Burgerschap, integratie en ander fraais: drie problemen

12096210_10207334455497517_3069586588702785627_n

Jan Blommaert 

[Lezing voor de UvT Sociëteit, Den Haag, 2010]

1. Context: Super-diversiteit

De context van dit stuk is snel geschetst.[1] Gedurende decennia heeft men zowel in onderzoek als in beleid een ‘etnisch minderheden-model’ aangehangen, waarbij ‘integratie’ de voornaamste vector was via dewelke de multiculturele samenleving gestalte zou krijgen. In het laatste decennium merkt men een zekere verstrakking van dit integratiemodel, en het model krijgt geleidelijk ook een nieuwe naam: ‘inburgering’. De nieuwe naam verbergt een impliciete theoretische verschuiving van collectieve visies op integratie (integratie was een groepsproces, dat zich bijvoorbeeld via verschillende allochtone ‘generaties’ voltrok) naar meer individuele visies. Inburgering is een individueel ‘gelijke kansen’ traject, en sluit in die zin aan bij andere brede en consensuele verschuivingen in het politieke en sociale vertoog en in de structuren, en vindt zo aanhechtingspunten bij zowel Liberale als Christen-Democratische en Sociaal-Democratische programma’s.

Dit ‘etnische minderheden-model’ blijkt nu sociologisch en antropologisch achterhaald, en dit grotendeels omwille van twee gecorreleerde historische ontwikkelingen: (1) de transformatie van patronen van internationale migratie sinds het einde van de Koude Oorlog, wat heeft geleid tot een veel grotere diversiteit-in-diversiteit, en daarmee samenhangend ook met een veel lagere voorspelbaarheid van de eigenschappen, levenstrajecten en identiteiten van de ‘allochtoon’; (2) de gelijktijdige opkomst van nieuwe communicatie-technologieën zoals het Internet en de mobiele telefoon, die een heel andere reeks sociale banden en vormen van sociale en culturele beleving mogelijk maken. De ‘migrant’ is dankzij de mobiel, Facebook en Skype nu niet langer meer afgesneden van zijn/haar cultuur en samenleving van herkomst; de politieke banneling is niet langer meer uitgeschakeld uit het politieke leven in zijn/haar land van herkomst; de allochtone kinderen hebben nu nog steeds de mogelijkheid om dagelijks de taal van hun ouders en grootouders te spreken, en mee te evolueren qua taalgebruik met de jongeren uit het land van herkomst.[2]

Deze verschuivingen (en we vatten die thans samen onder de noemer van ‘superdiversiteit’)  zorgen ervoor dat een aantal kernbegrippen uit het etnische minderheden-model hun relevantie hebben verloren. Begrippen zoals ‘diaspora’, ‘cultuur’, ‘etniciteit’, maar ook ‘gemeenschap’, ‘sociale relaties’ en vanzelfsprekend ook socioculturele trajectbeschrijvers zoals ‘integratie’ zijn allemaal aan herziening toe, en dit niet om ideologische redenen maar om robuuste wetenschappelijke redenen van empirische accuratesse.[3]

Dit probleem van accuratesse wordt nog gecompliceerd door een aantal verschuivingen in de autochtone lagen van de samenleving. Globalisering en super-diversiteit hebben effecten op het geheel van de samenleving, en niet enkel op de allochtone lagen ervan. Ook autochtonen begeven zich nu in voorheen onbekende vormen van sociale en culturele organisatie en beleving, en dit omwille van een complex samenspel van factoren waaruit ik er hier twee kort isoleer.

Er is enerzijds een ingrijpende verandering in het gebruik van media, met een duidelijke verschuiving van ‘oude’ naar ‘nieuwe’ media, en die verschuiving houdt een actiever en creatiever attitude en praktijk in (men schept bijvoorbeeld nieuwe virtuele identiteiten via games en sociale netwerk-sites en leeft zo een volkomen ontwikkeld ‘tweede leven’ binnen virtuele sociale netwerken). Dit nieuwe mediagebruik heeft implicaties voor de wijze waarop men kennis en informatie circuleert, decodeert en hanteert, standpunten en ‘opinies’ formuleert en behandelt, leerprocessen aanvat en organiseert, en zo meer. Daarnaast is er een tweede en minder specifieke factor: de geleidelijke transformatie van de klassieke verzorgingsstaat in een ‘risico-samenleving’, waarin het individu zijn/haar eigen leven moet beheren (‘life management’) via risicobeheersing. Deze transformatie is een correlaat van de globale doorbraak van radicaal-marktkapitalistische laissez faire (‘neoliberale’) modellen na het einde van de Koude Oorlog, en ze houden in dat rechten en plichten in toenemende mate niet meer collectief in relatie tot de staat worden georganiseerd, maar individueel in relatie tot de vrije markt. De politieke vertogen inzake collectieve voorzieningen zoals gezondheids- en ouderenzorg, onderwijs, sociale zekerheid verschuiven eveneens. Deze thema’s worden in een overwegend economisch verhaal gevat, en vallen op die manier zowel binnen geglobaliseerde schema’s van staatkundige efficiëntie, als binnen de risico-logica die ook het dagelijkse leven beheerst. Men is nu zelf als individu mede-verantwoordelijk voor de zorg, het onderwijs, het pensioen en zo meer, en de staat moet niet langer meer direct voorzien in behoeften maar daar wel gunstige voorwaarden voor scheppen. Net zo met ‘inburgering’, want de boven vermelde verschuiving van ‘(collectieve) integratie’ naar ‘(individuele) inburgering’ is deel van dit geheel.

