De nieuwe universiteit: Meedenken met de Minister

Ik schreef deze tekst in 2007 en hij werd gepubliceerd in het Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid (TORB 2007-2008), op het ogenblik dat Frank Vandenbroucke het huidige systeem van financiering aan universiteiten invoerde. In de tekst schets ik de gevolgen van deze beleidsingrepen. Het huidige protest van academici geeft – helaas – aan dat de tekst accurate voorspellingen gaf, vandaar dat ik hem hier opnieuw opneem. Sommige punten zijn achterhaald op het niveau van details, maar ik zie geen reden om de globale analyse als irrelevant af te doen.

Afbeelding

Frank Vandenbrouckes nieuwe financieringsdecreet voor het Hoger Onderwijs, en eerder het decreet dat hogescholen ‘optilt’ naar academisch niveau, scheppen samen met een hele reeks andere factoren een heel nieuwe ruimte voor de Vlaamse universiteiten (zie het artikel van Vandenbroucke in Sampol, 14/10, december 2007). Die andere factoren zijn effecten van de Bologna Verklaring, die een reeks Europese tendensen in gang heeft gezet. Die tendensen zijn (a) uniformisering qua programma’s en in toenmende mate rond kwaliteitscontrole en beoordeling; (b) de creatie van een competitieve ruimte waarin grotere mobiliteit voor studenten, docenten en kennis heerst; (c) een concurrentie tussen universiteiten niet enkel rond opleidingen, maar ook rond inschrijvingsgelden; (d) een versterkte ‘management’ cultuur in universiteiten, en een versterking van de resultaatgerichtheid en de competitiviteit. Dit laatste is duidelijk weerspiegeld in het financieringsdecreet.

In wat volgt wil ik meedenken met Vandenbroucke over de toekomst van universiteiten in Vlaanderen. Ik kan me van die oefening niet ontdoen, al was het maar omdat ik de afgelopen jaren leidinggevende academische (‘management’) verantwoordelijkheden heb gedragen in België, het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Finland, en ook flink wat verblijfservaring heb opgedaan met Amerikaanse en Zuid-Afrikaanse universiteiten. Ik kan er me ook niet van ontdoen omdat ik zelf een product ben van de universiteit van de welvaartstaat: ik was, volgens de huidige criteria, een ‘leerbedreigd’ student die enkel kon studeren dank zij de inspanningen van de belastingbetaler. Ik ben een product van de ‘eerste democratiseringsgolf’ uit het artikel van Vandenbroucke. En ik kan me er niet van ontdoen ook al omdat ik zelf sterk geloof in dat democratische model, en van oordeel ben dat die grote veranderingen naast nieuwe kansen (al dan niet gelijke kansen) ook heel wat gevaren inhouden. Het grote gevaar is dat het democratische gehalte van ons universitair systeem – een product van de welvaartstaat – net zoals het geheel van de welvaartstaat uitgehold wordt.

Twee elementen uit Vandenbrouckes stuk zullen van groot belang zijn voor wat volgt. Ten eerste is er de verschuiving in de financiering in de richting van onderzoeksprestaties. Universiteiten zullen in toenemende mate subsidies krijgen omwille van onderzoek, niet van onderwijs. Voor Vandenbroucke is dit de garantie dat het onderwijs op topniveau blijft, wanneer het gevoed wordt door lopend top-onderzoek. Ten tweede: daarbij legt hij zeer sterk de klemtoon op bibliometrie. Hij verdedigt dit kreupele instrument vurig en geeft nergens aan welke andere indicatoren gebruikt zullen worden voor de evaluatie van die onderzoeksprestaties. We gaan dus naar een kwantitatief ‘bottom line’ systeem, waarbij producten centraal staan, niet de processen van onderzoek van waaruit ze worden gegenereerd. Universiteiten zullen subsidies krijgen indien hun personeel veel publiceert,  publiceert in een beperkte reeks wetenschappelijke tijdschriften, en hun werk ook frequent door anderen geciteerd zien. Dat dit monopolies van bepaalde tijdschriften in stand houdt en versterkt, vernieuwing in wetenschappelijk werk ontmoedigd (publiceren in nieuwe tijdschriften, of in kleine maar uiterst gespecialiseerde ‘working papers’ reeksen, levert nauwelijks iets op), mensen tot conformisme in stijl en aanpak dwingt, en bovendien de reeds overweldigende inflatie van publicaties dreigt aan te zwengelen, wordt over het hoofd gezien. Ook de relatie tussen dit soort onderzoeksprestatie en onderwijs is niet vanzelfsprekend. Veel publiceren betekent niet dat men veel onderzoek doet, het betekent dat men veel publiceert. De manier waarop men de connectie tussen onderwijs en onderzoek aan universiteiten oplegt, waarbij onderzoek enkel wordt afgemeten aan onderzoeksproducten, loopt fundamenteel mank. Maar dit terzijde.

