Reset: socialisme en de crisis (2010)

8uren1

Laat me beginnen met een uitgesponnen voorbeeld, een parabel zo U wil. We zijn allemaal computer-gebruikers, en de overgrote meerderheid onder ons gebruikt Windows als basisprogramma. Velen onder ons hebben daar problemen mee, en dit geldt zowel voor oudere als voor jongere gebruikers. Windows zit vol met zogeheten ‘features’, en vele van die ‘features’ werken tegen mekaar, blokkeren elkaar, sluiten mekaar uit. Bovendien werkt Windows met compatibiliteitsrestricties, die ervoor zorgen dat bepaalde recent opgeladen programma’s worden verstoord, tegengehouden of vervormd. Aangezien we allemaal op het internet zitten is dat dagelijkse kost: we laden een ‘update’ van een bepaald programma op, en als bij toverslag krijgen we daardoor problemen met reeds aanwezige programma’s en ‘features’. Weinigen onder ons kunnen dit zelf oplossen. Wanneer onze computer vastloopt gooien we de handen in de lucht en komen we niet verder dan de melding dat ‘er iets met onze computer is’. De eerste lijn van hulp die daarvoor kan ingeroepen worden zijn onze opgroeiende kinderen, de koningen en koninginnen van de ‘features’ en ‘updates’. Zij beheersen, veel beter dan hun veertig- of vijftigjarige ouders, het hele palet van bewerkingen en mogelijkheden van de meest recente Windows-versies. Zij zijn ook meesters in het gebruik van GSMs, en ze lachen ons uit met het feit dat we slechts een fractie van de mogelijkheden – de ‘features’ – van onze geavanceerde GSMs gebruiken. De hunne is gepersonaliseerd, gaat vlotjes het internet op, wordt gebruikt om te chatten en op Facebook te gaan, om muziek en films af te spelen, en ga zo maar door. De onze wordt gebruikt om te bellen en te SMSsen.

Wanneer onze kinderen het probleem niet kunnen oplossen, rest ons een andere, vaak treurige weg: bellen naar de helpdesk. Daar worden we ontvangen door Beethoven, die ons geruime tijd onledig houdt, waarna we de stem horen van een jonge man of vrouw aan wie we ons probleem kwijt kunnen. Die persoon praat ons eerst doorheen de mogelijke oplossingen die onze kinderen al hebben overlopen. Wanneer niks daarvan werkt is de voorgestelde oplossing doorgaans: ‘reset’. Druk op de knop die we associëren met een nucleaire explosie, en je systeem gaat terug naar zijn basisinstellingen. Vanzelfsprekend zijn het die basisinstellingen die ons hebben geleid naar de problemen die we hadden. De ‘reset’ knop haalt die problemen tijdelijk weg, en we hebben nu wat tijd om ze terug te krijgen. Indien we na de ‘reset’ precies hetzelfde doen als we tevoren deden, botsen we na enige tijd gehaaid alweer tegen dezelfde conflicten en storingen aan. Het systeem is immers niet veranderd, we hebben gewoon de ‘features’ van Windows even veranderd.

Achter Windows zit natuurlijk een systeem-software, de DOS. Mensen van de oudere generatie – de eerste generatie computer-gebruikers – kennen dat nog, want toen wij zowat twintig jaar terug onze eerste ervaringen opdeden met computers werden we geconfronteerd met DOS. Onze PC startte op in DOS, en we moesten zelf de toegepaste programmatuur opstarten. De verdere ontwikkeling van die toegepaste programma’s maakte de systeem-software onzichtbaar, en onze kinderen zijn in de regel niet meer op de hoogte van het bestaan van DOS. De systeem-software is immers afgeschermd door een heel netwerk van beveiligingen die ervoor zorgen dat gebruikers niet meer tot in die systeem-software raken tenzij ze daarvoor bijzondere bekwaamheden hebben. Software-specialisten of computerdeskundigen kunnen dat nog, en men is dan vaak beter geholpen met een telefoontje naar een vriend die software ontwerpt dan met een telefoontje naar de helpdesk. De doorsnee gebruiker raakt echter niet verder dan de ‘reset’ knop.

