Het verraad van de klerken

Deze tekst dateert uit 2007 en belandde als hoofdstuk in “De Crisis van de Democratie” (EPO 2008). Het thema is de rol van de intellectueel, en het stuk vangt aan met een klaagzang over het feit dat men in dit land telkens weer hetzelfde debat moet voeren. Ook nu – december 2012 – is het weer van dat. De Gravensteelgroep, bij monde van nieuwkomer Absillis en oudkomer Abicht, trekt in De Morgen weer ten strijde tegen de wereldvreemde linkse intellectuele elite. Dat is nodig, want de grote frustratie van de N-VA – broodheer van de Gravensteengroep – is het gebrek aan succes voor de “subjectieve natie” die Vlaanderen zou moeten worden. Als die dwaze linkse intellectuelen nu maar eens zouden meedoen! Dan zou het probleem al half opgelost zijn, zo denkt men (zie “het lijden van de Leider” op deze site). In het licht van dat soort cyclisch terugkerende nonsens is dit oude tekstje misschien nuttig en niet gedateerd als argument.

foucault1

In The Age of Empire beschrijft de historicus Eric Hobsbawm hoe de Europese democratiseringsgolf van de late 19de eeuw aanleiding gaf tot de moderne politieke wetenschappen – Weber, Durkheim, Sorel – en tot de politieke cartoon en de onderzoeksjournalistiek. De reden was dat de democratisering van de macht een transformatie inhield van de façade van de macht. Geen enkel politicus, omsingeld door reporters, zou nog z’n gedacht durven zeggen wanneer dat negatief kon uitgelegd worden. Politiek werd publiek, en de publieke façade ervan werd retoriek, terwijl de echte discussies nu in achterkamertjes moesten gevoerd worden. Enkel daar kon men zeggen dat de mensen idioten waren, dat de belangen van enkelen opwogen tegen die van velen, of dat de kiezer zich vergist had. Academici en journalisten namen het tot taak die dualiteit te onderzoeken: een speurtocht naar het ware gelaat van de macht achter de gepolijste en gestileerde uitspraken, slogans en beelden. De publieke politicus ging vanaf nu hand aan hand met de publieke intellectueel, en beide waren een effect van de democratie.[1]

Men moet in dit land telkens weer dezelfde discussies voeren, en dat maakt een mens moedeloos. Eén van die discussies is die over de rol van de intellectueel in onze samenleving. Toen Stevaert de publieke façade van onze politiek uitmaakte werden de intellectuelen verrot gescholden omdat ze intellectueel waren: de gewone man was de échte intellectueel, en zijn stem was die van de wijsheid. Stevaert wist dit met zekerheid, want hij sprak (zoals Filip Dewinter, Bart Somers en vele anderen) in naam van die gewone man. Stevaerts standpunt genoot bijval in de media vanwege (de ironie kent geen grenzen) ras-intellectuelen zoals Filip Rogiers, Yves Desmet en Siegfried Bracke. Nu, enkele jaren later, bindt Karel De Gucht de kat de bel weer aan in zijn boekje Pluche.[2] Hij heeft het daarin over de afwezigheid van de publieke intellectueel in Vlaanderen. Die is niet het gevolg van een gebrek aan intellectuelen (we leveren er per capita meer af dan wie ook in de wereld) maar van het ‘verraad der klerken’: getalenteerde intellectuelen laten zich verleiden tot cooptatie door de macht. Ze sluiten zich aan bij een partij, of ze vallen voor de lokroep van de media.