Ik zal in wat volgt een reeks punten aangeven waarover men in academische en ruimere middens best wel eens een debat ten gronde mag hebben. Ik formuleer de punten als stellingen, en met grote tegenzin. Een deel van wat ik hier schrijf is  (zoals een Amerikaans senator ooit over z’n eigen wetsvoorstel zei) a bad idea whose time has come. Ik ben ten gronde gekant tegen deze veranderingen maar besef dat ze niet te vermijden zijn. Ik schets de logica van deze veranderingen vanuit het standpunt dat men er grondig moet over reflecteren. We willen niet de vergissingen uit het verleden herhalen, en evenmin de vergissingen van elders importeren.

  1. De huidige Vlaamse universiteit is provincialistisch, recruteert zeer nadrukkelijk uit de eigen regio en de eigen kaders, en speelt internationaal dan ook in de provinciale afdeling van de academische competitie. Een zeker Vlaams dogmatisme is daar niet vreemd aan. Ik herinner me discussies over de benoeming van een docent Engels in Gent, waarin het feit dat één van de kandidaten een moedertaalspreker was (en dus geen Nederlands sprak) tegen hem gebruikt werd. Ook de erfenis van de verzuiling speelt nog steeds mee. ‘Overlopen’ van Leuven naar de VUB of omgekeerd is nog steeds een zeldzaamheid, hoewel de tijden van de huizenhoge barrières tussen de instellingen gelukkig achter de rug lijken te liggen. Maar er wordt nog veel te veel uit eigen milieu gerecruteerd. Assistenten zonder buitengewone academische verdiensten maar met wat kilometers op de teller in de instelling worden nog te snel en te dikwijls prof, en wanneer er een vacature uitgeschreven is wordt er ook benoemd, zelfs bij afwezigheid van uitstekende kandidaten. Er is bij ons geen adverteercultuur waarbij elke post internationaal aangekondigd wordt, waarbij men desnoods aan ‘headhunting’ doet, en waarin men her-adverteert wanneer er in een eerste ronde geen enkele uitstekende kandidaat de kop opsteekt. Professoraten zijn nog te vaak bevorderingen van assistenten of onderzoekers, eerder dan benoemingen van iemand die een bepaald vakgebied gedurende een paar decennia moet beheersen. Een slechte benoeming bevriest zo’n vakgebied en zorgt ervoor dat er gedurende pakweg 20 jaar geen noemenswaardige onderzoeksoutput is, er nauwelijks onderzoekers worden gerecruteerd uit de studentencohorten, er nauwelijks doctoraten of onderzoeksprojecten lopen, er nauwelijks internationale netwerking bestaat. Een slechte benoeming bevordert, simpel gesteld, het reeds aanwezige provincialisme.
