Hoe zit dat nu met publiceren?

Naar aanleiding van een petitie van academici is er een debat ontstaan over de publicatiedruk aan onze universiteiten. Academici klagen over de dwang om jaarlijks een aantal zogeheten “A-publicaties” uit te brengen. Die publicaties worden dan in rekening gebracht in de loopbaanontwikkeling – bevorderingen, vaste aanstellingen – en bepalen in hun totaal ook mee de score van universiteiten in de talloze internationale academische “rankings”.

Afbeelding

De drang om te publiceren komt in de regel bovenop een al zwaar takenpakket waarin doceren uiteraard een belangrijke plaats neemt, maar waarin de afgelopen paar decennia ook een enorme administratieve belasting is ontstaan. Professoren hebben al lang geen eigen secretaressen of typisten meer en ze doen het leeuwendeel van hun administratie zelf.  Die administratie houdt nu ook een enorm pak rapportering in over het werk. Functiegesprekken en evaluaties gebaseerd op persoonlijke ontwikkelingsplannen, met duidelijke ‘targets’ en ‘deliverables’, behoren tot de kern van academisch werk. Het managerisme is de universiteiten binnengeslopen, een veel van het werk dat hieruit voortvloeit wordt naar beneden toe gedelegeerd, naar de individuele academicus toe. Zoals de rest van het onderwijsveld zijn ook universiteiten al decennia permanent aan het veranderen en rationaliseren, waardoor institutionele rust afwezig is. Universiteit werk is zwaar.

Vignette: Ik werd in 1997 als 36-jarige aan de UGent benoemd tot prof in de Afrikaanse Taalkunde en Sociolinguistiek, na achtereenvolgens een niet-vastbenoemd assistentschap in Gent (’88-’91) en een extern gefinancierde onderzoeksbaan aan de UIA (’91-’97). Van 1997 tot 2004 was ik constant vakgroepvoorzitter van de vakgroep Afrikaanse Talen en Culturen, die ik als eerste opdracht moest oprichten. Ik was tevens onafgebroken voorzitter van de Opleidingscommissie voor de opleiding met dezelfde naam, die ik eveneens moest vernieuwen. Ik gaf nooit minder dan 11, en een maximum van 14 VAKKEN van tussen de 30 en 120 doceeruren elk. Ik was promotor van zowat alle licentiaatsverhandelingen (20-25 per jaar) en van een aantal doctoraatsprojecten (9 doctoraten werden verleend in die periode onder mijn (co-) promotorschap). Ik was in mijn leidende functies degene die de BaMa hervorming moest leiden voor m’n opleiding, en ik was eveneens verantwoordelijk voor een visitatie, allebei immense administratieve oefeningen. Ik schreef in die periode ook een aantal boeken en een groot aantal artikels, sprak frequent op conferenties, leidde een internationaal FWO-netwerk, was mede-organisator van een aantal internationale congressen, en was tussen 2003 en 2008 coordinator van het grootste VLIR-UOS samenwerkingsprogramma in de humane en sociale wetenschappen, met University of the Western Cape, Zuid Afrika. Op een dag zei ik tegen mijn Decaan: “U kan mij toch geen 70 uur per week doen werken?”, waarop hij antwoordde “technisch gesproken kan ik dat wel”. Waarna ik me op de academische arbeidsmarkt gooide. Ik werd geheadhunt, en verliet de UGent met een hartkwaal en een ernstige depressie. Ik ben wellicht een wat extreem geval, maar zeker niet uitzonderlijk.

Administratief werk is altijd dwingend, het wordt opgelegd van bovenuit en heeft grote gevolgen. De tijd die het vreet gaat ten koste van onderzoek. Onderzoekstijd is een vaag gegeven: het is de tijd die overblijft na het doceer- en begeleidingswerk met studenten, die vast ligt, en na het administratieve werk dat een dwingend karakter heeft. Voor vele academici betekent dit: we doen onderzoek ’s avonds, tijdens de weekends en vakanties.

De klachten over publicatiedruk moeten dan ook gezien worden vanuit het geheel van de arbeidsbelasting: publiceren is van het opperste belang voor de kwaliteit van het werk en voor de ontwikkeling van een academische loopbaan. De ruimte waarin die publicaties ontstaan is echter nog al te vaak de ruimte van overwerk. Het enorme gewicht dat op publicaties wordt gelegd verhoogt de totale werklast in een feitelijk onverantwoordelijke mate.

Maar er is meer. Publicaties hebben hun wortels in onderzoek, en onderzoek zelf – dat zagen we net – krijgt nauwelijks ruimte in de academische tijdseconomie. Het gevolg is dat publiceren een activiteit op zichzelf wordt, die in een losse relatie staat met onderzoek. Het is die losmaking van de organische band tussen onderzoek en publiceren die aansprakelijk is voor een aantal kwalen in de academische wereld.