Dit is het ontmoedigende karakter van deze en vele andere discussies hier te lande: ze verlopen in een cyclus waarin tegenstellingen domineren. Na gedurende jaren onder de zoden te zijn gestopt door de Stevaert-populisten, worden intellectuelen nu verweten dat ze onvoldoende aanwezig zijn op het publieke forum. Let wel: dit publieke forum is iets heel specifieks volgens De Gucht (die, terzijde, zelf professor is, net als een aantal andere Belgische politieke coryfeeën). Een intellectueel wordt blijkbaar minder publiek wanneer hij of zij toetreedt tot een partij of een ‘gekleurde’ sociale beweging; een écht intellectueel is iemand die als een arend boven de partijen en belangengroepen zweeft en pikt waar het moet, ongeacht kleur of voorkeur van het slachtoffer. Hendrik De Man was dus geen intellectueel, Anthony Giddens evenmin, en Eric Hobsbawms levenslang lidmaatschap van de Communistische Partij disqualificeert hem uiteraard als intellectueel. De categorie van intellectuelen dreigt zo vanzelfsprekend een uiterst klein kringetje te worden. Ik meen dat ik erbij hoor, en neem De Guchts handschoen op, net zoals ik dat in het verleden heb gedaan met Stevaert, Desmet en anderen.[3] Buiten een ere-lidmaatschap mij toegekend door het ABVV draag ik immers geen enkele lidkaart op zak; ik ben gewoon wie ik ben en spreek in niemands naam. Dat maakt me volgens De Guchts definitie tot intellectueel, en dus moet ik in naam van dat collectief spreken. Ik zal echter over mezelf spreken: dat is mijn enig zekere achterban.

De geneugten van het publieke debat

Er valt als intellectueel weinig pret te beleven in het publieke debat chez nous. Ik zeg dat als iemand die zelf zeven Nederlandstalige boeken heeft gemaakt bestemd voor een ruim Vlaams publiek, de Arkprijs voor het Vrije Woord heeft ontvangen, talloze artikels in Vlaamse publicaties, opiniestukken en columns heeft geschreven en zeer geregeld voor radio en televisie verscheen. Ik heb dit altijd gecombineerd met een vrij robuuste academische loopbaan waarvan de activiteiten zich over de hele wereld hebben uitgestrekt. Ik heb dit altijd gedaan omdat ik het publieke debat belangrijk vond, en omdat ik van oordeel was dat de professionele, gesalarieerde intellectueel daarin een verantwoordelijkheid had. De intellectueel is immers in mijn ogen de producent van ideeën, de vragensteller, de spreekbuis voor zij die geen stem hebben, en degene die vanuit de eigen achtergrond en beroepservaring een ruimere en diepere kijk op de samenleving ontwikkelt. Daarmee is mijn eigen deontologie geschetst, en het is een deontologie die ik consistent heb aangehouden doorheen mijn leven als publiek intellectueel.[4]

Dat publieke karakter is trouwens intrinsiek aan de intellectueel, en het verdient de nodige toelichting, vertrekkend van een noodzakelijke correctie. Het is een algemeen verspreide misvatting de publieke ruimte te reduceren tot de ruimte van de media. Ik ben er altijd van uit gegaan dat ik als universitair lesgever mijn eigen massamedium ben. Indien ik gedurende 30 jaar ieder jaar 100 studenten opleid, dan heb ik met deze enkele duizenden mensen langer, meer en grondiger gecommuniceerd dan ik ooit zou kunnen via de andere media. Stel dat ik die 100 studenten elke week 2 uur les geef, dan hebben die mensen met mij gedurende 60 uur intensief gecommuniceerd. In een vierjarige opleiding is dat 240 uur. Geen enkel ander massamedium kan mij die luxe geven; ze kunnen me een groter aantal toehoorders bieden, maar ik ga liever voor 60 uur grondige, genuanceerde en gedetailleerde uiteenzetting en discussie dan voor 5 minuten oppervlakkig geneuzel. Want van die 100 studenten zullen er later 20 op hun beurt jaarlijks vele uren spreken voor groepen toehoorders, en als daar ook maar één idee van mij in herbruikt wordt dan bereikt die idee meteen een massa volk. Wanneer ik een boek publiceer, dan kan dat boek gedurende jaren herbruikt worden door opeenvolgende groepen mensen. Zij zullen het telkens gebruiken met een grondigheid en ernst die de kranten- of magazinelezer zich niet veroorlooft. Ik ben mijn eigen massamedium, en ik werk (Socrates indachtig) liever in de diepte dan in de breedte.