Dit alles dient om een fundamenteel punt duidelijk te plaatsen. We kunnen vandaag niet meer praten over ‘integratie’ en ‘burgerschap’ enkel in relatie tot allochtonen. Beide begrippen hebben enkel zin wanneer ze over het geheel van de samenleving gaan, want de gehele samenleving wordt geconfronteerd met nieuwe uitdagingen van – jawel – integratie en burgerschap. Ik schets er drie in wat volgt, en ik geef mee dat deze uitdagingen zowel academisch als politiek zijn. Academisch staan ze thans in het centrum van de debatten inzake globalisatie,[4] en politiek domineren ze eveneens de discussies, bijvoorbeeld omtrent de remedies voor de diepe economische crisis van dit ogenblik.[5] In beide domeinen blijven ze vooralsnog relatief ondergespecifieerd, en kunnen ze enkel als vraagstuk worden geformuleerd. Ik kan ze dan ook enkel bondig schetsen.

 2. Drie vraagstukken inzake burgerschap en integratie

De drie vraagstukken die ik zal aangeven draaien allemaal rond een eenvoudig probleem: wat is ‘de burger’ precies? Men kan abstract en theoretisch praten over dit begrip, en doorgaans houden discussies hierover zich op dat abstracte en algemene vlak, maar op het einde van de rit stelt zich de praktische en concrete vraag: wat is dit nu precies, in detail, in de concrete werkelijkheid? Vertrekkend van een vrij hoog niveau van abstractie moeten we derhalve snel afdalen naar een niveau van waarneembare feitelijkheid. Vandaar de drie volgende problemen.

 De Burger als Homo Economicus

De boven geschetste grote bewegingen in onze samenleving dwingen ons om oeroude begrippen en beginselen kritisch te herbekijken. Woorden veranderen immers vaak heel grondig van betekenis terwijl men steeds de indruk heeft dat ze stabiel blijven in gebruik. Men gebruikt dezelfde woorden als eertijds, maar ze dekken nu een heel andere realiteit en moeten dus opnieuw gewikt en gewogen worden. Men kan denken aan het lot doorheen de twintigste eeuw van termen zoals ‘democratie’, ‘de economie’ (met het lidwoord), ‘vrijheid’ en zo meer als illustraties.[6]

Het begrip ‘burger’ beleeft heel gelijklopende verschuivingen. Wanneer we teruggaan naar de klassieke definities en omschrijvingen uit de periode van het klassieke liberalisme, dan heeft die burger een welbepaalde reeks eigenschappen. Hij (de burger van die tijd is een man) is de drager van een aantal onvervreemdbare rechten en vrijheden die op hun beurt een reeks plichten oproepen, zoals de plicht tot democratie. De locus classicus hiervoor is uiteraard de Amerikaanse Declaration of Independence. Die vrijheden staan centraal in de politieke en sociale identiteit van de burger, en regeringen hebben tot taak – tot eerste en absolute taak – die vrijheden te verzekeren, te vrijwaren, en te realiseren.