Men begrijpt natuurlijk waarover deze parabel gaat. Als we denken aan de manier waarop de economische recessie van de laatste jaren wordt besproken en geanalyseerd, merken we dat de discussie zich op het niveau van de ‘features’ van het systeem afspeelde. Beursdeskundigen en andere economisten kwamen ons uitleggen dat alles is begonnen met de val van Lehman Brothers – een ‘feature’ van de Windows-versie waarop onze samenleving nu draait. De val van Lehman Brothers leidde tot een ‘verlies van vertrouwen’ in ‘de economie’, en leidde zo een wereldwijde financiële crisis in. Die crisis wordt best aangepakt door op de ‘reset’ knop te drukken: door de tegen mekaar agerende ‘features’ en ‘updates’ van het systeem tijdelijk te verwijderen en terug te gaan naar de basisinstellingen van ons economisch systeem. Gedaan met het casino-kapitalisme en gedaan met de ‘risico-producten’ die banken aan ons en aan mekaar aanboden, en terug naar een proper, netjes georganiseerd kapitalisme waarin iedereen zijn manieren houdt en welvaart schept voor de hele wereld. De systeem-software blijft onaangeroerd, want net als bij Windows is die systeem-software zodanig afgeschermd dat hij niet langer zichtbaar en manipuleerbaar is. Weinigen komen dan ook tot de bevinding dat de crisis een kwestie is van het systeem, en de meerderheid besluit dat het aan de ‘features’ ligt. Enkel mensen die de diepere architectuur van dat systeem begrijpen (denk aan figuren zoals Amartya Sen, Immanuel Wallerstein en Eric Hobsbawm, en in een vroegere fase John Kenneth Galbraith) analyseren de huidige crisis als een systeemcrisis. Hun analyse wordt evenwel overstemd door het lawaai van de Paul Dhoore’s die men in ieder land wel vindt en die de ups en downs van economische processen becommentariëren op dezelfde wijze als men een veldrit of een 110 meter horden becommentarieert.