Hoe bescheiden de massa ook is, het medium is bepaald krachtig. De andere massamedia moeten het stellen met een zeer oppervlakkige impact op een grotere massa. Mij ligt dat niet, en ik zou niet graag redacteur op een krant zijn, wetende hoe slordig de vele lezers met mijn woorden omspringen. Who wants yesterday’s paper? De woorden van het ‘nieuws’ blijven per definitie slechts relevant zolang het ‘nieuws’ is; daarna belanden ze in de vergaarbak van het verleden. Ik daarentegen ben niet gehinderd door dat soort beperkingen: ik moet het nieuws niet maken en het evenmin achterna hollen; ik moet me niet bezig houden met de opportuniteit van mijn standpunt, maar met de kwaliteit ervan. Ik word hoegenaamd geen betere prof door op televisie te komen, en op televisie komen betekent hoegenaamd niet dat ik een goede prof ben.

Ik heb als intellectueel dus de massamedia niet nodig, en ik kan ze enkel nuttig gebruiken indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Eén, ik moet kunnen spreken als intellectueel en niet als entertainment-figuur of geleerde clown. Twee, ik moet voldoende aanwijzingen hebben dat wat ik daar doe even veel impact kan hebben als wat ik in de collegezaal doe. Werken in of met de media moet, met andere woorden, de verloren tijd waard zijn. Drie, ik moet kunnen vertrouwen op het professionalisme en de integriteit van het massamedium waarin ik optreed. De slimme lezer heeft het al door: alle drie deze voorwaarden zijn natuurlijk zeer problematisch in het hedendaagse media-landschap. Dat is de reden waarom ik zei dat er weinig pret te beleven is in het publieke debat – het gemediatiseerde publieke debat om precies te zijn – en dat is de reden waarom ik bijzonder selectief en beperkend omspring met de massamedia.

Eén: de intellectueel is in de hedendaagse media-cultuur een format van entertainment en kan nog enkel als zodanig optreden. Men speelt intellectueel, zoals Johnny Voners Xavier Waterslagers speelt. Het was zielig Rik Torfs in De Slimste Belg aan het werk te zien als een wisecracks mitraillerende tooghanger-met-professorentitel. Het is zijn volste recht natuurlijk om zichzelf zoiets aan te doen; het is hem echter allicht ontgaan dat hij daar getypecast zit als grappige, slimme en vlotte academicus – dus niet enkel als Rik Torfs maar als een professoren-typetje. Zijn optreden heeft gevolgen voor al zijn collega’s, en ik hou niet van die gevolgen want ze geven ons een absurde en kleverige media-identiteit. Ik ben zelf in het verleden herhaaldelijk gevraagd voor een optreden in Nachtwacht. Men zou mij daar even een standpunt laten vertolken, dan iemand binnenroepen die diametraal het tegenovergestelde vertelt, en tenslotte een wijsgeer op ons loslaten die zou zeggen dat we allebei een beetje gelijk en ongelijk hadden. Ik heb daar telkens vriendelijk voor bedankt met het argument dat dit fomat een travestie inhoudt van het maatschappelijke debat en daarenboven niet informeert over het thema. Het debat in Nachtwacht en De Zevende Dag gaat gewoon over het debat, over het feit dat er voor elk thema in de samenleving voor- en tegenstanders zijn en mensen die een middenweg zoeken. Dat dit natuurlijk niet wegneemt dat één van de partijen gelijk kan hebben en de andere ongelijk – dat standpunten met andere woorden in de regel kwalitatief niet evenwaardig zijn – gaat verloren in het gebonk van de vuisten op tafel. De professionele intellectueel wordt zo gereduceerd tot producent van polariserend lawaai, niet van kennis, analyse, kritiek of creatieve idee.