Doorheen de 19de en 20ste eeuw heeft men gezien hoe eerst Liberale hegemonieën en vervolgens Christen-Democratische en Sociaal-Democratische steeds uitgingen van dit klassieke beeld van de burger, ook al trad daarin een gedeeltelijke verschuiving op van een elitaire en hiërarchische naar een solidaire en egalitaire interpretatie. Het eindpunt daarvan is de klassieke Westerse welvaartstaat – iets wat maar een heel kort leven heeft gekend maar kan gezien worden als een uitkomst van twee eeuwen waarin dit burger-begrip wordt geoperationaliseerd. In de welvaartstaat ontleent het individu zijn sociale en politieke identiteit aan de volwaardige deelname aan collectief georganiseerde (en via solidariteit bekostigde) zorgen en diensten, en aan de plicht om deel te nemen aan het democratische bestel. De beschikbaarheid van deze zorgen en diensten is een automatisme: wie voldoet aan eenvoudige administratieve criteria, zoals bijvoorbeeld het bereiken van de pensioenleeftijd, heeft automatisch recht op deze zorgen en diensten. Zijn/haar relatie tot de staat is er één van solidariteit: hij/zij is solidair met de staat, en hij/zij ontleent aan die solidariteit een reeks heel concrete rechten-op: op onderwijs, arbeid, pensioen, gezondheidszorg, infrastructuurgebruik, koopkracht en zo verder.

Wanneer deze rechten nu, zoals eerder geschetst, binnen een geheel andere bestuurlijke logica worden opgezogen (en vaak geeft men dit aan als de verschuiving van liberalisme naar neoliberalisme, d.w.z. naar de 19de eeuwse laissez faire doctrine), dan heeft dit uiteraard ook effecten op wat we verstaan onder de ‘burger’. En dit is gebeurd: de rechten-op zijn nu niet meer allemaal automatisch, maar in verregaande mate ‘gecommodificeerd’. Die commodificatie verloopt door de verregaande delegatie van publieke diensten naar de private sector. De vrije markt neemt taken van de overheid over en doet dit aan desnoods gesubsidieerde markttarieven en binnen een exclusief economische logica. Maar (en dit is belangrijk) ook waar dit niet gebeurt en de overheid zijn rol als provider blijft spelen, zien we dat dit eveneens gebeurt binnen een economische logica en binnen een model van bedrijfskundige efficiëntie: reductie van de kostprijs, verhoging van het rendement, verlaging van de verliesposten, optimalisatie van de winst (of van het resultaat).

Om dit alles eenvoudig samen te vatten: de welvaartstaat wordt niet langer gevat in een verhaal van rechten, maar in een verhaal van kosten. Diensten die tot dan toe binnen een model van solidariteit-als-herverdeling werden georganiseerd worden nu louter binnen een marktmodel georganiseerd, als diensten die een prijs hebben en worden aangeboden aan bepaalde groepen van ‘cliënten’. Dit laatste woord is overigens alsoluut centraal geworden in het vertoog over de publieke sector: men is nu een ‘cliënt’ in het onderwijs, de zorg, de pensioenen, het verkeer, de belastingen, de politie en zo meer.

Tot hier toe was m’n uiteenzetting algemeen en abstract; nu wordt ze concreet. De deelname aan het stelsel van collectieve voorzieningen was hetgeen de burger als burger definieerde. De burger was ‘burger’ precies omdat hij/zij toegang had tot het systeem van de welvaartstaat. Wanneer dit model nu wegvalt, dan valt ook de essentie van de klassieke visie op de burger weg, en wordt de burger in de praktijk vervangen door een consument, een homo economicus die beheert, rekent, risico’s afweegt, en consumeert. Aangezien het om consumptie gaat vervalt eveneens het egalitaire karakter van het burgerschap, en wordt de burger, net als de consument, een domein van ongelijke gedragingen en middelen: sommigen kunnen veel consumeren, anderen niet, en zo worden sommigen om economische redenen een beetje meer burger dan anderen, en worden die gradaties van burgerschap het gevolg van marktmechanismen, niet van fundamentele politieke beslissingen. We gaan zo over van een klassiek-liberaal concept van ‘burger’ naar – ja, naar wat? – een neoliberaal concept allicht.

Het gaat hier om een nauwelijks opgemerkte verschuiving in het discours – maar een verschuiving die bijzonder ingrijpende effecten heeft op ons begrip van de burger. Eén van die voor de hand liggende effecten is dat ‘inburgering’ wel een heel moeilijk te vatten begrip wordt. Wanneer de ‘burger’ een economisch begip is geworden, en mechanismen van de praktische realisaties van dit burgerschap hoofdzakelijk marktmechanismen worden, hoe wordt men dan burger? Of om het wat ouderwetser te formuleren: wat is nu integratie in een samenleving waarvan het kernbegrip economisch is omschreven? Het lijkt me dat hiermee een behoorlijk complex probleem is geschetst.

Het lijkt me ook dat er vanuit een aantal politieke kampen al op geantwoord wordt, wanneer men het heeft over het ‘buitenhouden van kansarme migranten’ en het organiseren van een heel doelgerichte arbeidsmigratie waarin men economisch heel valide ‘allochtonen’ toelaat en aanmoedigt.