Het kan moeilijk anders. Sinds het einde van de Koude Oorlog hebben we inderdaad Fukuyama’s ‘einde van de geschiedenis’ meegemaakt. Onze opgroeiende kinderen krijgen in het middelbaar onderwijs een cursus ‘economie’ die neerkomt op een opleiding in perfect consumeren (in sommige handboeken wordt een bewust, fair-trade en ecologisch consumerend gezin aangeduid als ‘de familie Wijsneus’). Niemand noemt die cursus ‘inleiding tot het kapitalisme’, ook al zou dat een veel juistere benaming zijn. Kapitalisme is als systeem-software na de Koude Oorlog immers volledig onzichtbaar gemaakt; het systeem is zijn naam kwijt geraakt en wordt nu simpelweg, en ideologisch neutraal, als ‘de economie’ aangeduid. Onze kinderen komen ook niks meer te weten over de Sovjet-Unie en over de grote ideologische tegenstellingen die de twintigste eeuw haar gestalte gaven. Het feit dat die eeuw werd gedomineerd door de spanning tussen kapitalisme en een alternatief voor kapitalisme – socialisme – is (samen met het kolonialisme en de Nederlandse literatuur van voor het jaar 2000) verbannen uit de opleiding van de jongeren. Het is de oudere generatie, de generatie die eveneens met DOS is groot geworden, die nog een besef heeft van deze spanning op systeem-niveau en zich herinnert dat er een alternatief bestond voor wat we nu ‘de economie’ noemen. Het gevolg daarvan is dat het woord ‘socialisme’ bij de jongere generatie wordt geassocieerd met het beleid van Frank Vandebroucke, Patrick Janssens en Tony Blair, of met wat Fidel Castro en Stalin ermee hebben aangevangen – allemaal dingen die hetzij weinig enthousiasme oproepen, hetzij associaties oproepen van dictatuur en schending van de mensenrechten. Weinigen associëren socialisme met democratie, vrijheid, rechtvaardigheid en gelijkheid, en nog minder jongeren associëren het met een realistisch alternatief voor de samenleving waarin we nu leven. Een ander gevolg daarvan is dat de oudere generatie nog moeilijk uitgelegd krijgt aan de jongeren waarover socialisme eigenlijk gaat – dat het niet gewoon een vroegere versie van Windows was maar een alternatief voor het (D)OS-systeem van onze samenleving. We krijgen ook moeilijk uitgelegd dat elementaire kenmerken van onze welvaart – minimumloon, ziekteverzekering, betaald verlof, werkloosheidsvergoeding, leefloon, pensioen, 38-uren week, verbod op kinderarbeid, verplicht en goedkoop onderwijs en ga zo maar voort – dat al die dingen geen vanzelfsprekende eigenschappen zijn van het kapitalisme, maar dat ze allemaal door strijd tegen kapitalisme afgedwongen zijn. Dat is de reden waarom Obama’s (sterk afgezwakte) voorstel voor universele ziekteverzekering voor alle Amerikanen meteen door zijn tegenstrevers werd afgedaan als communisme. Historisch is het inderdaad zo dat dergelijke verwezenlijkingen (en we vinden die thans volmaakt vanzelfsprekend) de uitkomst waren van strijd over de aard van het systeem waarin we leven, en niet gewoon nieuwe ‘features’ of ‘updates’ van vormen van kapitalisme waren.

De huidige dominante generatie (ik reken daar nu de dertigers en veertigers bij, de typische producten van de welvaartstaat) heeft dan ook de neiging om debatten over de welvaartstaat te reduceren tot debatten over ‘features’ en niet tot ideologische debatten die de fundamenten van onze samenleving raken. Kost de werkloosheid teveel belastinggeld, dan ligt het voor de hand dat de werkloosheidsuitkeringen teruggeschroefd worden. Vele mensen vinden ook dat discussies over arbeidsvoorwaarden (minimumloon, ‘flexicurity’, enzovoort) in de eerste plaats moeten gaan over de concurrentiekracht van onze ondernemingen en verder geen principiële of diep-politieke bezwaren hoeven op te roepen. Onze middenklasse beseft niet meer dat ze middenklassers geworden zijn via de welvaartstaat, via een hele reeks van systeemkenmerken die niets te maken hebben met zuiver kapitalisme maar die de uitkomst waren van een reeks overwinningen op dat kapitalisme.

Aanslagen op dat systeem van sociale voorzieningen kunnen dan ook ongemerkt en zonder veel fundamenteel debat passeren. De toenemende commercialisering van het onderwijs en het hoger onderwijs, de afbouw van de werklozensteun, de volledige vermarkting van sleutelsectoren zoals energie en de toenemende vermarkting van de ziekteverzekering en de pensioenen, de ‘flexibilisering’ en ‘activering’ van de arbeidsmarkt en noem maar op: het is opvallend hoe weinig er over zo’n zaken wordt nagedacht, en hoe makkelijk men zo’n zaken reduceert tot oppervlakte-eigenschappen (volgens sommigen zelfs luxe-eigenschappen) van ons samenlevingsmodel. Mensen die zichzelf vandaag ‘socialist’ noemen en dit bijvoorbeeld uiten door te stemmen voor de SP.A gaan graag mee in een retoriek die politiek reduceert tot bedrijfsbeheer en ideologie tot een boodschappenlijst van ‘concrete en haalbare maatregelen’. Het is de retoriek van de ‘derde weg’ die het huidige dominante Europese socialisme kenmerkt. En net zoals men in Europa spreekt over ‘Chinees eten’ terwijl het in realiteit enkel gaat om Kantonees eten, spreekt men over socialisme enkel nog in termen van de ‘derde weg’. Die ‘derde weg’ heeft natuurlijk meer raakpunten met het programma van Jean-Marie Dedecker dan met een fundamenteel en principieel socialisme, dat op zijn beurt – of men dat nu graag hoort of niet – meer gemeen heeft met de visie van Christelijke basiswerkers dan met die van Steve Stevaert of Frank Vandenbroucke. De visie van die Christelijke basiswerkers sluit overigens beter aan bij die van Karl Marx of Paolo Freire dan bij die van Wojtila of Ratzinger, terwijl de visie van Stevaert en Vandenbroucke beter aansluit bij die van Bill Gates dan bij die van Marx en Freire. In tegenstelling tot Bill Gates zagen Marx en Freire sociale rechtvaardigheid immers niet als kapitalistische liefdadigheid die mogelijk gemaakt wordt door economische groei, maar als een fundamentele eigenschap van het economische en politieke systeem dat socialisme heette.