Twee: ik heb door ervaring geleerd dat men zich van media-optredens nauwelijks iets substantieels herinnert. Men herinnert zich vaag wat passages (“dat van die moslims, daar was ik niet mee akkoord”), en in meer detail de manier waarop men ‘overkwam’ (“ge waart nogal geërgerd”) en de ‘pragmatische’ component van het gebeuren (“ge hebt het hem toch eens goed gezegd”). Dit geldt eveneens voor opiniestukken of columns: zelden ziet men in een krant verwijzingen naar opiniestukken die enkele jaren terug zijn gepubliceerd, ook al zegden die vroegere stukken net het zelfde of zou lectuur van die vroegere stukken verhelderend kunnen werken op de huidige standpuntbepaling. De inhoud van een opiniestuk blijft in de regel nauwelijks hangen, en de tekst ervan verdwijnt samen met de rest van de krant spoedig in de papiermand, de kattenbak of de open haard. Als kennis-investering is het opiniestuk de moeite niet waard; de vele uren schrijfwerk die men eraan doet zijn verloren tijd. Ik heb mezelf gemanifesteerd als ‘publiek intellectueel’ (d.i. als gemediatiseerd intellectueel), en dat is alles. Ik heb in de regel niemand van gedachten doen veranderen, niemand op het spoor gezet van een nieuwe denkpiste, niemand argumentatieve diepgang verschaft, niemand een methodologie aangereikt om zelf kritiek te ontwikkelen. De ruimte die de media mij daarvoor bieden is veel te klein, te smal en te beperkt.

Drie, op het professionalisme en integriteit van de media kan men geen kerk bouwen. Die analyse is al veel eerder gedaan en moet hier niet herdaan worden.[5] Er is een verregaande de-professionalisering van de journalistiek aan de gang, die zich uit in een steeds oppervlakkiger en uniformer berichtgeving over een steeds nauwer wordend aantal steeds kleiner wordende thema’s. Van journalistieke specialisatie is nog nauwelijks sprake, en de echte redactiechefs zijn niet langer journalisten maar managers en marketingmensen. De arbeidsomstandigheden in de media zijn erbarmelijk, en dat heeft uiteraard effecten op de kwaliteit van het geleverde werk. Ik ben herhaaldelijk door journalisten gecontacteerd voor een interview over een boek van mijn hand, dat ze echter niet gelezen hadden wegens tijdsgebrek. Ik heb zulke interviews steeds afgewezen, omdat ik de asymmetrie in dit soort relatie onaanvaardbaar vind: van mij wordt op ieder ogenblik een doorwrocht, deskundig en goed geformuleerd standpunt verwacht door journalisten die zelf nog niet de eerste beginselen van de materie onder de knie hebben en voor wie het niets uitmaakt of ze iets schrijven over racisme of over een voetbalwedstrijd in tweede provinciale.

Dit is een brutaal feit: wanneer ik een interview aan een krant geef, dan vul ik de krantenpagina’s en bepaal de kwaliteit ervan, niet de journalist. Ik ben dan de werkelijke auteur van het stuk, en de journalist is slechts – met een zeer wisselende mate van bekwaamheid – de penvoerder ervan. Indien ik dan echter mijn eigen woorden (of wat de journalist ervan heeft gemaakt) wil nalezen, dan moet ik de volgende dag zoals eenieder een krant gaan kopen, om zo de winsten van Christian Van Thillo en het salaris van de journalist te helpen verzekeren. Idem met een televisie-opname: ik moet me ettelijke uren vrijmaken, een tocht naar Brussel of Vilvoorde ondernemen, me ter plaatse gedurende uren vervelen en achteraf vele weken wachten op de terugbetaling van mijn treinticket. De zendtijd die ik vul wordt vermarkt aan de adverteerders, en hoe beter ik het doe op het scherm hoe winstgevender die zendtijd wordt – niet voor mij maar voor de directie en/of aandeelhouders.