  2. Rigiede loonschalen, de onwil of onmacht om aantrekkelijke (en fiscaal interessante) loonpakketten samen te stellen en om op maat gemaakte werkomgevingen te scheppen is in dit alles een groot opstakel voor het recruteren van internationaal toptalent. Goede mensen krijgt men niet zomaar, en gegeven de internationale competitieruimte waarin elke universiteit zich nu nadrukkelijk bevindt moet men ook competitief kunnen zijn met lonen, werkomstandigheden, werkingsmiddelen en faciliteiten. Zoniet blijft men middelmatig benoemen. Indien Vlaamse universiteiten internationaal competitief willen zijn, moeten ze ook qua recrutering flexibeler kunnen optreden en specialistie van hun personeel in bepaalde academische taken mogelijk maken. Traditioneel wordt de opdracht van een academicus in drie delen opgesplitst: onderwijs, onderzoek en ‘dienstverlening’ (d.i. administratie), en iedereen moet elk van die taken waarnemen. De druk op elk van die taken is enorm toegenomen, waardoor de werkomstandigheden in een ‘normaal’ professoraat bijzonder belastend zijn. Zowel het loon en de extra voordelen, noch de onderwijs- en administratieve last, noch de wetenschappelijke omkadering kunnen opwegen tegen wat topmensen aan andere goede universiteiten gewend zijn. Vlaanderen is dan ook een onaantrekkelijke plaats om als internationaal academicus aan het werk te gaan.
  3. Vlaamse universiteiten zijn trouwens nog steeds veel te veel teaching colleges en te weinig research universities. Academische benoemingen in de sociale wetenschappen worden uitsluitend op basis van onderwijsbehoeften gedaan, niet op basis van onderzoeksbehoeften of –mogelijkheden. Er moeten zeven vakken Grieks gedoceerd worden, dus heeft men een nieuwe prof Grieks nodig. Die prof wordt echter gerecruteerd op basis van een kandidatuur die in de eerste plaats onderzoeksprestaties moet doen oplichten, en zo heeft men de klassieke dilemma’s van het professoraat. Men is een goed en productief onderzoeker en wordt daardoor prof; maar van zodra het professoraat er is krijgt men een rigiede en zeer zware onderwijslast (en een zware administratieve last!) toegeschoven. Vaak strookt dat niet met het talent van de nieuwe prof, en worden de vakken dan ook slecht gegeven. Nog vaker is een academische aanstelling een zeer ernstig vertragende factor in de uitbouw van een onderzoeksdossier. Men heeft ‘geen tijd’ om nog veel te publiceren, onderzoeksprojecten aan te trekken of doctoraatsstudenten te begeleiden, want men heeft ‘veel les’, moet zeer veel tijd spenderen aan de individuele begeleiding van studenten, en spendeert bijzonder veel tijd aan administratie (zeker wanneer men onderzoeksprojecten lopen heeft: wie onderzoek aantrekt wordt gestraft met pakken papierwerk). Voor sommigen is ‘veel les’ een welkom excuus, want het kan worden ingeroepen om de tekortkomingen in de eigen onderzoeksactiviteit te verdoezelen. Bij anderen heerste een zeker machismo inzake les geven: men is maar ‘man’ wanneer men tonnen onderwijs geeft, en pas ‘echt man’ wanneer men dat onderwijs ook aan grote groepen verstrekt. Les geven voor 800 studenten is voor velen nog steeds een verwezenlijking en verdienste op zich. Dat die verdienste (zoals het zingen van Wagner-opera’s) overwegend fysiek is, maar dat er vaak nauwelijks enig academisch rendement uit zo’n doceersituaties voortkomt, ontgaat velen. De reële economische kost van het omgekeerde – een voltijds prof die een vak geeft voor drie studenten – is eveneens onverantwoordbaar.
  4. Zeker in de sociale wetenschappen moet men daarom de onderwijsdruk verlagen ten voordele van de onderzoeksdruk. Dat betekent: vakken, zelfs opleidingen schrappen. Dit is volstrekt taboe in zeer veel plaatsen, en terwijl de Bologna-hervorming deels inhield dat het onderwijsaanbod afgeslankt zou worden, heeft ze in bepaalde plaatsen aanleiding gegeven tot een toename van het onderwijs. De wildgroei aan ‘post’ opleidingen (de zogeheten Bachelor-na-Bachelor en Master-na-Master opleidingen) zijn hiervoor tekenend, en ik kom daar verder nog op terug. Maar onderwijs-afslanking is onvermijdelijk en, gegeven het toegenomen deel onderzoeksbepaalde financiering, ook economisch noodzakelijk. Ik werk thans aan een universiteit waar men op basis van onderzoeksoutput een percentage ‘beschermde onderzoekstijd’ krijgt. Die kan oplopen tot 40% van de werktijd, en het onderwijsaanbod wordt telkens aan dit frequent wisselende volume van doceerbeschikbaarheid aangepast. Als bij mirakel scoort men daar dan ook goed qua onderzoek, en hoort men onderzoeksgerichte academici niet kreunen onder de last van vele kilo’s examenwerkjes. Ik kan ook tijd ‘opsparen’ voor een onderzoeksverlof (een ‘sabbatical’ in het jargon) door niet al mijn verlofdagen op te nemen en zo maximaal drie maanden tijdskrediet op te bouwen.