Marx is aan een bescheiden, zij het reële, heropleving toe. In Duitsland worden zijn werken sinds het begin van de huidige econmische recessie weer vlotjes verkocht, na twee decennia waarin ze enkel als samizdad circuleerden. Marx gaat, zoals we weten, over kapitalisme als systeem, als (D)OS en niet als Windows, en zijn kritiek op kapitalisme is een kritiek die de fundamenten raakt en niet de oppervlakte-fenomenen. De huidige recessie is netjes te verklaren vanuit de Marxistische analyse, en de uitkomst van die analyse gaat veel verder dan de ‘reset’ operatie die kapitalistische analisten aanbevelen. Maar dat nog daaraan toe. Het is evident dat iedereen die met economie en politiek bezig is Marx minstens gelezen zou moeten hebben, al was het maar omdat men bij de analyse geen enkele piste wil uitsluiten en het hele palet van mogelijkheden wil beschouwen. Het zou vanzelfsprekend ook nuttig zijn indien mensen die zich socialist noemen wat kennis van Marxistische analyse zouden hebben. En het zou goed zijn indien professoren Economie hun studenten lectuur van Marx zouden opleggen en aanbevelen, en niet enkel lectuur van Samuelson en Friedman. Dat is allemaal vanzelfsprekend en ik hoef daar niet verder op in te gaan. Terwijl zowat elke belangrijke denker uit de twintigste eeuw minstens beïnvloed was door Marx (dat geldt zelfs voor Hayek en Giddens) leidt men nu intellectuelen op zonder enig contact met het theoretische complex waaraan zijn werk ten grondslag ligt. Dat is een leemte en een gebrek, en dat is evident, punt.

Twee punten verdienen meer verheldering. Het eerste is het feit dat Marxisme een lijn is van ideologische kritiek en standpuntenbepaling, een systeemkritiek. Het tweede is dat Marxisme daarnaast historisch een belangrijke culturele factor is geweest. Laat me bij deze twee punten even stilstaan en duidelijk proberen te maken dat ze met mekaar verweven zijn.