Hier is de slotsom van dit kwartiertje grumpy old man. Tenzij er ruimte is in de media voor een intellectuele stem die kan spreken als intellectueel, niet als typetje, zijn de media geen intellectuele ruimte. Wie dan publiek intellectueel wil zijn, moet op zoek naar andere ‘publieken’, want dat van de massamedia is niet dat van de intellectueel. Men zal dit allicht afdoen als een elitair standpunt, en men doet maar wat. Het is in wezen een democratisch standpunt. Wat we de laatste decennia hebben gemerkt is dat de publieke ruimte die de media bezet houden effectief een anti-intellectuele ruimte is, waarin intellectuelen niets te zoeken hebben tenzij ze zich aanpassen aan dat ene, uiterst beperkte type ‘massa’ dat de media zelf volkomen in tegenstrijd met de werkelijkheid voorstellen als de democratische massa: een uniforme en dus naar onder geniveleerde comsumenten-gemeenschap.[6] Een democratische ruimte is een gelaagde en niet-uniforme ruimte, want ze is noodzakelijk heterogeen en ongelijk. De huidige media bieden en volledig vertekend beeld van de samenleving en van democratie, en we betalen daar met zijn allen de prijs van. Een deel van die prijs is de effectieve uitsluiting van intellectuelen als partners in het gemediatiseerde publieke debat – datgene wat De Gucht ‘het verraad der klerken’ noemt. ‘Klerken’ kunnen in die frase zowel onderwerp als lijdend voorwerp zijn: zowel de klerk die verraadt als de verraden klerk.

De gecoopteerde intellectueel

De Gucht trekt zoals al eerder aangegeven van leer tegen de gecoopteerde intellectuelen, tegen mensen die zich aansluiten bij politieke partijen of bewegingen. Voor hem tast dit hun geloofwaardigheid aan. Dat is zeer merkwaardig natuurlijk, want, zoals Furedi zegt, “intellectueel zijn impliceert maatschappelijk engagement (…) Dit brengt niet alleen met zich mee dat je je aan creatieve geestelijke bezigheden wijdt, maar ook dat je ervan uitgaat dat je een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebt en politiek stelling moet nemen”.[7] Er is dan ook een organieke en aloude, zij het niet altijd eenvoudige en nooit onproblematische band tussen de intelligentsia en de politiek, en indrukwekkend intellectueel werk zal zich dan ook door zijn grensverleggend karakter vaak in de politieke avant-garde of oppositie bevinden (hetgeen verklaart waarom Voltaire aan de grens van Frankrijk ging leven). Intellectuele prestaties zijn altijd op de ene of andere manier politieke prestaties.[8]

Men kan dan ook moeilijk gekant zijn tegen het feit dat onze politieke partijen en bewegingen intellectuelen aantrekken. Het zou een zegen moeten zijn, want zoiets zou de kwaliteit van de standpunten en dossiers van de partij ten goede moeten komen. Dat is het ook lang geweest – de studiediensten van de politieke partijen waren historisch intellectuele broedplaatsen, en het is vaak de prikkel van concrete politieke doelstellingen en/of concreet werk aan de basis die het beste uit de intellectuelen naar boven haalt. Raymond Williams ontwikkelde veel van zijn vernieuwende ideeën over kunst en literatuur als lesgever in volwassenen-onderwijs in de arbeidersbeweging; Foucault, zoals Sartre, combineerde de constuctie van zijn indrukwekkend oeuvre steeds met politiek activisme; John Kenneth Galbraith was een tijdlang Amerikaans ambassadeur in India en ontwikkelde daar zijn theorie over armoede. Galbraith was ook raadgever van verscheidene Amerikaanse regeringen, zoals Giddens de theoretische guru was voor Blair. Williams, E.P. Thompson, Hobsbawm waren allemaal lid of sympathisant van de Britse Communistische partij, Althusser van de Franse. Als we de ruimte wat uitbreiden en ook schrijvers of kunstenaars bekijken, zien we het zelfde: Neruda was ambassadeur en later minister onder Allende; Picasso en Aragon waren zoals zovele andere avant-garde kunstenaars overtuigde communisten. In eigen land waren Maeterlinck, Verhaeren en Khnopff allemaal lid van de Belgische Werkliedenpartij, en Horta bouwde het Volkshuis.