  5. Ook de administratieve last moet omlaag. De tijd dat professoren hun eigen toegewijde secretaresse hadden alsook enkele assistenten is allang voorbij. Ze doen alles zelf, van het typen van brieven tot het repareren van een overhead-projector. Door de toenemende management- en evaluatie-cultuur is er het laatste decennium een onwaarschijnlijke toename ontstaan van ‘werk over werk’: rapporteringen allerhande, vergaderingen over die rapportage, tussentijdse evaluaties bij de vleet. Die administratie is, zoals elke bureaucratie, dwingend: men moèt die formulieren invullen en doorsturen. Les geven is eveneens dwingend, want er staan studenten te wachten, en de prijs die men zo betaalt voor de toegenomen onderwijs- en administratieve druk is de eigen onderzoekstijd. Vlaamse academici kunnen nooit internationaal competitief zijn, en dreigen zelfs verder onder druk te komen in het Vlaamse financieringsmodel, binnen de huidige structuur van de academische opdracht. Men moet dan ook specialisatie toelaten. Niet elke academicus is tegelijk een uitstekend lesgever, onderzoeker en administratief beheerder. Bovendien, zoals eerder gezegd, wanneer men wordt aangesteld gebeurt dit enkel met garanties inzake onderzoeksprestaties, niet voor onderwijskwaliteit of administratieve nauwgezetheid. Er zullen dus proffen zijn die graag en zeer goed les geven, graag en zeer goed onderzoek doen, en graag en zeer goed administratief beheer op zich nemen. In de aanwerving en de evaluatie zouden zo’n specialisatievormen moeten mogelijk gemaakt worden: men werft dan proffen aan die in de eerste plaats onderwijs, onderzoek of administratieve taken waarnemen. Op zeer vele plaatsen elders in de wereld heeft men zoiets al lang beseft, en worden vakgroepvoorzitters, decanen of rectoren extern aangeworven op grond van hun administratieve verdiensten.
  6. Er moet bij dit alles naar twee dingen gekeken worden: (a) de schaal waarop men opereert, en (b) de eigen ‘markt’ positie. Wat de schaal betreft: deze is zowel door de Bologna-Verklaring (naar boven) als door het decreet op de hogescholen (naar beneden) gewijzigd. Universiteiten zijn niet langer monopolisten in het hoger onderwijs; ze moeten hun plaats nu bekampen met regionale concurrenten (hogescholen) en internationale concurrenten. Dit, gekoppeld aan de veranderde financiering die meer nadruk legt op onderzoek, dwingt de Vlaamse universiteiten (1) af te stappen van hun eigenheid als teaching colleges en voluit te gaan voor het statuut van research universities; (2) intensieve doceer-opleidingen zoals in de talen-opleidingen af te staan aan hogescholen, en (3) hun eigen missie in te kleuren als graduate schools, dat wil zeggen: als plaatsen waar men een MA of een doctoraat behaalt. Dat laatste is de unieke positie van de universiteit, en MA en doctoraten nemen dus steeds maar toe qua belang als academisch ‘product’ en resultaat. Noteer dat dergelijke hogere diploma’s ook relatief lage risico’s dragen in het nieuwe financieringsmodel. De grote schifting gebeurt in het eerste jaar, en het is daar dat men heel wat ‘onproductief’ doceerwerk doet met zeer laag academisch rendement. Universiteiten zijn daarvoor niet de beste plek, anderen doen dat vaak veel en veel beter.