Het eerste punt heb ik van bij aanvang benadrukt. Nadenken over de samenleving mag zich niet beperken tot nadenken over de oppervlakkige eigenschappen ervan. Men moet instrumenten hebben die toelaten diagnoses van maatschappelijke problemen te stellen die zich situeren op het diepste niveau. Een hoest kan een symptoom zijn van irritatie of van verkoudheid, maar ook van een griep, van TBC of van bronchitis. Wie de hoest effectief wil behandelen moet de dieper liggende oorzaken daarvan kennen. Alweer is dit vanzelfsprekend in zowat alle domeinen van het leven. In de politiek is het echter helemaal niet vanzelfsprekend, het is zelfs oneigenlijk geworden. Met uitzondering van extreem-rechts heeft geen enkele politieke partij nog een coherente ideologie, een fundamenteel en principieel wereldbeeld van waaruit men de alledaagse voorvallen analyseert en van waaruit men voorstellen en oplossingen afleidt. Socialisme werd historisch gekenmerkt door een robuuste ideologie die haar wortels had in het werk van Marx. Die solide ideologische basis was een theorie die analyse mogelijk maakte: een grondige en kritische analyse van de economische en politieke verhoudingen in de samenleving. De theorie benadrukte het uitbuitende karakter van de economische en politieke structuur van de kapitalistische samenleving, en stelde democratie, gelijkheid, solidariteit, rechtvaardigheid en menselijke bevrijding voor als doelstellingen van een alternatief model. Politieke actie vloeide voort uit die analyse en werd aangedreven door die doelstellingen, die men best als utopisch bestempelt (waarbij ‘utopie’ niet pejoratief gebruikt wordt maar als een synoniem voor ‘ideaal’). De ongelijkheid en het onrecht die de essentie uitmaken van het kapitalistische systeem werden door socialisten nooit aanvaard maar steeds actief bestreden, en dit gebeurde om fundamentele, principiële redenen; de strijd tegen onrecht kon nooit geofferd worden op het altaar van de politieke opportuniteit, want deze strijd was het uitgangspunt van het socialisme. Het (zelfs tijdelijk en voorwaardelijk) aanvaarden van een ten gronde onrechtvaardig systeem stond gelijk met het ophouden socialist te zijn. Het feit dat socialisme een fundamentele ideologische visie was zorgde er met andere woorden voor dat politiek een principieel gebeuren was, een kwestie van wereldbeeld en niet van imago, retoriek of lijstjes van concrete maatregelen. Het ging over de grondslagen van het systeem, en al de rest werd vanuit die grondslagen afgeleid. Het utopische karakter van die grondslagen betekende ook dat men principieel socialist bleef, ook al bood de politieke praktijk enkel ontgoochelingen en tegenslagen en weinig hoop op een socialistische doorbraak op middellange termijn. De autobiografie van Eric Hobsbawm, Interesting Times, is aanbevolen lectuur voor eenieder die hiervoor bevestiging zoekt.

Dit brengt me tot het tweede punt, tot iets wat Hobsbawm eveneens beklemtoont in zijn autobiografie. Die principiële socialistische uitgangspunten bezorgden de socialistische beweging doorheen haar geschiedenis een bepaalde ambiance; het voedde een politieke cultuur die draaide rond beginselvastheid, moed, doorzettingsvermogen en strijdvaardigheid. Socialisme was dus niet enkel een politieke theorie, het was ook een politieke levenshouding en een maatschappelijke en intellectuele ethiek. Getuigenissen van vroege socialisten en van socialisten uit strijdperioden spreken wat dat betreft heldere taal. Of het nu gaat om de Bolsjewistische soldaten tijdens de burgeroorlog, over de Stachanovisten uit de Stalin-tijd, de Internationale Brigade strijders in Spanje, de verzetsmensen tijdens de Tweede Wereldoorlog, de guerillero’s van Che Guevara, de vakbondsmensen van Zwartberg of de studentenleiders van mei ‘68: telkens benadrukken ze het gevoel van heroïek (helaas een zeer ouderwets en bezoedeld woord), van solidariteit, collectieve wilskracht en wederzijdse waardering die ze uit hun socialistische overtuiging haalden. Ze dachten en handelden vanuit collectieve belangen, en gingen ervan uit dat hun eigenbelang best op die manier gediend werd, door het ondergeschikt te maken aan het algemeen belang. Die cultuur was een sterkte zowel als een zwakte. Ze was een sterkte omdat ze, als romantisch ideaal, mensen tot buitengewone prestaties dreef en hen een kracht gaf die ze uit zichzelf nooit zouden gehad hebben. Het was een zwakte omdat ze daardoor ook de meest onmogelijke dingen slikten en aanvaardden, incluis zuiveringen, executies, personencultus en machtsmisbruik. Het lijdt geen twijfel dat de Rode Gardisten van Mao’s Culturele Revolutie in grote mate rechtschapen socialisten waren; het lijdt echter evenmin twijfel dat ze aansprakelijk waren voor monumentale politieke en menselijke blunders die op geen enkele wijze goed te praten zijn. Lavrenti Beria was een beginselvast en gedreven Bolsjewiek maar eveneens een schoft, en zelfs het universele socialistische en revolutionaire sex-symbool Che Guevara had geen enkele moeite met standrechterlijke executies van ‘klassevijanden’. Over dit soort dingen hoeven we niet langer meer onnozel te doen, dit zijn solide historische gegevens.