Politiek engagement kan dus een echte intellectuele prikkel zijn en op die manier zowel het intellectuele als het politieke leven kwalitatief verbeteren. In samenlevingen zoals de onze is dat politiek engagement bovendien vrijwillig en is de cooptatie dus niet een verplichting van bovenaf.[9] Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de intellectuele standpunten van mensen zoals Williams, Hobsbawm, Galbraith of Giddens niet langer ‘autonoom’ zouden zijn omdat zij aanleunden bij een sociale of politieke beweging of instelling. Men kan Hobsbawm rustig en zeer nuttig lezen zonder communist te zijn (en men zal het ook niet automatisch worden door hem te lezen), als intellectuele prestatie staat het werk als een huis, het heeft invloed en het blijft hangen. Dat kan niet gezegd worden van de politieke invloed: de wereld zou beter zijn indien men wat meer naar mensen als Galbraith geluisterd had, en het werk van Williams en Hobsbawm heeft de ineenstorting van de Sovjet-Unie niet kunnen verhinderen. De relatie tussen intellectuelen en politiek weegt vaak door in het voordeel van het intellectuele, niet in dat van de politiek, en de reden daarvoor is precies de grote autonomie van de intellectueel, zelfs wanneer hij of zij verbonden is aan een partij of beweging.

Maar er zijn twee bewegingen aan de gang, één van meer fundamentele aard dan de andere. Laat ons beginnen met de minder fundamentele beweging. Het standpunt dat De Gucht hanteert is op dit ogenblik gemeengoed: lidmaatschap van een politieke partij (of beter: electorale belangstelling vanwege een partij) staat gelijk aan ongeloofwaardigheid als intellectueel. Als je ‘in de politiek gaat’ hou je op te bestaan als intellectueel. Je spreekt dan niet meer als intellectueel, maar als grosse légume van de SPA, VLD, noem maar op. Dit draagt op jammerlijke wijze bij tot dat doembeeld van de hedendaagse politiek: dat van een kaste van zakkenvullers en leugenaars. Wanneer een intellectueel effectief ophoudt intellectueel te zijn wanneer hij of zij toetreedt tot een partij of een politiek mandaat verkrijgt, dan is er iets grondig fouts aan de politiek. Die suggestie doet geen deugd.

De andere beweging sluit daarop aan en is meer fundamenteel. Er is inderdaad iets aan de hand met de politiek. Het publieke gelaat van ons politiek bestel is kordaat anti-intellectueel en populistisch, gericht op entertainment en met niet de geringste belangstelling voor les grandes idées. Wat telt is een miniaturisering van politieke besluitvorming – hou je bezig met minuscule zaken en stel ze voor als revoluties – binnen een permanente kiescampagne die mee door de media wordt volgehouden.[10] Politiek en intellectueel talent wordt zo opgezogen in een systeem dat nauwelijks nog fundamentele kritische reflectie toelaat, speculatieve en utopische reflectie helemaal ontmoedigt, en bovendien nog een idioot volks simplisme voorstelt als democratisch spreekregime. Hou het vooral simpel – dat wil zeggen, zeg niets wat complex en moeilijk is – dat wil zeggen: zwijg over de belangrijke zaken. Wie de kiescampagnes van juni 2007 bekijkt slaat de handen voor de ogen: het is een paradoxale combinatie van ‘nieuwe grote talenten’ met volstrekt onbenullige agendapunten. De lijsten staan krom van het intellectueel potentieel van de kandidaten, maar dat potentieel wordt losgelaten op een boodschappenlijstje.[11] Mensen die best in staat zijn de samenleving in de diepte te veranderen en te verbeteren zullen aan het werk gezet worden op trivialiteiten. Het politieke en intellectuele talent dat wordt binnengezogen in de partijen, parlementen en kabinetten wordt erin verkwanseld.