Een toename van de economische logica in standpunten over de wenselijke vormen van de multiculturele samenleving ligt voor de hand. Het Kabinet-Rutte in Nederland stelt bijvoorbeeld voor dat allochtonen hun inburgeringscursus zelf zouden betalen.[7] Volledig binnen de neoliberale logica die hierboven geschetst werd gaat het hier immers om een door de overheid aangeboden dienst die een zekere marktwaarde heeft, want allochtonen kunnen er (volgens de officiële opvatting) belangrijke sociale en economische kansen mee winnen. Dergelijke kansen zijn geld waard, en dus kan er geld voor gevraagd worden – temeer aangezien de overheid anders snel de verdenking op zich zou laden dat ze allochtonen bevoordeelt door ze ‘gratis’ bepaalde nuttige diensten te verschaffen. In België volgt een recente nota van de Nieuwe Vlaamse Alliantie (N-VA, de grootste Vlaamse partij na de verkiezingen van 2010) over migratie precies dezelfde logica.[8] Voor de N-VA moet de migratiekraan volledig dicht, met twee uitzonderingen. Eén: hoog gekwalificeerde buitenlandse arbeidskrachten – ingenieurs, IT-experts en dergelijke – mogen er nog in, buitenlandse top-studenten in dergelijke opleidingen eveneens; méér nog, Vlaanderen moet ze actiever gaan ‘headhunten’. Twee, een versneld en doortastender asielbeleid zal er voor zorgen dat enkel de ‘echte’ asielzoekers toegelaten worden, terwijl de afgewezen aanvragers hetzij effectief uitgezet worden, hetzij niet eens tot in het land raken aangezien N-VA pleit voor opvang- en selectiecentra aan de buitengrenzen van de EU.

De N-VA zit met z’n visie op migratie overigens volmaakt op de lijn van de EU, en vergelijkbare geluiden inzake de toekomst van migratie hoort men dus in diverse Europese hoofdsteden. Europa wil enkel nog migranten wanneer deze migranten meteen op hoog-rendabele wijze kunnen ingezet worden; migranten worden zo herleid tot productiefactoren in de Europese economie; hun bestaan en aanwezigheid worden enkel in economische termen gemotiveerd – iets wat schreeuwt om een klassiek-Marxistische analyse, want het gaat hier om een 19de eeuws fenomeen.

De Burger en de Natie-Staat

Het tweede probleem hangt nauw samen met het eerste en is vrij eenvoudig samen te vatten. De ruimte waarbinnen de klassieke liberale burger zijn/haar onvervreemdbare rechten en vrijheden genoot was de ruimte van de natie-staat. We weten over globalisatieprocessen dat ze een veelvoud aan schalen voor menselijke actie kennen, en dat het schaalniveau van de natie-staat er maar één is. Die schaalniveaus kennen elk hun eigen regels en normen, en het ligt dus voor de hand dat er steeds meer discrepanties en spanningen optreden tussen wat goed is op één schaalniveau en wat slecht is op een ander. In Vlaanderen moeten academici in het Nederlands doceren; dat is vastgelegd door de taalwetten van de Belgische staat, zoals we weten de strengste ter wereld. Diezelfde academici worden echter door hun plaatselijke academische overheid alsook door allerhande internationale ‘metende instanties’ verplicht om in het Engels te publiceren. Het gevolg is dat men er vaak in het Nederlands college volgt, maar alle lectuur in het Engels krijgt, incluis de teksten van de docent zelve. Colleges komen zo neer op het plaatsen van Nederlandstalige voetnoten bij Engelstalige teksten; de spanningen tussen de diverse schaalniveaus zorgen dus voor een hybride, meertalige praktijk.[9]

Dit probleem doet zich op allerlei fronten voor. Arbeid is doorgaans wereldwijd mobiel, maar de sociale rechten die men eraan ontleent zijn verankerd in één of meerdere afzonderlijke natie-staten. Wie zijn arbeid globaliseert door (bijvoorbeeld als academicus) een internationaal mobiele loopbaan te volgen, betaalt derhalve een prijs in wat ik in het vorige stukje als ‘burgerschap’ omschreef, en globalisering van arbeid betekent tot nader order niet de globalisering van burgerschap. Ik werk in Nederland, en de Nederlandse regering bepaalt bijgevolg de structuur van mijn arbeidsomgeving in zeer verregaande mate. Ik heb daar onmiddellijk belang bij (denken we maar aan de eventuele verhoging van de pensioenleeftijd). Maar ik mag niet stemmen in Nederland en mijn belangen worden dus niet democratisch vertaald. Evenzo: ik werk in Nederland, en de prijs die ik daarvoor betaal is het verlies van mijn Belgische sociale rechten – mijn pensioen, kindertoeslag, ziekteverzekering, belastingsvoet en noem maar op. Zowel ikzelf als mijn gezin betalen een prijs voor de mobiliteit van mijn arbeid.