Zelf werk ik aan de universiteit waar de prominente sociaal-psycholoog Diederik Stapel ontmaskerd werd als academisch fraudeur. Stapel publiceerde fenomenale aantallen artikels; het onderzoek dat eraan ten grondslag lag was onbestaande. Andere gevallen van fraude hebben dezelfde structuur: mensen moeten hard publiceren, waardoor de kantjes van het onderzoek worden afgelopen. Bij gebrek aan degelijk onderzoek gaat men toch publiceren. De kern van het probleem van de publicatiedruk ligt dan ook in de ruimte die men schenkt aan onderzoek. Wie geen tijd heeft om onderzoek te doen zal niets te publiceren hebben; als er toch wordt gepubliceerd gaat het om betwistbaar, oppervlakkig, irrelevant of compleet frauduleus werk.

De wetenschappelijke tijdschriften staan vol met werk dat het lezen niet waard is. Het herhaalt wat al geweten is, voegt niets toe aan de ontwikkeling van een vakgebied, en bestaat enkel omwille van de dwang om te publiceren in het licht van loopbaanontwikkeling. De tijdschriften staan vol met werk dat eigenlijk niet had hoeven te verschijnen, want de academici die het hebben geschreven hebben nauwelijks de tijd gehad om ernstig onderzoek te doen.

Vignette: In het arbeidscontract met mijn huidige werkgever heb ik een aantal clausules laten opnemen die te maken hebben met de kwaliteit van het arbeidsklimaat. Ik heb ook 50% werktijd die als onderzoekstijd niet-inbreekbaar is. Onderhandelen over loon is vaak futiel in de academische arbeidsmarkt: universiteiten werken nog vaak met barema’s en met vormen van collegiale afweging van billijkheid qua salaris. Veel belangrijker is onderzoekstijd. Ik word nog steeds geheadhunt, en mijn eerste vraag is steeds hoeveel onderzoekstijd ik formeel en niet-conditioneel kan krijgen. De stilte die daarop volgt is vaak oorverdovend. Maar iedereen begrijpt wel meteen waarom ik dat belangrijker vind dan status of salaris: een menselijk arbeidsregime is een behoefte, geen luxe, om aan wetenschap te doen.

Tijdschriften hebben daar lak aan. Een van de diepere problemen van het academisch publiceren is dat de “A-publicaties” nagenoeg uitsluitend slaan op commercieel geproduceerde tijdschriften. Deze zijn in handen van een klein aantal grote internationale uitgeverijen die van academisch publiceren een miljardenbusiness hebben gemaakt. Academici tekenen met die bedrijven de meest obscene en hallucinante auteurscontracten: in de regel staan wij al onze rechten in saecula saeculorum af aan een uitgeverij, die totale macht over ons intellectueel werk verwerft. Ook om die reden is de structuur van academisch publiceren dringend aan herziening toe.

Vignette: ik zit al jaren in de editoriale en adviesorganen van ruim een dozijn internationale tijdschriften en heb de gang van zaken zien verschuiven van een ambachtelijk model naar een industrieel model. Het aantal tijdschriften neemt spectaculair toe, want de aanvoer van kopij is enorm opgezwollen, met artikels van jonge onderzoekers die wanhopig hun CV moeten vullen. Naast de kwaliteitsproblemen die ik hier beschrijf is er nog iets ernstigs aan de hand. Het feit dat de metingen haast uitsluitend op ARTIKELS slaan zorgt ervoor dat grote brokken onderzoek – zaken die tot een BOEK kunnen leiden – na het doctoraat steeds zeldzamer worden. Mensen worden via de normen van de meting gedwongen om ‘quickies’ te maken: korte en aan stukjes gehakte brokken onderzoek die in een artikel kunnen belanden, maar die de kracht en coherentie van een breder programmatisch project missen. De druk om platgetreden paden te volgen is daarbij enorm, en neemt toe, en het ‘peer review’ systeem lijkt dit steeds vaker in de hand te werken: tenzij mensen een helder en gekend kader en methodologie volgen wordt het werk als minderwaardig beschouwd, waardoor speculatieve en innovatieve benaderingen merkwaardig genoeg een gevaar voor publicatie beginnen te worden. We zien jonge wetenschappers dan ook steeds meer kiezen voor eenvoudige en volkomen simpele benaderingen (denk aan statistiek of conversatie-analyse)  en meer complexe zaken vermijden. Dat is het nadeel van de huidige publicatiecultuur die op artikels gericht is. De productie van een boek is om overduidelijke redenen een traag proces, en zich daarop toeleggen betekent dat men de artikelenproductie verwaarloost, wat nefast is voor de CV. We krijgen dan ook steeds meer anekdotische en nietszeggende, reproductieve wetenschap die substantie en samenhang mist. Hetzelfde geldt uiteraard, en a fortiori, voor VULGARISERING van relevante wetenschappelijke inzichten. Die krijgen vaak geen enkele waardering. Het gevolg is dat het maatschappelijke debat over wetenschappelijke inzichten nagenoeg onbestaande is, en als het opduikt is het van lamentabele kwaliteit – denk aan het gedoe over Freuds ‘pseudowetenschap’ en andere SKEPP-interventies. Een ander gevolg is dat universiteiten volstrekt onvoldoende bijdragen tot wat er in de samenleving gebeurt, nauwelijks aan ‘outreach’ kunnen doen (tenzij daar een forse factuur voor mag geleverd worden), en zeker in humane en sociale wetenschappen nauwelijks op beleidsvorming wegen.