De positieve kracht van socialistische ideologie is echter ook een historisch gegeven waarop niets af te dingen valt. Het is die kracht die socialisme omvormde van een radicale beweging in de marge tot één van de grootste politieke bewegingen uit de geschiedenis, en zoals al gezegd, het is die kracht die er in ons deel van de wereld voor zorgde dat een kapitalistisch systeem belangrijke toegevingen moest doen om te overleven. Die kracht werd door socialisten ervaren als bevrijdend: socialisme gaf hen een analysemodel dat hen zelf in staat stelde om hun situatie te begrijpen. Het maakte hen autonoom als denkend mens en gaf hen de overtuiging dat ze als mens evenwaardig waren aan de aristocraten en de bourgeoisie. Het gaf hen een besef van uitbuiting en een begrip van hun collectieve belangen. Het was, kort samengevat, niet slechts een politieke beweging maar ook een leeromgeving voor mensen die in de regel niet erg geleerd waren. In hedendaagse termen zouden we kunnen zeggen dat het die socialistische kracht is geweest die de verschoppelingen der aarde omvormde tot volwaardige burgers die streefden naar een volwaardige democratie. In zo een democratie zouden de burgers inspraak en macht hebben over alle domeinen van de samenleving, incluis de economie die binnen een kapitalistisch model geen politieke en collectieve heerschappij duldt maar in het rijk van de individuele macht valt. Een socialistische democratie – het utopische ideaal van de socialisten – was een totale democratie, geen totalitaire democratie.

Het feit dat dit ideaal nooit bereikt is doet geen afbreuk aan de waarde van het ideaal, integendeel: het zou net een drijfveer moeten zijn om het ideaal met nog meer inzet na te streven. Het feit dat de Sovjet-Unie en de DDR geen heilsstaten zijn geworden en dat men nu in Parijs burgers van de Volksrepubliek ziet shoppen bij Chanel en Louis Vuitton betekent niet dat het ideaal moet opgegeven worden of dat de doelstellingen minder waardevol zijn geworden. Het betekent dat bepaalde pogingen om het ideaal te bereiken mislukt zijn, en dat we beter ons best moeten doen en moeten leren uit de gemaakte fouten om het ideaal te bereiken. Er is geen enkele kapitalist die zijn geloof in de vrije markt opzegt omdat de staat de banken subsidieert – sinds eind 2008 worden dit soort (Keynesiaanse en derhalve concurrentieverstorende) doodzonden tegen de kapitalistische dogma’s van de jaren ’80 precies toegejuicht, zelfs door Jean-Marie Dedecker en zijn surrealistisch-liberale medestanders.