  7. Universiteiten moeten zich, bij het herdenken van hun rol in de toekomst, in de eerste plaats laten leiden door een visie op doctoraatswerk en op MA-diploma’s. We zullen daar lager nog economische argumenten voor geven. De hogere opleidingen zijn  onderzoeks-intensief en laten een grote synergie toe tussen onderwijs en onderzoek. Die visie is er, zeker wat betreft het doctoraat, op dit moment niet. Men ziet het doctoraat vooral in de sociale wetenschappen nog steeds als een optioneel aanhangsel van academisch werk, als een eerder toevallige, voluntaristische handeling van een student en een promotor, die beide besclissen wat tijd te spenderen aan een doctoraatsonderzoek. Het unieke product van universiteiten – de doctoraatstitel – is een lelijk eendje bij vele spelers in het veld. Het is de concentratie op hogere diploma’s die een echte en intensieve onderzoekscultuur oplegt aan faculteiten waar die thans niet heerst. Postdoctorale onderzoekers zijn eveneens een cruciale factor, en ook hierrond bestaat er in dit land nauwelijks een visie of beleid. De onderzoeksarbeid van het doctoraat begint pas te renderen nadat het is afgelegd. Het is dan dat jonge doctores gretig publiceren, internationale lezingen geven en congressen of seminaries organiseren. Het is ook dan dat ze vaak uitmuntende begeleiders van MA- of doctoraatswerk kunnen worden. Het feit dat hier nu geen visie omtrent is, en men dus slechts weinig mogelijkheden aan pas gedoctoreerde studenten kan bieden om in dit land aan de slag te blijven, leidt ertoe dat het rendement van een doctoraat onderbenut wordt, en dat andere (vaak buitenlandse) instellingen de bonussen opstrijken van een jonge en dynamische postdoctorale onderzoeker.
  8. Ik keer even terug naar het thema van de schaal. De tijd waarin Vlaamse universiteiten in de eerste plaats keken naar hun Vlaams marktaandeel (‘Leuven is groter dan Gent’!!) is uit. De schaal waarop universiteiten moeten opereren is niet langer de nationale schaal, maar de lokale en de globale, in eerste instantie: de Europese. Onderzoekskwaliteit zal een toenemende rol gaan spelen ten nadele van studentenaantallen, en een ‘grote’ universiteit zal dan ook snel als een middelmatige universiteit gezien worden, waarin elke docent pakken studenten achter zich aan sleept in ruil voor bescheiden inkomsten – basisfinanciering en inschrijvingsgelden – voor de universiteit. Men zal geen vakken of opleidingen meer kunnen aanbieden die niet economisch en academisch rendabel zijn. Er worden nu nog te veel zaken aangeboden gewoon omdat ze ooit in een programma beland zijn, omdat een bepaalde prof vindt dat dit vak in die opleiding moèt, of omdat de universitaire besluitvorming zo traag en log is dat veranderen te veel arbeid kost. Wie zulke vakken en opleidingen wil blijven aanbieden zal ze moeten financieren uit de meer-opbrengsten van andere delen van de universiteit.
  9. De tijd van de ‘complete’ universiteit is dan ook voorbij. Universiteiten die alle denkbare opleidingen aanbieden aan eender wie behoren tot het verleden. Een competitieve universiteit moet delen durven afstoten die niet beantwoorden aan haar missie en strategie – bijvoorbeeld via fusies met hogescholen. Dit vergt een nieuwe leiderschapscultuur die harde prioriteiten definieert, investeert in die prioriteiten, en niet-performante delen hetzij diepgaand hervormt, hetzij wegsaneert. Universiteiten kunnen dan ook last krijgen van hun grote traditie, gezien het risico op traditie-bepaalde beslissingen (‘wij zijn altijd al een centrum voor Indologie geweest’) en faam uit het verleden is echt geen automatische wissel op de toekomst meer. MIT werd tot een halve eeuw geleden gewoon gezien als de Technische Hogeschool aan de overkant van Harvard. Het was een perifere universiteit, die echter door een agressief recruteringsbeleid en een reeks doelgerichte manoeuvers in de onderzoeksmarkt tot de nummer één in de wereld is uitgegroeid (en Harvard dus in de schaduw stelt). Universitair beleid zal aanzienlijk flexibeler moeten worden wil het niet achterhaald zijn nog voordat het is geformuleerd. Het in stand houden van een universiteit die qua huidig aanbod een doorslag is van het aanbod in 1972 of 1985 zal een enorme druk op die universiteiten leggen. Europese normen-in-de-maak voor kwaliteitscontrole zullen hierbij wel een handje helpen.