Remedies voor al deze kwalen moeten gezocht worden in de structuur van onderzoek als een academische bezigheid. Academici moeten effectieve werktijd als onderzoekstijd kunnen vrijwaren, binnen een redelijke globale arbeidsbelasting. Tegenover die onderzoekstijd moeten verwachtingen staan inzake onderzoek, en dus niet enkel inzake publicaties. Onderzoek is immers per definitie traag en onvoorspelbaar, en in zoverre het nieuwe horizonten exploreert kan het ook mislukken. Het is onzin om onderzoek te koppelen aan jaarlijkse afrekeningen. Ikzelf hanteer voor mijn onderzoeksgroep evaluatiecycli van drie jaar, wat een veel realistischer tijdskader is voor het (in wezen ambachtelijke) proces dat leidt van een ruwe idee naar een afgewerkt stuk onderzoek, klaar voor publicaties van enig niveau.

Vignette: als ik mijn eigen loopbaan beschouw zie ik dat men, in een gunstig onderzoeksklimaat, vier tot vijf keer iets ‘groots’ kan doen: een substantieel boek dat de volledige ontwikkeling van een aantal fundamentele ideeën samenvat, een matuur onderzoeksprogramma dat internationaal genetwerkt is, een volwaardige fundamentele onderzoeksaanvraag, en zo meer. De ontwikkeling van dergelijke ‘grote’ dingen neemt telkens vijf tot zes jaar in beslag. Ze treedt dan ook pas op tijdens bepaalde fases van de onderzoeksloopbaan, en ook die fasering van de onderzoeksloopbaan wordt niet van een visie of organisatorische steun voorzien. De ‘productiecyclus’ van drie jaar die ik hanteer moet zoiets mogelijk maken, en laat ook de mogelijkheid om eens een ‘slecht jaar’ te hebben; mensen kunnen met gezondheid of familiale problemen sukkelen, kunnen iets aanpakken dat nergens toe leidt, enzovoort, zonder zich meteen zorgen te maken over hun toekomst. De vertraging van de business-cycle, om eens belachelijk jargon te hanteren, is een cruciaal element in de verbetering van de arbeidsvoorwaarden voor academisch werk.

In de huidige benadering houdt men geen rekening met de werkelijke eigenschappen van onderzoek. Men ziet publiceren als iets wat altijd mogelijk, nuttig en relevant is. De productievoorwaarden van die publicaties worden niet bekeken, terwijl de kat precies daar gebonden ligt. Enkel wanneer men werk maakt van een deugdelijke visie op onderzoek, en dit aspect ook duidelijk gestalte geeft in een model van academisch werken, zullen we hoogstaande, innovatieve en relevante output krijgen.

Academici zullen dan misschien minder artikels schrijven (hoewel ik dat betwijfel), maar de publicaties zullen het lezen waard zijn, gelezen worden, en door andere wetenschappers opgepikt worden als waardevolle interventies in het academische debat. Geciteerd worden is daarom een veel duidelijker indicator van de waarde van academisch werk dan het aantal “A-publicaties” die iemand schrijft. Zoals gezegd: het overgrote deel van die publicaties is het lezen niet waard. Niemand leest ze dan ook. Ze dienen enkel voor het aanvinken van “targets” en “deliverables” in de jaarlijkse evaluaties, en voor de winstmaximalisering van de grote uitgeverijen die het monopolie houden op deze publicaties.

Vignette: de uitgeverijen profiteren van de ‘publish or perish’ cultuur die mensen tot ‘quickies’ dwingt. De institutionele nadruk op artikels die volledig conform zijn aan andere artikels genereert de enorm gestegen aanvoer van kopij en laat de industrie toe enorme uitbreiding te nemen. De contractuele schandalen die daaraan gekoppeld worden heb ik gemeld. De afhankelijkheidspositie van onderzoekers tegenover uitgeverijen is totaal, want je hebt geen loopbaan tenzij je de ‘rat race’ mee loopt. De geldklopperij die uit die monopolie-situatie voortvloeit is onbeschrijflijk. Wie een PDF van een artikel wil krijgen betaalt daar tussen de 35 en 65 Euro voor in de vakgebieden waarin ik actief ben. Vaak is die PDF electronisch beschermd, zodat hij slechts 1 keer gedownload kan worden en 25 keer kan verstuurd worden. Steeds meer worden auteurs ook gevraagd te betalen voor de editoriale verwerking van hun manuscripten: als je iets naar een tijdschrift stuurt moet je betalen om het simpelweg in aanmerking te nemen voor editoriale verwerking. Met de kwaliteit van wetenschappelijk werk heeft dit alles niets meer te maken, zoveel is duidelijk.

Het is te hopen dat het huidige debat over publicatiedwang snel leidt tot een debat over de arbeidsvoorwaarden aan universiteiten, en dan met name over het statuut van onderzoekstijd. Anders is het nutteloos.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s