De spanning tussen de globale mobiliteit van arbeid en de immobiliteit van burgerschap roept alweer kritieke vragen op. Concreet: globalisatie vereist dat men zichzelf als subject herdefinieert in de zin aangegeven in het eerste probleem, van sociaal en politiek subject naar puur economisch subject. Laat het ons nog brutaler stellen: een ‘migrant’ is steeds in de eerste plaats een economisch subject, en dat niet zozeer uit keuze dan uit noodzaak, want de migratie uit de grenzen van de eigen natie-staat houdt in dat men het sociale en politieke deel van van z’n eigen subjectiviteit achterlaat en vervangt door een economische invulling. Die problematiek is al lang bekend in middens van migratiespecialisten, en ze is uiteraard de kern zelve van de asielproblematiek. In de asielprocedure vraagt de aanvrager eenvoudig gesteld een vervanging van een verdwenen of ontnomen sociaal en politiek burgerschap door een ander. De vraag is er één naar erkenning als volwaardig burger in de klassiek-liberale zin, meer dus dan een erkenning als louter economisch subject. Wat dat laatste betreft, het feit dat de niet-erkenning als asielzoeker helemaal niet in de weg staat dat men economisch kan overleven (ook al is dat dan in de zogenaamde ‘informele economie’) bewijst wat ik zeg: men is in essentie wereldwijd mobiel als economisch subject, niet als sociaal en politiek subject.

Hier komt dan de kern van de zaak. De grenzen van de natie-staat zijn ‘harde’ grenzen, zelfs in een tijd waarin men de mond vol heeft van de afbouw van de natie-staat en van wereldwijde mobiliteit van mensen, goederen, diensten, kapitaal en ideeën. Het oversteken van grenzen houdt een transformatie in van mensen, van ‘complete’ subjecten in de oude liberale traditie tot louter economische subjecten in de neoliberale traditie. Die regel geldt zowel voor de globale reizigers als voor de globale ‘vagebonden’, zoals Zygmunt Bauman ze ooit benoemde, en in essentie is er wat dat betreft geen onderscheid tussen de CEO van een internationaal bedrijf uit Nederland en de arme sloeber uit Eritrea.

Het onderscheid tussen ‘economische’ en andere migratie begint er echter wel door te vervagen, en ook hier duikt er dus weer een vervelende vraag op. Wat bedoelt men met ‘integratie’ of ‘inburgering’ in deze context? Is iemand die als illegaal werkt in een informeel arbeidscircuit niet even ‘geïntegreerd’ als de CEO, in precies diè sociale niche waarin hij/zij volwaardig kan functioneren? Ik bedoel, wanneer men migranten in de eerste plaats ziet als economische subjecten – en dat zijn ze inderdaad – dan worden heel wat van de vragen die we ons nu omtrent integratie en inburgering stellen hetzij irrelevant, hetzij heel erg moeilijk te beantwoorden. Kan men bij ontzegging van volwaardig burgerschap aan nieuwkomers van diezelfde nieuwkomers eisen dat zij ‘inburgeren’? Inburgeren waarin?

We staan hier dus met een tweede complex probleem. De natie-staat blijft het organisatorische kader voor volwaardig burgerschap. Globalisatiekrachten zorgen echter in toenemende mate voor spanningen daarmee, voor conflicten en paradoxen. En precies die individuen die globalisatie z’n gestalte geven – de reizigers en de ‘vagebonden’ – beklemtonen dat probleem, want voor volwaardig burgerschap moeten ze zich precies de-globaliseren, zich re-nationaliseren of re-patriëren om wat ironische kromtaal te gebruiken. Dat is kennelijk de prijs van globalisatie: tenzij men z’n hele bestaan in een economische logica giet, en dus z’n sociale en politieke rechten koopt, is men niet geheel globaliseerbaar. Wie vandaag als volwaardig globaal subject wil leven heeft een stevig inkomen nodig, want hij/zij moet met dat inkomen het hele netwerk van zorgen en diensten aankopen die in een natie-staat vanuit de logica van de solidariteit verstrekt worden.