  10. De tijd van de democratische welvaartstaat-universiteit is eveneens voorbij. Dit is zeer te betreuren, maar het zit in de logica van dit systeem. Het Decreet voorziet al een vrijmaking van de inschrijvingsgelden, en in de scenario’s die ik hier boven heb geschetst zal een universiteit noodgedwongen elitair moeten worden. Vandenbroucke vermijdt in zijn artikel nauwgezet elke relatie tussen ‘democratisering’ en universiteiten – hij heeft het telkens over ‘hoger onderwijs’ in het algemeen. Universiteiten zullen hoegenaamd niet democratischer worden, want universiteiten zullen zich, brutaal gesteld, geen democratische instroom meer kunnen veroorloven. Hogescholen misschien nog wel, en hogere technische scholen eveneens. Maar universiteiten zullen zich, in complete tegenstelling tot wat Vandenbroucke hoopt, steeds minder ‘high maintenance’ studenten kunnen permitteren en zich steeds meer moeten richten op ‘high yield’ studenten. De druk ligt immers in wezen op de tijdseconomie van het academisch personeel, dat steeds meer moet doen om eenzelfde financiële instroom te genereren en dus de keuze voor onderzoek zal moeten maken. Het hoge rendement ligt bij de doctoraten, niet bij de middelmatige eerstejaars BA student. Die laatste eist vaak, om te slagen en dus (vanaf het tweede jaar) gefinancierd te worden, enorme en ‘niet-productieve’ begeleidingsinspanningen. Een uur per week spenderen met een zwakke BA-student levert enkel de basisfinanciering op, beloopt op jaarbasis 30 uur, en over het geheel van de BA-opleiding zowat 90 uur – de prijs van een gedoceerde cursus, en dit slechts voor één student. Datzelfde uur spenderen met een doctoraatsstudent levert, naast vooruitgang in het onderzoek (en de bonus die dat oplevert), veel hogere inkomsten op. De verhoogde begeleidingsplicht die de Minister nu oplegt aan universiteiten (met de stok van de financiering in de hand) drijft universiteiten naar de keuze om meer elitair te worden. Gekoppeld aan de beklemtoning van onderzoeksfinanciering is de keuze voor universiteiten eenvoudig: stoot zoveel mogelijk laag-rendementswerk af, en concentreer je op het hoge-rendementswerk in MA opleidingen en doctoraten. Dit sluit aan bij punt 7 hierboven.
  11. De wil van een universiteit om een min of meer democratische instelling te zijn zal trouwens botsen met de druk tot rendabiliteit. De verleiding om de inschrijvingsgelden op te trekken is zeer groot, en hierin schuilt een groot gevaar voor het democratische karakter van ons hoger onderwijs. De ‘post’ opleidingen waarvoor vrije inschrijvingstarieven gelden zullen meer en meer als ‘echte’ diploma-richtingen worden gezien en gestimuleerd, terwijl de lage-opbrengstrichtingen (voornamelijk de BA) zullen devalueren. We dreigen in de richting te gaan van massaproductie van lage-kwaliteits en goedkope BA opleidingen gekoppeld aan een elitaire productie van dure ‘post’ opleidingen, die gegeven hun specialisatiekarakter snel de norm van de arbeidsmarkt kunnen worden. Ons systeem is dan zo democratisch als de vrije markt: eenieder die het zich kan veroorloven kan bepaalde producten kopen.