De Gucht heeft dus jammer genoeg deels gelijk in zijn klacht over de gecoopteerde intellectuelen: zij verliezen niet zozeer hun autonomie dan wel hun slagkracht, hun potentieel om als intellectueel aan politiek te doen, want de politiek is niet in de intellectueel geïnteresseerd. De Guchts oprisping toont dit aan: wanneer de intellectueel zich in de politiek begeeft dan houdt hij of zij op te bestaan als intellectueel. Dat is het dan – je kan en mag geen intellectueel zijn in de huidige politieke mechanica.

De ruimte voor de intellectueel

Dus waar staat die intellectueel nu? In de media is er nog nauwelijks plaats voor een intellectuele stem, en de politiek transformeert hem of haar meteen van intellectueel in partijgebonden politicus. Het democratische patroon dat in de late 19de eeuw ontstond, met de wisselwerking tussen politiek, intelligentsia en media, lijkt geheel verstoord. De kern van het probleem is de uniformisering en vernauwing van de publieke ruimte, op zijn beurt een effect van de transformatie van de media-industrieën wereldwijd. Door die transformatie zijn de grote media opgehouden te functioneren als middenveld-actor en zijn ze deel geworden van een ordinair economisch complex. Hun belangen zijn dus niet meer politiek, maatschappelijk of ideologisch, maar puur economisch. Hun kolossale dominantie van de publieke ruimte schakelt allerhande vertogen en actoren uit – intellectuelen op kop – en schept bovendien een vals beeld van de samenleving als een uniform complex van consumenten.

Die dominantie is kolossaal maar niet absoluut. En het zou een grote vergissing zijn dit door de media geconstrueerde en gerepresenteerde beeld van de publieke ruimte te aanvaarden als een realistische beschrijving van die ruimte. Men moet beseffen dat de publieke ruimte vol met niches zit, de één al groter dan de ander, en dat precies dit ge-niche-te karakter ervan de structuur van de samenleving weerspiegelt. Men moet tevens beseffen dat werken in en voor dergelijke niches, eerder dan werken voor het uniforme consumentengenootschap van de massamedia, een wezenlijke democratische activiteit is. Het is niet zo dat men ‘voor niemand’ werkt als men niet ‘voor iedereen’ werkt; het is evenmin zo dat men ‘elitair’ is wanneer men populisme verwerpt en weigert erin mee te draaien. Dat soort zwart-wit polariseringen behoren tot het rijk der kindertaal.

De intellectueel kan dus best publiek zijn zonder dat het zogeheten grote publiek daar weet van heeft. Men kan publiek zijn in de job, in de contacten die men daardoor heeft en in de publieke gelegeheden die daardoor geschapen worden. Men kan publiek zijn in de ‘kleine’ media, de gespecialiseerde magazines en tijdschriften, de alternatieve internet-media zoals Indymedia of Kif-Kif, het lezingencircuit en dat van de werkgroepen en nieuwe sociale bewegingen. Men kan publiek zijn in de eigen buurt, het oudercomité van de plaatselijke school, actiecomités tegen de aanleg van een snelweg, enzovoort. Er zijn honderden manieren om publiek intellectueel te zijn; zich publiek tonen in de masamedia is er maar één van.

De Gucht beklaagt zich over de afwezigheid van de publieke intellectuelen in onze samenleving. Wanneer men de ruimere blik hanteert die ik hier schets, dan denk ik dat het al bij al nogal meevalt. Er zijn heel wat intellectuelen die publiek zijn in die zin, en van een verraad van de klerken kan moeilijk sprake zijn. Wanneer men echter van intellectuelen verwacht dat zij de criteria van de massamedia volgen, en dus steeds harder moeten knokken om door een steeds nauwere toegang tot de media te raken, dan stelt men onredelijke eisen. En niet enkel dat: men vergist zich bovendien in de rol van intellectuelen en in de werkelijke aard van de media en het politieke bedrijf. Beide zijn in hun huidige toestand niet meteen democratisch toegankelijke fora voor intellectuelen, want in beide wordt de intellectueel ontdaan van zijn/haar fundamentele identiteit en wordt hem/haar een heel andere opgeplakt. In het eerste wordt de intellectueel een object van geleerd vermaak, in het tweede wordt hij/zij een politicus – een categorie die blijkbaar per definitie die van intellectueel uitsluit. De typische producten van de intellectueel – de idee, de kritiek, de grondige analyse en reflectie – zijn in geen van beide welkom. Men kan enkel publieke intellectuelen hebben wanneer en waar zij als zodanig erkend worden, gerespecteerd worden, en publiek mogen zijn zonder dat ze er hun intellectuele jas voor moeten uittrekken. Die condities kunnen ze niet zelf scheppen, daar is een hele samenleving voor nodig.