Deze twee punten zijn van levensbelang: enerzijds het feit dat socialisme een grondslagenkritiek is en dus een principiële politieke opstelling, en anderzijds het feit dat socialisme een bevrijdende leeromgeving is die mensen zelfbewustzijn, autonomie en vrijheid geeft en die een totale democratie als ideaal nastreeft. Wanneer we vandaag nadenken over een socialisme voor morgen dan lijken me dit twee elementen te zijn waarmee we uit de voeten kunnen. Het zijn twee unieke elementen die eigen zijn aan socialisme, en die door een halve eeuw Koude Oorlog en twintig jaar neoliberalisme door slechts weinigen herkend en erkend worden. Integendeel, ze worden vaak voorgesteld als het tegendeel van socialisme – de gebroeders Verhofstadt, bijvoorbeeld, formuleren net die elementen als de kern van het liberalisme, merkwaardig genoeg in weerwil van alle beschikbare bewijsmateriaal. Het principieel afwijzen van elke vorm van onderwerping en ongelijkheid is en blijft het element dat links van rechts onderscheidt. Het centraal stellen van mensen, niet van machines, bedrijven en kapitaal blijft dat eveneens, en deze boodschap kan onze samenleving echt wel gebruiken.

Ik keer nu terug naar de parabel waarmee ik opende. Net zoals de jongere generatie is opgegroeid zonder kennis van DOS en zich dus bekwaamt in het spelen met Windows, zitten we ook hier met een generatie-probleem. Mensen van beneden de dertig zijn opgegroeid in een wereld waarin systeemkritiek en het geloof in een alternatief voor het huidige systeem afwezig zijn. Zoals ik al zei, hun leerboeken voeden hen op tot ideale consumenten, tot ideologisch verzadigde kapitalisten en tot toekomstige beleggers (al was het maar om een pensioen veilig te stellen). De media-omgeving waarin ze opgroeien is evenmin een bron en instrument voor kritische systeembevraging, en de diepere oorzaken van wereldwijde ongelijkheid of economische recessies zullen ze niet van Siegfried Bracke leren, en nog minder van The Simpsons. Zoals gezegd, het systeem heeft een hele reeks beveiligingen aangebracht die systeemkritiek onmogelijk maken: men kan enkel nog socialist worden als gevolg van toeval of van doorgedreven eigenwijsheid, en jongeren van vandaag zullen makkelijker een ex-missionaris in hun beurt weten te vinden dan een openlijke socialist. We hebben daar natuurlijk zelf schuld aan, want de socialisten van de jaren ’70 zijn na 1990 hetzij cynici geworden, hetzij ondernemers, hetzij keukentafel-socialisten die hun overtuiging voor zichzelf houden en hun socialistische boeken op de hoogste plank van hun boekenkast verbergen.

Als we geloven dat socialisme nodig is in de samenleving van vandaag en morgen zullen we dus beter moeten doen. En er is flink wat werk aan de winkel. We moeten een hele generatie eerst het simpele bestaan van socialisme uitleggen, en eraan toevoegen dat dit socialisme niet samenvalt met de standpunten van de SP.A; en vervolgens moeten we hen overtuigen van de waarde ervan. We zullen hen moeten uitleggen dat zij de generatie zijn die het zonder wettelijk pensioen zal moeten stellen, die forse bedragen zal moeten betalen voor de universitaire studies van zoon of dochter en voor een afdoende ziekteverzekering, die hun loopbaan zal moeten rekken tot hun zeventigste, die zal moeten werken met tijdelijke contracten en nepstatuten en die zal geconfronteerd worden met een ecologische nachtmerrie met allerhande gevolgen voor de volksgezondheid. En we moeten hen uitleggen dat dit allemaal behoort tot de logica van het systeem, en dat men dus de logica van dat systeem kritisch moet bekijken eerder dan de uitwendigheden ervan. We gaan hen moeten uitleggen dat onze samenleving wel ingenieurs, artsen, advocaten en leerkrachten nodig heeft, maar dat ze nog meer kritische en bewuste burgers nodig heeft, mensen die de autonomie bezitten om voor zichzelf uit te maken waar ze staan, wat hun belangen zijn en welke kennis ze nodig hebben om zichzelf en anderen te helpen. We moeten hen uitleggen dat onze democratie en welvaartstaat (historisch een overwinning van socialisme) steeds meer macht afstaat aan de vrije markt, en dat deze markt enkel vrij is voor zij die er winst in maken. We zullen hen dus moeten uitleggen dat onze democratie nog lang niet perfect is, dat onze samenleving opnieuw gedemocratiseerd moet worden en dat een socialistische democratie wat dat betreft meer te bieden heeft dan eender welke andere. Maar we gaan hen ook moeten uitleggen dat dit er niet vanzelf zal komen, maar dat men ervoor zal moeten strijden. Meer nog, we moeten hen uitleggen dat we hiervoor een heel ander type van burger nodig hebben dan de burger van Verhofstadt: een altruïstische burger die zichzelf ziet als lid van een gemeenschap, van een collectief dat collectieve belangen heeft die door middel van solidariteit worden gediend – dat men het eigen goed dus moet delen met anderen om het zelf goed te hebben.