  12. Binnen diezelfde logica zullen universiteiten ook steeds meer gedwongen worden tot risicobeheersing. De zwakke eerstejaars BA student van hierboven zal men te allen prijze willen ontmoedigen, want hij/zij kost geld en brengt er geen op. Eerder dan voor hen een omvangrijke en dure reeks (‘niet-rendabele’) voorzieningen voor studiebegeleiding op te zetten zal de universiteit zo’n studenten vriendelijk maar met aandrang heroriënteren naar hogescholen of hogere technische scholen, zodat er ook in dit segment van onze onderwijswereld een cascade-systeem dreigt. Systemen van numerus clausus of ingangsproeven zullen niet lang meer taboe zijn, en de verdere gelaging van academische graden, met de ‘post’ opleidingen als eerste aanzet, kan ook als barrière voor een democratische instroom worden gebruikt. Enkel de ‘juiste’ studenten mogen er nog in, en vanuit rendabiliteitsoverwegingen zullen universiteiten gedwongen zijn om hierin steeds selectiever te werk te gaan.
  13. We gaan dus naar een toegenomen meritocratisch model, dat, zoals we al lang weten (en door de PISA-resultaten bevestigd zien) steeds neigt naar een aristocratisch model. De meritocratie bestaat erin dat men aan universiteiten enkel nog welkom zal zijn indien men de universiteit geen geld kost. Dat wil zeggen: indien men een onderzoeksgerichte opleiding volgt die de docenten toelaat hun eigen onderzoek in de leslokalen verder te zetten; indien men keihard werkt om niet te zakken, en daar ook de capaciteiten toe heeft. En natuurlijk: indien men het mogelijk fors verhoogde inschrijvingsgeld op tafel kan leggen. De uitbreiding van het beurzenstelsel is – dat zien we internationaal – steeds een wegbereider voor het optrekken van de inschrijvingsgelden. En gegeven de toenemende Europese competitiedruk zullen universiteiten geleidelijk aan meer aan ‘marktprijs’ moeten werken. De universiteit wordt dus duurder en selectiever: precies het tegendeel van wat Vandenbroucke beoogt. Hij zal dit ontkennen, ook de Rectoren zullen dat ontkennen, maar het gaat hier om een longitudineel fenomeen: binnen een tiental jaar staan we voor de wereld die ik hier beschrijf. De verandering zal optreden via kleine, stapsgewijze aanpassingen ‘aan de markt’, niet via drastische koerswijzigingen, en velen zullen de verandering dus niet als een revolutie zien.
  14. In die nieuwe wereld zullen Vlaamse universiteiten zich grondig moeten aanpassen – ik geef hierboven suggesties – zoniet blijven ze logge provinciale universiteiten zonder betekenis. Ze zullen zich grondig moeten bezinnen over hun democratische roeping, want de randvoorwaarden waarin ze tot nu werkten – een welvaartstaat met een groot democratisch ideaal en verregaande overheidsfinanciering – zijn gewijzigd. De logica is nu niet langer meer die van een sociale middenveldorganisatie, maar die van de markt, met risicobeheersing, winstmarges en rendabiliteit als centrale instrumenten. Ze zullen allianties en consortia moeten afsluiten met hogescholen en met andere universiteiten om hun taken te blijven vervullen. Ze zullen een veel flexibeler personeelsbestand moeten hebben, dat geniet van bonussen voor gepresteerde top-arbeid en gesanctioneerd wordt voor laag rendement. Ze zullen van jaar tot jaar hun strategie en marktpositie moeten herbekijken, en harde keuzes moeten maken, ook qua instroom van nieuwe studenten. Ze zullen duurder worden, en veel selectiever. Of ze door dit alles ook echt betere instellingen worden wacht vooralsnog op een gedegen bewijsvoering. Voor mij verliest de universiteit veel van haar waarde, want ze zal haar maatschappelijke emanciperende rol beetje bij beetje moeten uithollen.
  15. Wie doorheen dit alles nog gelooft dat dit allemaal wel zal koelen zonder blazen dwaalt. En wie gelooft dat het beleid van de Vlaamse Minister de enige factor is waarmee men moet rekening houden, die dwaalt nog erger.
Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s