[1] Eric Hobsbawm, The Age of Empire, 1875-1914. London: Abacus 1994, hoofdstuk 4.

[2] Karel De Gucht, Pluche, over de banalisering van extreemrechts. Antwerpen: Houtekiet, 2007.

[3] Zie Jan Blommaert, Ik Stel Vast : Politiek Taalgebruik, Politieke Vernieuwing en Verrechtsing, Berchem: EPO, 2001; Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof en Dieter Lesage, Populisme, berchem: EPO, 2004.

[4] Wie een meer gezaghebbende maar gelijklopende visie wil lezen kan zich wenden tot Frank Furedi, Waar zijn de Intellectuelen? Amsterdam: Meulenhoff, 2004.

[5] Zie Blommaert et al. Populisme, hoofdstukken 1, 4 en 5.

[6] Ik zeg hier niets nieuws ; men leze Raymond Williams, Television, London: Fontana 1974; Pierre Bourdieu, Over Televisie, Amsterdam: Boom, 1998; en het eerder geciteerde Waar zijn de Intellectuelen? van Frank Furedi. Noteer dat toen we een vergelijkbare analyse maakten in Populisme, we de media over ons heen kregen onder aanvoering van de caïds Walter Pauli en Filip Rogiers. Het geloof onder mediamensen dat er met onze media niets aan de hand is doet sterk denken aan het orkest van de Titanic.

[7] Furedi, op. cit. p. 48. Zie ook Mark Lilla, The Reckless Mind: Intellectuals in Politics, New York: New York Review Books, 2001.

[8] Men kan meteen ook opmerken dat dit sinds de 19de eeuw ook vaak betekent dat de intellectueel zich overwegend aan de linkerzijde van het politieke spectrum bevindt, om dezelfde reden: het grensverleggende en dus vaak norm-doorbrekende karakter van het intellectuele werk, dat in een burgerlijke samenleving vaak als anti-burgerlijk en dus links wordt aangevinkt.

[9] Daar waar dat wel het geval was liggen de problemen voor de hand. Zie Greta Jones, Science, Politics and the Cold War, London: Routledge, 1988; Alan Beyerchen, Wetenschap in Nazi-Duitsland, Utrecht: Het Spectrum, 1982. Een verhelderende studie die de vele paradoxen van zo’n situatie schetst is Solomon Volkov, Sjostakovitsj en Stalin: De kunstenaar en de Tsaar. Sovjetcultuur in de jaren ’30 en ’40. Amsterdam: Arbeiderspers 2005. Noteer dat McCarthyisme in de VS evenzeer neerkomt op cooptatie van bovenaf.

[10] Daarmee is de hoofdlijn van Ik Stel Vast samengevat. Zie tevens Luc Huyse, Gullivers probleem. Leuven: Van Halewyck, 2002. Voor een Amerikaanse kijk op hetzelfde fenomeen, zie Benjamin Demott, Junk Politics: The Trashing of the American Mind, New York: Nation Books, 2003.

[11] Ter illustratie kan men de website bekijken van één van deze ‘grote nieuwe talenten’, door sommigen getipt als een toekomstig premier: http://www.kafka.be. Men zal versteld staan van de reeks beuzelarijen die als grote politieke overwinningen worden voorgesteld.

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s