrijpbare toch grijpbaar wordt (of zo denkt men). Ook dit is heteronomie, want een bepaalde activiteit – onderzoek – wordt afgemeten aan een geheel andere – publiceren. De inzet is dus het verkrijgen van tijd, zowel binnen de 38-uren week – onderzoekstijd – als over het geheel van de loopbaan – sabbaticals, time-off.

3. Een visie op het academische product: de kwaliteit van opleidingen, van onderzoek en van de relatie tussen wetenschap en de samenleving. Er wordt nauwelijks gereflecteerd op de dingen die we dagelijks afleveren, en de huidige klachten geven aan dat er een structureel wederzijds misverstand over bestaat. Onze overheden omschrijven ons product op een heel specifieke manier – A publicaties, goede visitatieverslagen voor opleidingen, dienstverlenende contracten met derden – terwijl academici voortdurend naar heel andere dingen wijzen. Het is aan academici als stakeholders om opperste duidelijkheid te scheppen over wat ze nu juist produceren, want enkel dan zullen ze het over productievoorwaarden en arbeidsvoorwaarden kunnen hebben. We kunnen het enkel over tijd en loopbaanontwikkeling hebben wanneer de tegenpartij een zeer precies idee heeft van datgene wat middels die condities geproduceerd kan worden. Concreet: het is niet echt redelijk te veronderstellen dat academisch onderwijs op topniveau verloopt wanneer het wordt gegeven door iemand die 40 uur per week aan onderwijs moet spenderen, tussendoor nog effe de administratie moet bevredigen met rapporten en dergelijke, en na dat alles nog aan een proefschrift, boek of A-artikel moet werken. Een onderzoeker met burn-out is ook niet meteen de meest productieve en innovatieve. Die argumenten kunnen we echter enkel doen standhouden wanneer de anderen duidelijk weten waarover we het hebben als we het woord ‘kwaliteit’ in de mond nemen.

4. De strijd tegen academische uitbuiting, voornamelijk maar niet uitsluitend vanwege wetenschappelijke uitgeverijen. Die uitgeverijen verrijken zich schaamteloos op de rug van academici die een slecht beroepsstatuut hebben, want die academici hebben de uitgeverijen nodig om hun CV te spijzen. Het gevolg is een escalerende cultuur van flagrante uitbuiting, waarbij wij ons intellectueel product zonder de geringste inspraak moeten afstaan voor eeuwig en drie dagen aan een industrie die verder niet de geringste investering doet in de academische wereld. We worden verondersteld ons werk simpelweg af te geven, in ruil voor (voor de gelukkigen) een minieme royalty, of meer courant, een PDF van ons gepubliceerd artikel. De internationale wetenschappelijke uitgeverswereld – Elsevier, Kluwer, Springer, noem maar op – is parasitair op de zwakte van academici. Ze zwaaien voortdurend in onze richting met argumenten inzake hoge productiekosten en lage winstmarges; de productiekosten van ons creatief werk zijn nooit een argument voor hen. Het is de hoogste tijd dat academici collectief verzet aanvangen tegen deze cultuur van spectaculaire uitbuiting.

Een syndicaat is van oudsher een middel om de individuele zwakte van arbeiders op te vangen en om te keren tot een collectieve sterkte. Als er de laatste dagen een ding is gebleken, dan is het dat academici, precies door middel van een volledig geindividualiseerd performance-en-eveluatiesysteem kapotgewerkt worden. Wat eveneens duidelijk is geworden, is dat de academici die deze klachten formuleren allemaal de grootst mogelijke bezorgdheid hebben over de kwaliteit van universitair werk. Ze willen allemaal een academische omgeving die uitmuntend en vernieuwend onderzoek koppelt aan maatschappelijke relevantie en de zorg voor de volgende generatie – onze studenten. En de klachten geven aan dat deze zorgen voortkomen uit het systeem van individuele arbeidsorganisatie: het is die atomisering van de academische omgeving die precies een enorm kwaliteitsrisico inhoudt. 

Een syndicaat heeft dan ook een uitstekende uitgangspositie. We delen immers de doelstellingen van onze overheden en geldschieters. Maar als onmiddellijk betrokken stakeholders hebben we een preciezer zicht op de voorwaarden waarbinnen we deze doelstellingen kunnen bereiken. En een nog preciezer zicht op de factoren die dit onmogelijk maken. Een syndicaat is, zo beschouwd, een constructieve tegenkracht. Ook dat zit in de geschiedenis van het syndicale systeem. Het is tijd dat academici het gaan hanteren.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s