Dat zijn allemaal oude ideeën; ze zijn echter niet ouderwets of verouderd, ze zijn actueler dan ooit, al was het maar omdat zo weinigen ze nog serieus nemen en zo velen ze beschouwen als naïef en nostalgisch. Ze zijn even nostalgisch als de mode en de muziek van de jaren ’70, die nu merkwaardig genoeg terug cool zijn. En net als de plateauschoenen en de liedjes van Abba is er terug ‘een markt voor’. Niemand had verwacht dat de Antwerpse bevolking in oktober 2009 de Lange Wapper zou wegstemmen, al was het maar omdat het hele politieke establishment er achter stond, de voorstanders miljoenen konden investeren in professioneel gemaakte propaganda, en het tegenkamp bestond uit een alliantie van buurtcomités, een handvol politici en de PvdA. Het gemobiliseerde middenveld haalde het echter van Kris Peeters, de communicatie-professionals en de industriebonzen van de Antwerpse haven. Dat middenveld bestaat dus nog altijd, en het kan een politieke kamp van formaat winnen – dat is de les van het Antwerpse referendum. Dat middenveld kan nu ook op heel andere manieren gemobiliseerd worden. Indymedia haalt een lezersaantal dat opweegt tegen dat van vele magazines en sommige kranten, en het moedigt ‘burgerjournalistiek’ aan waardoor het heel andere types van informatie biedt dan de doorsnee media. Nieuwe media zoals Facebook, Twitter en G3 mobiele telefoons maken een heel ander patroon van informatieverdeling en circulatie mogelijk, en zijn daardoor belangrijke nieuwe instrumenten voor politieke mobilisatie (iets wat Obama zeer wel heeft begrepen). Het punt is dat het middenveld vandaag heel wat meer middelen heeft om zich te organiseren dan ooit tevoren, ook al worden die nieuwe middelen op dit ogenblik overwegend gebruikt voor onbenullige doeleinden. In combinatie met de oude middelen en media – de vergadering, de groep gemotiveerde vrijwilligers, het boek, artikel of pamflet – bieden ze een hele reeks nieuwe mogelijkheden. Het opnieuw opstarten van het middenveld, en het in gang houden van een dynamiek in het middenveld: dat zijn de grote politieke taken van vandaag. Ik geloof niet in een massapartij, maar wel in een massabeweging, ook al is die tijdelijk en verandert haar samenstelling van geval tot geval. Als het ons menens is moeten we hier maar mee beginnen. Het is, net als een eeuw geleden, tijd voor een ‘reset’ die verder gaat dan de ‘features’ van onze samenleving en die het besturingssysteem verbetert. We hebben er, zoals we al zo lang weten, niets mee te verliezen dan onze ketenen.

(Dag van het Socialisme, Gent, maart 2010)

Advertisements

About jmeblommaert

Taalkundig antropoloog-sociolinguist, hoogleraar Taal, Cultuur en Globalisering aan Tilburg University. Politiek publicist.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s