Om de zaak heel scherp te stellen: enkel wie zichzelf privatiseert en zichzelf dus als een bedrijf organiseert is globaal mobiel. Wie de natie-staat nodig heeft als verstrekkend kader is dat niet. Die piste schept en versterkt globale ongelijkheid – dat zagen we al in het vorige punt – en zo wordt globalisatie een argument voor een toenemende tendens om burgerschap louter economisch in te kleuren. Zoals we boven zagen trekt de EU deze wagen: haar visie op migratie herleidt migranten tot arbeidskrachten en dus tot productiefactoren. Elke andere overweging – van mensenrechten tot politieke, sociale en culturele argumenten – is verdwenen uit de hedendaagse EU-retoriek inzake migratie. Het kabinet-Rutte is in dat opzicht dan ook helemaal niet radicaal of opmerkelijk; het is gewoon een goeie leerling in de EU-klas.

Identiteit in gradaties

Een derde en laatste probleem is enigzins van een andere orde. Beide reeds geschetste problemen hadden te maken met de manier waarop het mensbeeld dat aan burgerschap ten gronde ligt geleidelijk aan omslaat naar een puur economisch beeld – de homo economicus. Er is echter meer aan de hand. Om dit duidelijk te maken moet ik even een ommetje maken doorheen mijn eigen vakgebied, taal.

Het is merkwaardig dat dit zo lang aan de aandacht van taalkundigen is ontsnapt, en ik deel dit dan ook met rode konen mede: we weten sinds kort dat niemand heel de taal kent. Geen enkele Nederlander beheerst en gebruikt alle taalmiddelen die tot het Nederlands behoren. We kennen en gebruiken allemaal welbepaalde stukjes taal, de ene al wat meer dan de andere, en de ene al wat beter dan de andere. Dat is de reden waarom we voor specifieke stukjes taal de hulp van een deskundige moeten inroepen en daar fors voor moeten betalen (denk aan de advocaat en de notaris als schoolvoorbeelden), en het verklaart ook waarom velen onder ons nu teksten schrijven die ze op hun achttiende zelf onmogelijk konden lezen. Het maakt ook andere dingen meer begrijpelijk: het feit dat we Duits misschien wel kunnen lezen maar niet kunnen schrijven, dat we voldoende Spaans kennen om een biertje te bestellen in Spanje, maar niet om in een kliniek het relaas van een kwaaie val te doen aan een arts, een Frans menu vlot kunnen lezen maar de gelezen woorden slechts met de meest afgrijselijke kwetsuren kunnen uitspreken.

Dit ogenschijnlijk banale inzicht heeft heel verstrekkende gevolgen voor de antropologie van identiteit. Het betekent, eenvoudig gesteld, dat niemand volledig dit-of-dat is, dat de culturele middelen op een ongelijke manier verdeeld zijn over een populatie, en dat iedere Nederlander bijvoorbeeld Nederlander is in mindere of meerdere mate. Er zijn Nederlanders die niet voor Oranje supporteren, er zijn er zelfs die voetbal verafschuwen; er zijn eveneens heel veel Nederlanders die nooit klompen hebben gedragen. Belachelijke voorbeelden uiteraard, en iets serieuzer geformuleerd komen we hierop uit: wanneer we courante beelden van identiteit plaatsen tegenover de realiteiten van identiteit, dan merken we dat er tussen beide vaak een heel brede en diepe kloof gaapt. De ‘typische’ Nederlander bestaat niet in de realiteit. Wie dat type zou zoeken in de 16,5 miljoen dikke populatie zou vooreerst al moeten beslissen of dat type een man of een vrouw is, jong of oud, arm of rijk, ruraal of stedelijk, en ga zo maar voort. Niemand is typisch – helaas![10]

Het probleem wordt nu wel heel erg duidelijk, en het sluit deels aan bij eerder geformuleerde kwesties. Wanneer er niet zoiets is als het typische culturele subject, welke richting moeten we ‘integratie’ en ‘burgerschap’ dan geven? Aangezien inburgering in de praktijk nagenoeg volledig wordt geïdentificeerd met een ‘typische’ identiteit – onze identiteit – over welke specifieke identiteit moet het dan gaan, wetende dat het in de feiten nooit om een type gaat maar steeds om een concreet patroon van eigenschappen? Heel concreet, moeten we van de allochtoon vragen dat hij/zij ‘standaard-Nederlands’ moet verwerven, of zijn we tevreden wanneer hij/zij een lokale variant verwerft – het Antwerpse, Rotterdamse of Tilburgse accent? Of nog preciezer: moeten we hem/haar het Nederlands van de werkvloer doen verwerven, of verwachten we dat hij/zij een complex gesprek over de schooluitslagen van het kind (gebracht bijvoorbeeld in een Tilburgse variant) kan begrijpen? Of het huiswerk hogere wiskunde van het kind kan begeleiden?

Al die vragen zijn relevant, ze zijn niet triviaal maar reële bottom line vragen. Aan het einde van de inburgeringsrit is men een bepaald soort burger, nooit de burger. En een effectieve inburgering moet ervoor zorgen dat dit specifieke individu dàt bepaalde soort burger wordt: iemand die concreet en in realiteit die culturele middelen adequaat heeft verworven die hem/haar in staat stellen als volwaardig burger in een reeks concrete contexten te functioneren. Doet men dat niet, dan maakt men van inburgering een maatschappelijke irrelevantie, zijn inburgeringstrajecten hoegenaamd niet efficiënt (de kans bestaat dat wanneer men vond dat een allochtoon ‘slecht Nederlands’ sprak voor de inburgering, men dat na de inburgering nog steeds zal vinden), en wordt het binnen de kortste keren simpelweg een vorm van discriminatie. Harde woorden, ja zeker, maar men mag aan inburgeringsprogramma’s redelijkerwijze dezelfde kwaliteitseisen stellen als aan universitaire programma’s.

Noteer dat deze ‘reeks concrete contexten’ uiteraard niet hoeven samen te vallen met datgene wat we gemakshalve kunnen omschrijven als de levensstijl van de autochtone middenklasse, ook al is dit in inburgerings-discours de meest gebruikte associatie: inburgeren, dat is worden zoals wij, de autochtone middenklasse. De concrete contexten kunnen even goed segmenten van de samenleving inhouden die volkomen buiten die autochtone middenklasse-wereld staan. De grijze arbeidscircuits bijvoorbeeld – een definiërend kenmerk van de hedendaagse globaliseringsprocessen – zijn net zo goed een context waarin men hetzij uit eigen keuze hetzij uit noodzaak moet kunnen ‘integreren’. De Sikh-arbeider uit India die ieder jaar de fruitpluk in Sint-Truiden meemaakt (vaak aan een abominabel loon en onder onrustwekkende arbeidsvoorwaarden) heeft andere noden en trajecten van ‘inburgering’ of ‘integratie’ dan de door Philips in China gerecruteerde, goed betaalde ingenieur die jaren lang in Eindhoven woont. De Poolse bouwvakker die van maandag tot vrijdag in West-Europa werkt heeft er andere dan de Amerikaanse jurist van een Wall Street firma die voor lobbywerk bij de EU-hoofdwartieren te Brussel gestationeerd is. Het schijnbaar banale gegeven waarmee ik hier begon leidt dan ook tot fundamentele vragen over de diversificatie van noties van inburgering– een noodzakelijke diversificatie indien dergelijke noties nog enige relevantie willen behouden. Deze vragen zijn onvermijdelijk, ook al liggen ze ongemakkelijk in de dominante politieke circuits.

3. Besluit

Wanneer we de drie bovenvermelde problemen bij mekaar nemen, dan denk ik dat we aan een grondige herdenking toe zijn van begrippen zoals ‘integratie’ en ‘inburgering’ – begrippen die trajecten beschrijven waarin iemand wordt omgevormd van één soort subject tot een ander. De veranderende structuur van de samenleving zorgt er voor dat deze begrippen niet enkel meer van toepassing zijn op hun klassieke doelgroep, de allochtonen. Ze zijn van toepassing op de hele samenleving. Een anti-crisis beleid dat sterk gaat snoeien in de welvaartstaat roept allerhande vragen inzake integratie op: sociale, economische en culturele integratie, en integratie als probleem voor de hele samenleving. Hoe blijf ik ‘geïntegreerd’ als pensioengerechtigde? Als ongehuwde moeder? Als langdurig werkloze? Als chronisch zieke? Wie deze vragen kritisch onderzoekt zal merken dat ze precies dezelfde vooronderstellingen oproepen als meer ‘ingeburgerde’ vragen die we over allochtonen stellen. Het begrip ‘burger’ is centraal in ieder maatschappijmodel, het is er steeds de antropologische dimensie van, en het moet dan ook steeds zorgvuldig geanalyseerd worden. Dit geldt steeds, en vanzelfsprekend a fortiori wanneer het samenlevingsmodel evolueert en zelfs diepgaand verandert, zoals nu.

Indien we die analyse niet maken dan lopen we allerhande risico’s. Eén risico is dat onze maatschappelijke structuren evolueren in de omgekeerde richting van hoe mensen zichzelf in die structuren definiëren. Concreet, dat we de wereld (uit noodzaak – hier is de economische logica) in neoliberale zin hervormen, terwijl de mensen zichzelf nog steeds zien als burger in een nationale welvaartstaat en hun noden en behoeften in die richting omschrijven. Dit is nu reeds het geval in één heel duidelijk domein, migratie, en extreem-rechtse partijen in heel Europa spelen daar al jaren op in. De slogans zijn bekend: “ze nemen onze banen af”, “ze profiteren van onze sociale zekerheid”, “300.000 werklozen, waarom nog immigranten?” In dergelijke slogans ziet men de spanning tussen de schaal van globalisatie en die van de natie-staat; men ziet ook de homo economicus z’n rekeningen maken; en men ziet hoe een nieuw wereldwijd patroon van mobiliteit botst met oudere ideeën over de structuur van de samenleving, en hoe die botsing een diepe impact heeft op het politieke proces. We hebben dus heel veel te verliezen wanneer we die analyse vermijden.

Jan Blommaert is Hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisatie aan de Universiteit van Tilburg, en Directeur van Babylon, Center for the Study of the Multicultural Society aan dezelfde universiteit. Hij is de auteur van o.a. Discourse: A Critical Introduction (Cambridge U.P. 2005) en The Sociolinguistics of Globalization (Cambridge U.P. 2010).


[1] Dit is de tekst van een lezing gehouden voor de UvT Sociëteit, Den Haag, in juli 2010. Ik dank Ernst Hirsch Ballin, Sylvester Eyffinger en Guus Extra voor kritische commentaren tijdens deze lezing. Het denkwerk voor dit artikel werd gestimuleerd door de werkzaamheden van de TRAPS onderzoeksgroep (Transformations in the Public Sphere) van de Universiteit van Tilburg. De input van Odile Heynders, Piia Varis en Pika Colpaert was met name uiterst belangrijk.

[2] Een probleem bij de tweede-generatie jongeren uit de vroegere migratiestroom bestond erin dat zij omwille van hun isolement in de diaspora, geen deel hadden aan de ontwikkeling van ‘cool’ taalgebruik bij hun leeftijdgenoten in het land van herkomst. Bij terugkeer in dat land werden zij dan ook vaak het mikpunt van spot vanwege hun leeftijdgenoten omwille van hun ouderwets en achterhaald taalgebruik.

[3] Zie Steven Vertovec, 2007. Super-diversity and its implications. Ethnic and Racial Studies 30/6: 1024-1054 en 2010. Towards post-multiculturalism? Changing communities, contexts and conditions of diversity. International Social Science Journal 199: 83-95.

[4] Zie bijvoorbeeld Arjun Appadurai, The Fear of Small Numbers, Durham: Duke University Press 2006.

[5] Een goed overzicht hiervan is te vinden in Robert Skidelsky, Keynes: The Return of the Master, London: Penguin 2010. Deze vragen staan in algemene zin ook centraal in Amartya Sen, The Idea of Justice, London: Allen Lane 2009.

[6] Ik volg hier een aanbeveling die Eric Hobsbawm doorheen het geheel van zijn oeuvre steeds is blijven herhalen. Zie voor inzichtrijke recente herformuleringen hiervan zijn How To Change The World, London: Little, Brown, 2011. Het is nuttig even mee te geven dat ik me in deze beschouwingen niet laat leiden door juridische of wijsgerige analyses van deze begrippen, al zijn die er ten overvloede. Mijn analyse is een discours-analyse die uitgaat van expliciete en impliciete verschijningsvormen van begrippen en argumenten. Ze is m.a.w. empirisch en niet speculatief. Mijn theoretische en methodologische positie is samengevat in Jan Blommaert, Discourse: A Critical Introduction, Cambridge University Press 2005.

[8] Migratie, een Uitdaging: de Totaalvisie van de N-VA. Brussel: N-VA 2011.

[9] Zie voor illustraties hiervan Jan Blommaert, The Sociolinguistics of Globalization, Cambridge: Cambridge University Press 2010.

[10] Prinses Maxima had dus gelijk toen ze in september 2007 meedeelde dat ze ‘de’ Nederlandse identiteit nog niet had gevonden; de storm van protest die daarop volgde toonde echter aan dat een dergelijk standpunt merkwaardig genoeg politiek onbespreekbaar is in het Nederland van nu. Vergelijkbare krampen van etnisch, nationaal en cultureel essentialisme zijn vanzelfsprekend schering en inslag in Vlaanderen.

by-nc

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s